„Mijn beker is welgevuld”
Zoals verteld door Tarissa P. Gott
„WAAROM moest dit gebeuren?” Mijn man en ik stelden deze vraag toen wij met een lijkkistje in onze armen in een huurrijtuig zaten. Mijn zoontje, een baby nog maar, had aan een ziekte geleden die met kolieken gepaard ging en was binnen enkele weken gestorven. Destijds, in 1914, was er niet veel bekend over de behandeling van die ziekte. Het was zo iets verschrikkelijks om mee te maken dat de baby die wij zes maanden hadden gekoesterd en die ons zo lief had toegelachen, ons plotseling door de dood werd ontrukt. Mijn hart was gebroken.
In die droevige tijd bezocht mijn moeder ons en begon ons te vertroosten met de bijbelse opstandingshoop. Wat deed dat ons goed! Wat was het voor mijn man Walter en mij een troost te vernemen dat het mogelijk zou zijn onze kleine Stanley terug te zien.
Dat was niet mijn eerste kennismaking met de waarheid uit de bijbel. Enige tijd daarvoor was mijn grootvader in het bezit gekomen van de eerste drie delen van de Schriftstudiën, geschreven door Charles Taze Russell. Wat opa daarin gelezen had, naast zijn studie van de bijbel, bewoog hem ertoe te gaan prediken. Dit wekte de woede op van de plaatselijke geestelijken, die hem uit de kerken in Providence (Rhode Island, VS) zetten. Moeder ging daarna ook nooit meer naar de kerk. Zij en opa bezochten voortaan de vergaderingen van de Bijbelonderzoekers, maar ik deed in die tijd niet veel met de waarheid.
Toen ik zestien was, trouwde ik met een jongeman, Walter Skillings, en ging in Providence wonen. Wij verlangden allebei naar omgang met mensen die Gods Woord liefhadden. Hoewel wij in 1914 een dochtertje van zes jaar hadden, Lillian, drong datgene wat mijn moeder ons over de waarheid verteld had, pas tot ons door toen onze kleine jongen gestorven was. In de zomer van het jaar daarop, in 1915, werden mijn man en ik door de Bijbelonderzoekers in de zee aan een nabijgelegen strand gedoopt. Ik droeg een lange, zwarte japon met een opstaand kraagje en lange mouwen, heel wat anders dan de badpakken die nu gedragen worden. Natuurlijk was dit niet de gebruikelijke strandkleding in die dagen maar was het speciale kleding ter gelegenheid van de doop.
Na onze doop veranderde ons leven. Walter werkte voor het Gas- en Elektriciteitsbedrijf van Lynn, en op koude winterdagen werd hij soms naar verschillende kerken gestuurd om er de bevroren waterleidingen te ontdooien. Hij nam zulke gelegenheden gewoonlijk te baat om met krijt bijbelteksten op het mededelingenbord van de kerk te schrijven, schriftplaatsen die aantoonden wat de bijbel te zeggen had over onsterfelijkheid, de Drieëenheid, de hel, enzovoort. — Ezechiël 18:4; Johannes 14:28; Prediker 9:5, 10.
Waar moesten wij naar toe?
In 1916 stierf broeder Russell, de eerste president van de Watch Tower Bible and Tract Society, en het leek erop dat alles uiteenviel. Velen van hen die ogenschijnlijk zo sterk waren, zo toegewijd aan de Heer, begonnen zich nu van de organisatie af te keren. Het werd duidelijk dat enkelen een mens hadden gevolgd in plaats van Jehovah en Christus Jezus.
Twee ouderlingen die de leiding hadden over onze gemeente, verbonden zich met een oppositiegroep en werden aldus leden van de „boze slaaf”-klasse (Matthéüs 24:48). In onze ogen leek dit alles gewoon niet juist, maar het gebeurde en het maakte ons van streek. Ik hield mijzelf echter voor: ’Was dit niet de organisatie waarvan Jehovah zich had bediend om ons uit de kluisters van de valse religie te bevrijden? Hebben wij zijn goedheid niet gesmaakt? Als wij nu weg zouden gaan, waar zouden wij dan naar toe moeten? Zou het er niet op uitlopen dat wij een of ander mens zouden gaan volgen?’ Wij zagen niet in waarom wij met de afvalligen zouden moeten meegaan, dus bleven wij. — Johannes 6:68; Hebreeën 6:4-6.
