Koninkrijksverkondigers brengen verslag uit
Rechtschapenheid onder verbodsbepalingen
HET predikingswerk in een land in Zuidoost-Azië is nu al elf jaar officieel door de regering verboden. De laatste jaren hebben de broeders echter de indruk gekregen dat enkele verantwoordelijke personen in de regering de situatie graag zouden willen verbeteren. Het verbod schijnt in het leven geroepen te zijn door de krachtige invloed van religies van de christenheid in regeringskringen.
Soms zijn de broeders onder toezicht gesteld, gearresteerd en intens ondervraagd. Degenen die voor regeringsinstellingen werkten, zijn bedreigd met degradatie of gedwongen ontslag als zij zich niet bij de politieke staatspartij aansloten. Een groep verkondigers is hevig geslagen.
De Getuigen worden ook wettelijke rechten ontzegd, zoals de diensten van burgerrechtbanken en het recht begrafenisdiensten te leiden. (De autoriteiten stellen een predikant aan om dit te doen.) Op sommige plaatsen wordt het de Getuigen zelfs niet toegestaan een rechtsgeldig huwelijk te sluiten!
Toch berichten degenen die de leiding hebben over het werk: „Steeds als de broeders de kwestie moedig onder de ogen zien en met respect aan de hand van de bijbel getuigenis geven, houden de ondervragingen uiteindelijk op en wordt het toezicht minder, hetgeen de broeders in staat stelt op doeltreffende wijze door te gaan met de prediking en het maken van discipelen.” — Matthéüs 28:19, 20.
Aan een zuster die werd ondervraagd, werd bijvoorbeeld de vraag gesteld waar wij de naam Jehovah vandaan hebben. Moedig opende zij haar bijbel bij Exodus 15:3, waar de naam voorkomt. De ondervrager, een militaire bevelhebber, las in de bijbel mee en zei: „Ja, inderdaad. Het staat in de bijbel.” Vervolgens wendde hij zich tot een predikant, die ook aan de ondervraging deelnam, en vroeg: „Waarom licht u de mensen niet over de naam in?” De predikant reageerde hierop met het zwakke excuus: „O ja, de naam staat in het Oude Testament. Maar omdat dit land geen diplomatieke betrekkingen met Israël onderhoudt, gebruiken wij de naam niet.” De zuster werd onmiddellijk vrijgelaten!
De politie ging in op een tip van een „geïnteresseerde” en gelastte de eerste van drie districtscongressen op de avond ervóór af! Maar verscheidene gunstig gezinde personen in het politieapparaat zorgden ervoor dat er een eind kwam aan de hieruit voortvloeiende ondervragingen. Onbevreesd hielden de broeders de andere twee congressen.
Ondanks krachtige religieuze tegenstand in dit land zijn er nog altijd mensen die rechtvaardigheid liefhebben. Zo heeft één werkgever, die had gezien hoe loyaal de broeders aan hun beginselen en geloof vasthouden, nog meer vertrouwen in de broeders ontwikkeld. Zij kregen meer verantwoordelijkheden op het werk.
Soortgelijke dingen gebeuren met de schoolkinderen. Rechtgeaarde onderwijzers en leraren bewonderen hen wegens het krachtige standpunt dat zij voor hun geloof innemen.
Hoewel de situatie in het veld wat gemakkelijker is geworden voor de broeders, blijven de kerken moeilijkheden veroorzaken en doen de geestelijken al het mogelijke om het getuigeniswerk een halt toe te roepen. Soms proberen zij degenen die de bijbel met de Getuigen bestuderen, fysiek letsel toe te brengen. Er stromen echter nog steeds geïnteresseerde personen Jehovah’s organisatie binnen. Eén ervaring handelt over een grootmoeder van in de zeventig. Nadat zij aan een van haar ogen was geopereerd, uitte zij de wens in de hulppioniersdienst te gaan. In het begin dacht zij dat het 60-urenvereiste, gezien haar leeftijd, te veel voor haar was, maar na het geprobeerd te hebben, ontdekte zij dat het haar lukte. In de eerste tien dagen verrichtte zij zelfs 38 uur velddienst, verspreidde zij in een moeilijk gebied twee boeken, drie brochures en twee tijdschriften en richtte zij twee bijbelstudies op. Wat was zij gelukkig!
In het algemeen is de velddienstsituatie in het land heel goed. Vooral na de algemene verkiezingen hebben de broeders aan verscheidene takken van het getuigeniswerk kunnen deelnemen. Dit is het werk beslist ten goede gekomen. Een gewone verkondiger kan wel zeven tot tien bijbelstudies hebben. Vroeger moesten de huisbewoners van alles van ons weten en wilden zij horen wie wij waren, waar wij vandaan kwamen, enzovoort. Nu hoeven de broeders zich vrijwel niet meer voor te stellen. De mensen hongeren naar voldoening schenkend geestelijk voedsel. Het veld is werkelijk rijp om geoogst te worden. — Matthéüs 9:37, 38.
Ja, de broeders en zusters in dit land bewaren hun rechtschapenheid onder beproevingen en hebben zich onlangs in een toename van 7 procent in verkondigers kunnen verheugen. Zij huldigen hetzelfde standpunt als de psalmist David, die zei: „Wat mij betreft, ik zal in mijn rechtschapenheid wandelen.” — Psalm 26:11.