Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w87 1/8 blz. 21-25
  • Mijn generatie — uniek en hoogst bevoorrecht!

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Mijn generatie — uniek en hoogst bevoorrecht!
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1987
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Een goed begin met TLZ
  • Onvergetelijke indrukken
  • Oorlogsperikelen en een nieuw begin
  • Belangrijke veranderingen in de loop der jaren
  • Mijn generatie — uniek op een speciale manier
  • In het openbaar en van huis tot huis prediken
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • ’Eerst het koninkrijk zoeken’
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1986
  • Vol waardering voor de dienst van de „getrouwe en beleidvolle slaaf”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1974
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1987
w87 1/8 blz. 21-25

Mijn generatie — uniek en hoogst bevoorrecht!

Zoals verteld door Melvin Sargent

IN DEZE tijd zijn veel jonge mensen in een gezin van Jehovah’s Getuigen geboren. Maar in 1896 was dat beslist nog een zeldzaam voorrecht. Moeder heeft mij van kindsbeen af geleerd Jehovah op de juiste wijze te vrezen en waardering te hebben voor het loskoopoffer dat zijn Zoon heeft gebracht. Ik behoor dus tot een unieke en hoogst bevoorrechte generatie — oud genoeg om in 1914 het begin van het teken van Christus’ tegenwoordigheid te hebben gezien en toch misschien nog jong genoeg om de voltooiing daarvan te Armageddon te beleven. — Matthéüs 24:3, 33, 34.

Een goed begin met TLZ

Als kind kreeg ik de zogenaamde TLZ-behandeling: Tedere Liefdevolle Zorg. Toch kon die zorg soms vormen aannemen die sommigen tegenwoordig misschien hardvochtig zouden noemen. Ik kan mij herinneren dat Moeder mij eens toevallig hoorde spelen met een oudere jongen, die opeens woorden begon te gebruiken die helemaal nieuw voor mij waren. „Dat zijn slechte woorden, die je nooit mag gebruiken”, zei ze, en zij prentte mij dat heel goed in met meer dan louter woorden! Maar ik besefte dat haar strenge onderricht een uitdrukking was van tedere liefdevolle zorg, en ik weet nog dat ik mij afvroeg waarom Jimmies moeder hem geen streng onderricht had gegeven. Hield zij dan echt niet genoeg van hem?

Wij waren het enige gezin van Getuigen in Jewell County (Kansas, VS). Vader was geen opgedragen dienstknecht van Jehovah, maar leidde plichtsgetrouw een bijbelstudie met ons. Mijn zus Eva was de oudste, en Walter was een jaar en vier maanden ouder dan ik. Er werd van ons verwacht dat wij iedere avond samen de vaat deden. Maar Walter wist er dikwijls met een smoesje onderuit te komen. Eva en ik gebruikten dit karweitje echter als een dagelijkse gelegenheid om over bijbelse waarheden te spreken, dus bleek het achteraf nog een zegen geweest te zijn. Later ben ik gaan inzien dat mensen die zich aan verantwoordelijkheden in het leven onttrekken, veel zegeningen mislopen. Dat is gebeurd met Walter, die zich later van de waarheid heeft afgekeerd.

Op 4 augustus 1912 bleken de voortreffelijke resultaten van onze TLZ-behandeling. Eva en ik stonden voor dag en dauw op en reden 16 km met paard en wagen om de vroege trein naar Jamestown (Kansas), te halen. Daar was een pelgrim, zoals de reizende Bijbelonderzoekers destijds heetten, op bezoek, en dit zou onze eerste ontmoeting zijn met Bijbelonderzoekers buiten ons eigen huis. Het was tevens de dag waarop wij werden gedoopt.

Hoewel ik pas zestien jaar was, vroeg ik de pelgrimbroeder of ik in aanmerking kon komen voor de volle-tijddienst, destijds colporteurswerk genoemd. Hij moedigde mij aan naar het Wachttorengenootschap te schrijven. Maar aangezien ik thuis nog nodig was, moest dit uitgesteld worden. Intussen gebruikte ik geregeld mijn vrije tijd om de Bijbelonderzoekers in Jamestown te helpen met het verspreiden van traktaten in zo’n 75 steden en dorpen in de omgeving.