Opnieuw door een tragedie getroffen
Mijn man kreeg de Spaanse griep en stierf op 9 januari 1919, toen ook ik door de ziekte het bed moest houden. Ik herstelde van mijn ziekte, maar miste Walter heel erg.
Omdat Walter gestorven was, moest ik gaan werken, dus verkocht ik mijn huis en trok bij een geestelijke zuster in. Mijn meubels sloeg ik op in Saugus (Massachusetts), in het huis van een andere zuster. Haar zoon, Fred A. Gott, werd later mijn tweede man. Wij trouwden in 1921, en in de daaropvolgende drie jaar werden wij de ouders van Fred en Shirley.
De vlaggegroetkwestie
Later, toen Fred en Shirley naar de openbare school gingen, rees de vlaggegroetkwestie. Bij de kwestie was de bijbelse leerstelling om ’de afgoderij te ontvlieden’ in het geding (1 Korinthiërs 10:14). Een jong broertje in de gemeente Lynn had geweigerd de vlag te groeten en de eed van trouw af te leggen. Binnen een maand werden zeven kinderen in de gemeente van school gestuurd, onder wie Fred en Shirley.
Ik moet toegeven dat het enigszins als een verrassing voor ons kwam dat onze kinderen op school zo’n ferm standpunt innamen. Wij hadden hun natuurlijk respect voor het land en de vlag bijgebracht, en wij hadden hun ook Gods geboden ingeprent om zich niet voor beelden en afgoden neer te buigen. Als ouders wilden wij niet dat onze kinderen van school gestuurd werden. Nu het strijdpunt evenwel op de spits gedreven was, scheen het alleen maar juist dat zij een standpunt voor Gods koninkrijk hadden ingenomen. Door de dingen aldus tegen elkaar af te wegen, begrepen wij dat onze kinderen het juiste gedaan hadden en dat als wij op Jehovah vertrouwden, alles op een getuigenis voor zijn naam zou uitlopen.
Koninkrijksscholen georganiseerd
De vraag was nu: Hoe moeten de kinderen hun schoolopleiding krijgen? Een tijdlang probeerden wij hen thuis te onderwijzen met behulp van wat wij maar aan leerboeken te pakken konden krijgen. Maar voor mijn man en mij was dat eerste schooljaar waarin wij probeerden onze twee kinderen les te geven, een moeilijke tijd. Mijn man werkte hele dagen, en ik nam was- en strijkgoed aan om wat bij te verdienen. Daarnaast had ik nog een zoontje van vijf, Robert, om voor te zorgen.
Juist in die tijd, in het voorjaar van 1936, werd Cora Foster, een zuster in de gemeente die al veertig jaar onderwijzeres was op openbare scholen in Lynn, ontslagen omdat zij de vlag niet groette en de destijds gebruikelijke onderwijzerseed niet aflegde. Het werd daarom zo geregeld dat Cora de kinderen die van school gestuurd waren, les zou geven en dat ons huis als Koninkrijksschool zou fungeren. Cora liet haar piano naar ons huis overbrengen, samen met enkele leerboeken voor de kinderen, en enkelen van de oudere jongens fabriceerden schoolbanken van sinaasappelkisten en multiplex. De daaropvolgende herfst begonnen wij de school met tien leerlingen.
Mijn jongste zoon, Robert, begon zijn schoolopleiding door de eerste klas van de Koninkrijksschool te bezoeken. „Voordat wij met ons gewone schoolwerk begonnen,” vertelt Robert, „werd de Koninkrijksschool iedere dag geopend met een Koninkrijkslied en vervolgens besteedden wij dan een half uur aan de bestudering van de Wachttoren-les voor de komende week.” Toentertijd drukte het Genootschap geen vragen voor de paragrafen van het studieartikel, dus werd het de taak van de kinderen om bij de paragrafen vragen op te stellen die tijdens de gemeentevergadering gebruikt konden worden.
Cora was een toegewijde lerares. „Toen ik kinkhoest had,” herinnert Robert zich, en de school gesloten was totdat de ziekte geen besmettingsgevaar meer opleverde, „zocht zuster Foster elke leerling thuis op en gaf hun huiswerk.” Ondanks haar toewijding moet zij zich af en toe gefrustreerd gevoeld hebben, want zij moest leerlingen van twaalf opeenvolgende klassen in één ruimte lesgeven. Tegen het einde van de periode van vijf jaar waarin wij de Koninkrijksschool in ons huis hadden, werd de school door 22 kinderen bezocht.
