Voorwaarts, Getuigen!
„Wees vastberaden, de eindtijd is bereikt!/Getuigen, sta pal, opdat waarheid nimmer wijkt./Al tracht Satan u te verlokken,/Gods kracht maakt u sterk, onverschrokken.”
Dit zijn de beginregels van lied 29 in de liederenbundel van Jehovah’s Getuigen, Zing lofzangen voor Jehovah. Uw waardering voor dit lied zal waarschijnlijk toenemen wanneer u te weten komt dat de melodie in een concentratiekamp van nazi-Duitsland werd gecomponeerd. Onlangs luisterden ongeveer 500 leden van de Duitse Bethelfamilie in Selters naar een bandopname van een gesprek met de componist van het lied, Erich Frost, die het volgende berichtte:
„’Voorwaarts, Getuigen!’ — dit was zelfs toen onze hartewens, hoewel wij dwangarbeid verrichtten in een concentratiekamp. Aangezien een componist altijd verscheidene melodieën in zijn hoofd hoort spelen, was de muziek van het lied al geruime tijd in mijn geest. De werkgroep waartoe ik behoorde en die uit veertig Getuigen bestond, moest elke dag een half uur marcheren naar een waterzuiveringsinstallatie buiten het kamp. Toen wij op zekere ochtend onderweg waren, kwam de gedachte bij mij op: ’Het wordt tijd om de melodie van een paar versregels te voorzien, zodat erop gezongen kan worden’, en al gauw begon het eerste couplet vorm aan te nemen in mijn geest.
Ik had als taak een hoop zand met behulp van een kruiwagen zo’n 30 meter te verplaatsen. Spreken tijdens het werk was ten strengste verboden. Maar terwijl ik er het juiste moment voor koos, vroeg ik zachtjes aan een broeder die bij mij in de buurt werkte, of hij een goed geheugen had. Hij zei van ja, en dus vertrouwde ik het eerste couplet aan hem toe. Een uur later sprak ik een andere broeder aan, later een derde en ten slotte een vierde. Ik vroeg elk van hen één couplet uit het hoofd te leren.
Toen wij die avond weer in het kamp terug waren, herhaalden de vier één voor één de coupletten voor mij. Zo kon ik de woorden aan de noten toevoegen. De SS zou niet veel hebben kunnen beginnen als hun alleen de noten in handen waren gevallen. Maar nu was de situatie heel gevaarlijk geworden. Als zij mij met de tekst van het lied hadden gepakt, zouden zij mij hebben opgehangen. Hoe kon ik het lied verbergen?
Een oudere broeder moest voor een schuur buiten het kamp zorgen, waar enkelen van de SS hun konijnen hielden. In deze schuur vond hij een geschikt plekje voor het verbergen van ware geestelijke juwelen — complete uitgaven van De Wachttoren en een paar boeken van het Genootschap. Deze broeder stelde zijn leven in de waagschaal door zulke artikelen het kamp binnen te smokkelen en ons aldus van studiemateriaal te voorzien. Hier verborg hij mijn lied. Op zekere dag zei hij: ’Erich, je lied is onderweg. Ik heb iemand gevonden die het naar Zwitserland heeft verstuurd.’ Ik slaakte een zucht van verlichting.
De Zwitserse broeders zonden het naar Brooklyn, waar het in handen kwam van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen. Mijn klungelige tekst werd verbeterd en in drie prachtige coupletten veranderd. Ik liep over van vreugde toen ik dit lied later in de nieuwe liederenbundel van Jehovah’s Getuigen aantrof.a In deze tijd, nu als lied 29, spoort het alle Getuigen er nog steeds toe aan vastberaden voor Jehovah en de waarheid op te komen!”
[Voetnoten]
a Het werd voor het eerst in de Verenigde Staten gezongen door een koor studenten van de elfde klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead als een onderdeel van hun graduatieprogramma op 1 augustus 1948.
[Kader op blz. 21]
Erich Frost eindigde zijn aardse loopbaan op 30 oktober 1987, op de leeftijd van 86 jaar. Hij was op 22 december 1900 geboren, werd op 4 maart 1923 gedoopt en ging in 1928 in de volle-tijddienst. In 1936 kreeg hij de leiding over het ondergrondse werk van de vervolgde getuigen van Jehovah in Duitsland, en hij heeft die toewijzing acht maanden lang goed behartigd totdat hij in een concentratiekamp werd opgesloten. Na de oorlog, van 1945 tot 1955, diende hij als de opziener van het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Duitsland. (Zie De Wachttoren van 15 september 1961, blz. 568-574.) Daarna bleef hij Jehovah getrouw dienen. God zal het werk van zulke gezalfde christenen en de liefde die zij voor zijn naam hebben getoond, niet vergeten. — Hebreeën 6:10.