Ook bij andere gelegenheden gaf ik getuigenis. Toen de eigenares van ons huis eens voor zaken in de stad moest zijn en een paar dagen bij ons bleef logeren, gaf ik haar een traktaat. Dit moet indruk op haar hebben gemaakt. Maar nadat zij naar haar huis in Iowa was teruggekeerd, duurde het dertig jaar voordat ik haar weer zag. Zij was adventiste geworden en had geen belangstelling voor ’mijn religie’. Maar zij had een landgoed dat beheerd moest worden, en omdat zij in haar eigen religie geen „echt christelijke man” kende die zij durfde vertrouwen, wendde zij zich tot mij. Het loon dat zij mij betaalde, heeft mij geholpen het verscheidene jaren in de volle-tijddienst uit te zingen. Wat een bevestiging van Prediker 11:1: „Zend uw brood uit op de oppervlakte van de wateren, want na verloop van vele dagen zult gij het terugvinden.” Of van wat Jezus eens zei: „Blijft dan eerst het koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid zoeken, en al deze andere dingen zullen u worden toegevoegd.” — Matthéüs 6:33.

Onvergetelijke indrukken

In 1913 woonde ik mijn eerste congres bij. Ik was onder de indruk van de 41 nieuwelingen die gedoopt werden, en ik voelde mij ook aangemoedigd door de gedachte dat er voor mij met mijn voorsprong (ik was tien maanden eerder gedoopt) nog wel enige hoop was dat ik vóór 1914 een „christelijke persoonlijkheid” zou kunnen ontwikkelen om mijn ’roeping en uitverkiezing’ vast te maken. Ook was ik onder de indruk van de vele rode en gele linten die ik zag. Colporteurs die een partner zochten, droegen een rood lint, en allen die bereid waren zich bij hen aan te sluiten een geel.

Voor mij was een hoogtepunt van het congres in 1914 dat ik het Photo-Drama der Schepping zag en een blik van nabij op broeder Russell kon werpen. Hij straalde warmte uit en toonde een oprecht verlangen zijn toehoorders aanmoedigende inlichtingen te verstrekken. Hij was vol medegevoel en bereid te luisteren naar degenen die met problemen bij hem kwamen. Maar hij voelde zich niet te groot om zich af en toe eens door een kwajongen in het ootje te laten nemen. Toen ik op een avond scenario’s voor de vertoning van het Photo-Drama stond uit te delen, kwam hij haastig voorbijgelopen. Ik bood hem een exemplaar aan en deed net of ik hem niet herkende. Eerst liep hij door, maar toen draaide hij zich om en bedankte hij mij lachend, waardoor hij liet merken dat hij het grapje doorhad.

In 1917, toen ik 21 jaar was, kon ik eindelijk het colporteurswerk op mij nemen. De Eerste Wereldoorlog was al bijna drie jaar aan de gang. Met een koffer in de hand, een grote hoeveelheid boeken bij mij en dertig dollar op zak vertrok ik met mijn partner, Ernest Leuba, een oudere, ervaren colporteur, naar Nebraska. Wij maakten zowel positieve als negatieve ervaringen mee. Ik kan mij bijvoorbeeld herinneren dat wij eens besloten hadden een snelle methode te gebruiken om boeken te verspreiden. Wij lieten kaartjes drukken waarop het boek The Finished Mystery twee dagen aan het publiek ter inzage werd aangeboden, met het daaraan verbonden recht het bij onze terugkeer voor zestig dollarcent in bezit te mogen houden. Op een ochtend leenden wij op deze manier elk tien boeken uit. Twee dagen later kon ik er van de mijne zeven definitief verspreiden, terwijl broeder Leuba, die een overwegend katholiek gebied had bewerkt, er slechts één verspreidde. Om een van de uitgeleende boeken terug te krijgen, moest hij naar de katholieke priester, aan wie het was doorgegeven. Wij kwamen dus al gauw tot de conclusie dat onze snelle methode eigenlijk niet zo goed was en dat wij beter meer tijd aan het spreken met de mensen konden besteden.