Vooroordeel en vriendelijkheid
De vlaggegroetkwestie zorgde niet alleen voor een tijd van beproeving en spanning, maar ook voor veel publiciteit via de krant en de radio. Het was iets heel gewoons fotografen voor ons huis te zien die foto’s namen van de kinderen wanneer zij bij de Koninkrijksschool aankwamen. Veel van onze buren die voordien tamelijk vriendelijk waren geweest, werden nu vijandig. Zij vonden het werkelijk erg dat onze kinderen weigerden de Amerikaanse vlag te groeten. Zij zeiden vaak: ’Is dit per slot van rekening niet het land dat in je boterham voorziet?’ Zij begrepen niet dat er zonder Jehovah’s nooit aflatende zorg helemaal geen brood op de plank zou zijn.
Anderen daarentegen begrepen waar het in deze kwestie om ging en gaven ons steun. Toen mensen in de omgeving een kruidenierszaak boycotten waar de presiderende opziener van onze gemeente als chef werkte, kocht een welgesteld persoon die in burgerlijke vrijheid geïnteresseerd was, bijna alle kruidenierswaren in de zaak op en verdeelde ze gratis onder de broeders en zusters in de gemeente.
Pas toen in 1943 het hooggerechtshof van de Verenigde Staten een ander standpunt innam ten aanzien van de vlaggegroetkwestie, mocht mijn zoon Robert de openbare school gaan bezoeken.
„Mijn beker is welgevuld”
Wat stemde het mij gelukkig te zien dat Robert zijn leven aan Jehovah opdroeg en in 1941 op het congres in St. Louis gedoopt werd. Op datzelfde congres hadden al mijn drie kinderen het voorrecht tot de vele kinderen te behoren die van broeder Rutherford, de toenmalige president van het Wachttorengenootschap, een gratis persoonlijk exemplaar van het boek Kinderen kregen.
In 1943 ging mijn oudste zoon Fred in de pioniersdienst. Dit was echter maar voor een paar maanden, want de Tweede Wereldoorlog was aan de gang en Fred had de dienstplichtige leeftijd. Toen de plaatselijke rekruteringscommissie weigerde zijn aanspraken op vrijstelling op grond van zijn positie als geordineerde bedienaar van het evangelie te erkennen, werd hij vervolgens veroordeeld tot drie jaar in de federale strafgevangenis te Danbury (Connecticut). In 1946 werd hij vrijgelaten en tegen het eind van dat jaar was hij een volle-tijdwerker op het internationale hoofdbureau van het Wachttorengenootschap in Brooklyn (New York), waar hij verscheidene jaren dienst mocht verrichten. Nu is hij een opziener en dient hij samen met zijn gezin in Providence (Rhode Island).
In 1951 kreeg ook Robert een uitnodiging voor Bethel, en hij en zijn vrouw Alice zijn daar nog steeds. Ook hij is een opziener, in een van de gemeenten van de stad New York.
Dan is er nog mijn geliefde dochter Shirley, die nooit uit huis is gegaan. Zij heeft voor mijn man en mij gezorgd totdat mijn man in 1972 stierf; sedertdien is zij een grote troost voor mij geweest. Ik weet werkelijk niet wat ik zonder haar had moeten beginnen, maar ik ben Jehovah dankbaar voor haar liefde en toewijding.
Ik ben nu 95 jaar, en toch is de hoop op Jehovah’s nieuwe samenstel stralender dan ooit. Soms merk ik dat ik zeg: „Als ik nog maar de kracht van jaren geleden had.” Ik kan niet meer van huis tot huis gaan, maar zolang ik een tong heb, zal ik Jehovah blijven loven. Ik waardeer dit voorrecht thans meer dan ooit in heel mijn leven. Ja, „mijn beker is welgevuld”. — Psalm 23:5.
[Illustratie op blz. 21]
De Koninkrijksschool die tijdens de jaren ’30 in ons huis gehouden werd
[Illustratie op blz. 23]
Tarissa Gott met Robert, Shirley en Fred