Natuurlijk hadden wij heel weinig geld, met het gevolg dat wij af en toe behoorlijk vindingrijk waren in het bedenken van bezuinigingen. Toen wij later verhuisden naar een nieuwe toewijzing in Boulder (Colorado), kochten wij dan ook een kaartje tot het dichtstbijzijnde station voorbij de grens tussen de twee staten. Toen stapten wij uit en kochten een nieuw kaartje om de rest van de reis met de volgende trein te maken. Waarom? Omdat de tarieven binnen een staat twee dollarcent per mijl bedroegen, maar voor het verkeer tussen de staten hoger lagen. Behalve dat wij geld uitspaarden, konden wij ons oponthoud ook benutten om informeel getuigenis te geven.

Oorlogsperikelen en een nieuw begin

Het was 1918 geworden, en de Verenigde Staten waren actief in de oorlog verwikkeld. Er stak een openlijke storm van tegenstand op tegen de Bijbelonderzoekers, waardoor aan het licht kwam wie bevreesd was en wie niet. Sommige broeders in de dienstplichtige leeftijd, die weliswaar weigerden wapens te dragen, stemden erin toe non-combattante krijgsdienst te verrichten.

Toen ik mij meldde, beriep ik mij als bedienaar op vrijstelling. Ik vond dat mijn argumenten goed gefundeerd waren, en mijn rekrutering werd uitgesteld totdat mijn geval door de raad van beroep zou worden behandeld. Daar dacht men er anders over, en mijn beroep werd ongegrond verklaard. Maar dit uitstel was voor mij toch een hulp om buiten de gevangenis te blijven, want inmiddels was de oogsttijd aangebroken en kreeg ik uitstel totdat dit noodzakelijke werk op mijn vaders boerderij voltooid was. Uiteindelijk moest ik op 15 november in dienst. De oorlog eindigde op 11 november. Het heeft maar vier dagen gescheeld of ik was in de gevangenis beland.

Anderen die onbevreesd hun standpunt ten gunste van de christelijke neutraliteit hadden ingenomen, verging het minder goed. Op een congres in Denver ontmoette ik een van hen. Om zijn kaalheid te verklaren, vertelde de broeder dat hij door fanatiek gepeupel aan een boom vastgebonden was, waarna zij teer over hem heen hadden gegoten. „De vrouwen in de groep”, zei hij, „waren het ergst.” Hij had zijn haar afgeschoren om de teer kwijt te raken. Toen verscheen er een brede glimlach op zijn gezicht en zei hij over zijn ervaring: „Ik had het voor geen prijs willen missen.”

Enkele functionarissen van het Wachttorengenootschap werden ten onrechte gevangengezet omdat zij weigerden ten aanzien van hun standpunt te schipperen. Maar in 1919 werden zij, terwijl zij nog in de gevangenis zaten, in hun functie bij het Genootschap herkozen, ondanks een poging van afvalligen om hen uit het zadel te lichten. De getrouwe broeders vatten dit als een teken van Jehovah’s goedkeuring op. Vol vreugde en aangemoedigd door een hernieuwde stroom van heilige geest waren zij thans vastbeslotener dan ooit om de Koninkrijksprediking te hervatten en de geestelijken aan de kaak te stellen vanwege hun huichelachtige verzuim om Gods koninkrijk te steunen. De volledige breuk met Babylon was ingezet.

Op 24 februari 1918, nadat de Verenigde Staten op 6 april 1917 bij de Eerste Wereldoorlog betrokken waren geraakt, hield broeder Rutherford in Los Angeles (Californië) voor de eerste maal de opwindende lezing: „Miljoenen nu levende mensen zullen nimmer sterven”.

Belangrijke veranderingen in de loop der jaren

Zeven jaar lang waren Lydia Tannahill en ik voornamelijk per brief bevriend geweest. Na de kwestie gebedsvol te hebben beschouwd, besloten wij in 1921 gebruik te maken van de concessie die Paulus doet als hij de ongehuwde staat aanbeveelt, namelijk dat ’wie zijn maagdelijkheid uithuwelijkt, goed doet’ (1 Korinthiërs 7:38). Ons huwelijk was een geschenk van Jehovah en verheugde ons hart. Maar het duurde niet lang of wij werden met een crisis geconfronteerd. Door het reizen was een oude rugblessure van Lydia weer acuut geworden, en hoewel mijn hart loyaal en liefdevol was, werkte het traag — „een vermoeid hart” noemden de artsen het. Dit leidde uiteindelijk tot anemie. Wij waren beiden aan het eind van onze krachten. Wij kregen de raad een ander klimaat op te zoeken en ons dagelijks reizen te beperken. Ons huis op wielen was een ideaal hulpmiddel om deze raad op te volgen, en zo waren wij in september 1923 op weg naar Californië.

Doordat ik tot een hoogst bevoorrechte generatie behoor, heb ik mogen zien hoe Jehovah’s zichtbare organisatie zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld. Ik heb meegemaakt dat Los Angeles voor het eerst in afzonderlijke predikingsgebieden werd verdeeld, dat het getuigenisgeven op zondag begon en dat wij in 1931 onze nieuwe naam, Jehovah’s Getuigen, kregen. Wat was het opwindend in 1932 en 1938 mee te maken dat de bestaande regelingen veranderd werden zodat ouderlingen in het vervolg op theocratische in plaats van democratische wijze zouden worden aangesteld. En wat een vreugde heeft het geschonken te zien hoe onduidelijke strijdvragen en kwesties, zoals neutraliteit en de heiligheid van bloed, werden opgehelderd.

Hoewel ik in 1923 met het colporteurswerk was opgehouden, had ik de pioniersgeest altijd behouden. In 1943 was ik dan ook in staat mij weer bij de snel groeiende pioniersgelederen aan te sluiten. In 1945 kreeg ik zelfs het voorrecht in de speciale pioniersdienst te gaan, en dat heb ik negen jaar volgehouden, totdat mijn ’vermoeide hart’ mij weer parten speelde. Sedert 1954 dien ik als gewone pionier.

Mijn huwelijk met Lydia heeft 48 jaar geduurd, totdat zij in 1969 naar een nieuwe toewijzing vertrok, een erfenis die voor haar „in de hemelen weggelegd” was, een toewijzing die ik te zijner tijd ook hoop te ontvangen (1 Petrus 1:4). Hoewel wij nooit met kinderen zijn gezegend, waren wij wel gezegend met wat door velen als een ideaal huwelijk werd beschouwd. Hoewel de dood van Lydia een groot verlies voor mij betekende, heeft het bezig blijven met theocratische belangen mij geholpen het te boven te komen. Later trouwde ik met een ervaren pionierster die ik al vele jaren kende, Evamae Bell. Wij hebben dertien jaar lang van elkaars gezelschap genoten, totdat ook zij overleed.

Mijn generatie — uniek op een speciale manier

Er is mij wel eens gevraagd: „Wat is je grootste ervaring in de waarheid geweest?” Zonder aarzelen antwoord ik dan: „Dat ik in mijn generatie de bijbelse profetieën in vervulling heb zien gaan die eeuwen geleden door geïnspireerde en toegewijde mannen zijn opgetekend.”

De leden van mijn generatie die zich buiten de theocratische organisatie bevinden, zijn uiteraard precies geworden zoals het Photo-Drama der Schepping uit 1914 dat reeds had voorspeld: verzot op geld, verzot op genot en verzot op roem. Wij die binnen de organisatie van de Heer zijn, hebben op alle mogelijke manieren geprobeerd hun aandacht te richten op de boodschap des levens. Wij hebben ons bediend van slagzinnen, paginagrote advertenties, de radio, geluidswagens, draagbare grammofoons, reusachtige congressen, informatieoptochten met borden en een groeiend leger van-huis-tot-huisbedienaren. Deze activiteit heeft ertoe gediend de mensen te scheiden in voorstanders van Gods opgerichte koninkrijk aan de ene kant en tegenstanders ervan aan de andere kant. Dit was het werk dat door Jezus voor mijn generatie was voorzegd! — Matthéüs 25:31-46.

Tot de laatste klop van mijn ’vermoeide hart’ zal het vol waardering blijven kloppen voor het voorrecht dat ik geniet om tot een unieke generatie te behoren. Het zal opgetogen blijven kloppen wegens het voorrecht dat ik nu heb om miljoenen glimlachende gezichten te zien die eeuwig zullen blijven glimlachen.

[Illustratie op blz. 23]

Melvin en Lydia Sargent, colporteurs, 1921

[Illustratie op blz. 24]

Melvin en Evamae Sargent, 1976

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen