Jehovah behoedt ons
Zoals verteld door Erich Kattner
WHAM! Met een klap kwam het boek op mijn hoofd neer. Op deze manier liet een katholieke priester mij voor het eerst kennismaken met de bijbel. Waarom ging dat zo? Omdat ik een bepaalde vraag gesteld had.
De priester gaf godsdienstonderwijs en probeerde ons, jongens, ertoe aan te moedigen priester te worden. Hierbij gebruikte hij de schriftplaats in 1 Thessalonicenzen 4:17, waar gesproken wordt over degenen die ’in de wolken worden weggerukt, de Heer tegemoet in de lucht’.
Ik zat altijd vol vragen, dus vroeg ik: „Waarom zegt u dat priesters rechtstreeks naar de hemel gaan, terwijl, zoals de geloofsbelijdenis zegt, Jezus naar de hel moest gaan?” (Handelingen 2:31) Dat was het moment waarop de bijbel met een klap op mijn hoofd neerkwam.
Een verlangen naar kennis
Ik verlangde echter oprecht naar antwoorden. Zelfs als kleine jongen al voelde ik een sterke neiging om God te aanbidden. Het was mijn gewoonte bijna elke kerk waar ik langs kwam, binnen te gaan om er te bidden. Toch was ik niet voldaan. Op de een of andere manier wond ik mij altijd op over dingen die ik zag, zoals de grove afgoderij van sommigen of het gedrag van enkele priesters.
Toen ik nog maar ongeveer acht jaar was, las ik mijn eerste boek. Het had als titel De kerstening van Brazilië. Ik was geschokt. Op mij kwam het over als een moordgeschiedenis, de moord op Indianen in naam van religie. Toen ik zulke dingen te weten kwam, was dat voor mij voldoende om over een heleboel zaken anders te gaan denken.
Dit gebeurde allemaal in de jaren ’20. Ik werd op 19 augustus 1919 in Wenen (Oostenrijk) geboren, als het enige kind van mijn ouders. Toen ik ongeveer zes jaar was, nam mijn vader, die elektrotechnicus was, een baan aan in het noorden van Tsjechoslowakije, in het Duitstalige gedeelte van Sudetenland. Ons gezin verhuisde dus daarheen en kwam ten slotte in een stadje genaamd Varnsdorf te wonen.
Ik raakte zeer gedesillusioneerd over de Katholieke Kerk. Op een dag liep ik huilend van school naar huis, zeer bitter gestemd vanwege de zoveelste bestraffing die ik van de priester gekregen had. Terwijl ik door enkele velden liep, kwam de gedachte in mij op dat er, met het oog op de vele verkeerde dingen die ik gezien en geleerd had, onmogelijk een God kon zijn.
Toen hoorde ik het gezang van vogels en ik merkte de bloemen op, de vlinders en heel de schoonheid van de schepping. En langzaam drong het tot mij door dat er wel degelijk een liefdevolle God moest zijn, maar dat de zogenaamde mannen Gods misschien helemaal geen mannen Gods waren. En dat God de mensheid wellicht aan haar lot overgelaten had. Bij die gelegenheid uitte ik mijn eerste echte, bewuste gebed, waarin ik God vroeg mij te helpen hem te leren kennen indien hij ooit weer belang zou gaan stellen in mensen. Dat was in 1928.
Ongeveer een maand later reisde mijn moeder naar een familiereünie in Wenen, ter gelegenheid van haar moeders zestigste verjaardag. Daar zag zij haar moeders broer, Richard Tautz, die destijds in Maribor (Joegoslavië) woonde. Hij was kort daarvoor een van de Bijbelonderzoekers geworden, zoals Jehovah’s Getuigen toen genoemd werden. Toen moeder thuiskwam, was zij helemaal opgewonden over de nieuwe bijbelse waarheden die zij gehoord had. Wat zij vertelde, klonk mij redelijk in de oren. Het zag ernaar uit dat Jehovah met mij bezig was. — Psalm 121:5.
In praktijk brengen wat ik geleerd had
Naderhand kwamen er Bijbelonderzoekers vanuit Duitsland en kwam de prediking in ons gebied op gang. Enkele maanden later werd er in een naburige plaats in Duitsland een begin mee gemaakt geregelde vergaderingen te houden, en wij liepen de enkele kilometers de grens over om ze bij te wonen. In die tijd ontmoette ik Otto Estelmann, met wie ik in latere jaren nauw samengewerkt heb.
In 1932 verhuisde ons gezin naar Bratislava, de hoofdstad van Slowakije, zo’n 70 km van Wenen vandaan. Aangezien daar destijds geen Getuigen waren, besloot ik actief te worden in het predikingswerk. Dus koos ik wat mij het moeilijkste gebied toescheen, een flatgebouw dat grotendeels bewoond werd door gezinnen van regeringsfunctionarissen. Er werden toentertijd in Bratislava vier talen gesproken: Slowaaks, Tsjechisch, Duits en Hongaars.
Voorzien van kaarten waarop in vier talen een korte toespraak afgedrukt stond, ging ik in mijn eentje bij de deuren van de flatwoningen aanbellen. Soms stond mijn vader, die op dat tijdstip nog geen Getuige was, mij aan de overkant van de straat hoofdschuddend gade te slaan. Kort daarop nam ook hij een onwrikbaar standpunt voor Jehovah in.
Op 15 februari 1935 werd ik, samen met nog anderen, tijdens een speciale bijeenkomst met een reizende opziener in ons huis, in een badkuip gedoopt. Ik haalde dat jaar mijn diploma handelsschool en kreeg een aantrekkelijke baan aangeboden, maar terzelfder tijd werd ik uitgenodigd om op het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Praag (Tsjechoslowakije) te komen werken. Na een ernstig gesprek met mijn ouders legden wij de zaak in gebed aan Jehovah voor. En zo ging ik, vlak voordat ik zestien werd, op 1 juni 1935 in de volle-tijddienst.
In moeilijke tijden dienst verrichten
Op het bureau van het Genootschap in Praag leerde ik hoe ik een zetmachine moest bedienen en pagina’s moest opmaken. Wij drukten traktaten voor onze broeders in Duitsland, waar het werk door Hitler verboden was, en produceerden tevens De Wachttoren in verscheidene talen. Dit waren echter moeilijke tijden voor ons werk in Europa, en ten slotte sloten de autoriteiten in december 1938 ons bijkantoor.
Ik keerde terug naar huis, naar Bratislava, waar de regering in handen van nazi-sympathisanten overgegaan was, en hield mij twee maanden lang zo onopvallend mogelijk bezig met de van-huis-tot-huisprediking. Omstreeks deze tijd schreef het Centraaleuropees Bureau van het Wachttorengenootschap in Bern (Zwitserland) mij dat ik, indien ik bereid was waar dan ook ter wereld als pionier te dienen, naar Bern moest komen.
Ik nam de uitnodiging aan en verliet het ouderlijk huis. Mijn vader zag ik voor het laatst, en het zou dertig jaar duren voordat ik mijn moeder zou terugzien. Maar Jehovah heeft ons alle drie veilig door de vele daarna volgende moeilijkheden heen geleid. Ik vernam bijvoorbeeld achteraf dat de beruchte Hlinkagarde (een soort Slowaakse SS) mij op de dag dat ik Bratislava verliet, op de hielen had gezeten. En zelfs toen nazi-agenten er tijdens mijn reis achter kwamen dat ik een getuige van Jehovah was, stelden zij nog pogingen in het werk om mij bij de grens van Joegoslavië en Italië te laten arresteren. Maar Jehovah bleef mij behoeden. — Psalm 48:14; 61:3.
In Bern kreeg ik te horen dat ik naar Sjanghai (China) gezonden zou worden, maar later werd deze toewijzing veranderd in Brazilië. Ik werkte op het bijkantoor in Bern totdat ik mijn visum voor Brazilië kreeg. Ondertussen bleven de moeilijkheden in Europa toenemen. Grenzen werden gesloten, dus drong het Genootschap er in augustus 1939 bij mij op aan naar Frankrijk te gaan. Het Braziliaanse koopvaardijschip Siqueira Campos zou op 31 augustus vanuit Le Havre (Frankrijk) met mij aan boord vertrekken. Slechts vier uur voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog voer het schip weg.
De circa twaalf passagiers met wie ik toeristenklasse reisde, waren, zo vernam ik later, allemaal nazi-agenten. Zij waren absoluut niet van mijn prediking gediend. Verscheidene malen probeerden zij mij van het schip af te krijgen. In Vigo (Spanje) waarschuwde de vriendelijk gezinde kapitein mij niet aan wal te gaan terwijl wij daar voor anker lagen. In Lissabon (Portugal) vervalsten de nazi-agenten de vertrektijd van het schip op het mededelingenbord opdat het schip zonder mij zou vertrekken. Maar opnieuw behoedde Jehovah mij (Psalm 121:3). Ik kwam op 24 september 1939 ’s avonds in Santos (Brazilië) aan. De volgende dag reisde ik naar São Paulo, waar het bureau van het Genootschap gevestigd was.
Dienen in Brazilië
In september 1939 waren er slechts 127 Getuigen in Brazilië, dat toen een bevolking van zo’n 41 miljoen personen had. Na ongeveer een week in São Paulo te hebben doorgebracht, vertrok ik naar mijn pionierstoewijzing in de zuidelijke staat, Rio Grande do Sul. Ik zou bij enkele Duitssprekende Getuigen van Poolse afkomst verblijven, die in een afgelegen oerwoudgebied woonden.
De treinreis duurde vier dagen. Het eindpunt van de spoorlijn was Giruá, dat veel weg had van een stad in het wilde Westen in de vroege geschiedenis van Noord-Amerika. Van Giruá moest ik nog ruim 30 km verder het oerwoud in om de plaats te bereiken waar de Getuigen woonden. Een bestelwagen gaf mij een lift en liet mij op een onverharde weg achter. Nadat ik nog ongeveer anderhalve kilometer te voet door het oerwoud had gereisd en door een klein stroompje had gewaad, kwam ik eindelijk op de plaats van bestemming aan.
Omdat het gebied zo afgelegen lag, was mijn pioniersdienst beperkt tot de keren dat iemand mij op een kleine, door paarden getrokken wagen kon meenemen. Om mensen te bereiken, waren wij dagenlang onderweg en sliepen vaak op onverharde wegen om slangen te mijden of onder de wagen als het regende. Wij predikten ook in steden als Cruz Alta.
In 1940 gaf het Genootschap mij een nieuwe toewijzing, Pôrto Alegre, de hoofdstad van de staat Rio Grande do Sul. Daar voegde ik mij bij mijn jeugdvriend Otto Estelmann, die ook aan Brazilië was toegewezen. De autoriteiten van de stad waren klaarblijkelijk nazi-sympathisanten. Wij werden gearresteerd en voor de keus gesteld een papier te ondertekenen waarin wij ons geloof verloochenden of op de avondtrein te worden gezet naar een plaats aan de grens met Uruguay, waar wij in hechtenis gehouden zouden worden. Die avond zaten wij in de trein.
Onder vrijheidsbeperking
Daar aan de grens brachten wij bijna twee jaar in huisarrest door. Maar opnieuw kwam Jehovah ons te hulp. Enkele joodse zakenmensen boden ons hun hulp aan. Als gevolg daarvan mocht ik buiten de gevangenis werken in plaats van opgesloten te zitten, maar wij bleven onder streng toezicht staan. Wij konden niet met het bijkantoor van het Genootschap in contact komen.
Op een dag ontmoetten wij op straat echter een pionier uit Europa die aan Uruguay was toegewezen. Hij bracht toevallig net een bezoekje aan de grens. Wat een hereniging! Hij gaf ons een Duitse bijbel en een Engelse Wachttoren. Dat was voor mij de aanzet om werkelijk serieus Engels te gaan leren.
Toen verklaarde Brazilië op 22 augustus 1942 Duitsland en Italië de oorlog, hetgeen een verandering in onze situatie betekende. Wij werden teruggebracht naar Pôrto Alegre, en na een ondervraging werd ik vrijgelaten. Naderhand ontmoette ik enkele jonge Getuigen die ik reeds in het oerwoudgebied waar ik eerst aan toegewezen was, had leren kennen. Zo kon ik in contact komen met het bijkantoor, en ik begon weer te pionieren. Vier van deze jongeren sloten zich bij mij aan in de pioniersdienst, en wij vonden mensen die de Koninkrijksboodschap aanvaardden, van wie enkelen nog steeds prediken.
De nieuwe autoriteiten waren ons gunstig gezind, dus troffen wij in 1943 regelingen voor het eerste kleine congres in Pôrto Alegre. Er waren in totaal vijftig aanwezigen, waarvan bijna de helft uit politieagenten in burger bestond. Een jaar later, in 1944, organiseerden wij weer een congres. Daarna werd ik uitgenodigd om dienst te verrichten op het bijkantoor van het Genootschap, dat van São Paulo naar Rio de Janeiro verhuisd was.
Gilead en daarna
In 1950 werd ik uitgenodigd voor de zestiende klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead in South Lansing (New York). Na mijn graduatie in februari 1951 kreeg ik een tijdelijke aanstelling als speciale pionier in de gemeente South Bronx (New York), maar later keerde ik naar Brazilië terug.
Zo’n anderhalf jaar diende ik als reizende vertegenwoordiger van het Genootschap, als districtsopziener en als kringopziener. Toen werd ik in februari 1953 teruggeroepen naar het bijkantoor in Rio de Janeiro en kreeg ik werk op de vertaalafdeling. Later, van september 1961 tot september 1963, had ik het voorrecht aan een speciale vertaalopdracht te werken op het hoofdbureau van het Genootschap in Brooklyn (New York). Terwijl ik daar was, nam ik contact op met een echtpaar dat ik vanuit Brazilië kende. De echtgenoot stemde erin toe in het hotel waar zij verbleven, met mij te studeren en raakte overtuigd van de waarheid.
Toen wij een paar maanden daarna weer terug waren in Brazilië, zocht ik opnieuw contact met hem. Hij was echter ietwat zelfvoldaan. Dus zei ik hem: „Kijk, Paul, jij bent civiel-ingenieur. Maar stel nu eens dat ik ingenieur was en jou vertelde dat het dak elk moment boven op jouw hoofd kon instorten. Wat zou je dan doen? Welnu, als ’bijbel-ingenieur’ zeg ik je dat je, tenzij je handelt naar datgene wat je weet, in moeilijkheden verkeert.”
Niet lang daarna werd hij gedoopt en hij dient nu al enige jaren als ouderling in de christelijke gemeente. Hij heeft zich ook zeer verdienstelijk gemaakt bij de bouw van het grote nieuwe bijkantoor in Cesario Lange (São Paulo), waar momenteel 480 Bethelieten werkzaam zijn om in de geestelijke behoeften van het groeiende aantal Getuigen in Brazilië te voorzien.
Voortdurende toename
In 1945 werden wij voor de eerste maal bezocht door de president van het Wachttorengenootschap, Nathan H. Knorr, en ook door de toenmalige vice-president, Frederick Franz. Er werden regelingen getroffen voor een congres in de Pacaembu-sporthal in de stad São Paulo, en ik diende als tolk voor de bezoekers. Ons hoogste aantal aanwezigen was 765.
Ik herinner mij nog dat broeder Knorr naar het grote aangrenzende stadion keek en zich afvroeg of wij het ooit zouden vullen. Welnu, dat gebeurde in december 1973, toen 94.586 personen het Pacaembu-stadion tot de nok toe vulden tijdens het „Goddelijke zegepraal”-congres. Dit aantal werd in augustus 1985 overtroffen tijdens het „Rechtschapenheidbewaarders”-congres in het Morumbi-stadion in de stad São Paulo, waar 162.941 personen aanwezig waren. En gelijktijdig waren er nog eens 86.410 aanwezig in een stadion in Rio de Janeiro. Later brachten de 23 overige bijeenkomsten het totale aanwezigenaantal op de „Rechtschapenheidbewaarders”-congressen in Brazilië op 389.387!
Door de jaren heen heb ik het voorrecht gehad voor de sprekers van het hoofdbureau in Brooklyn (New York) die ons een bezoek brachten, als tolk op te treden. Onlangs zei een van hen gekscherend, terwijl hij samen met mij rondliep en de vele personen opmerkte met wie ik in de loop der jaren gestudeerd had en die mij nu kwamen begroeten: „Ik heb nog nooit een vrijgezel gezien met zoveel kinderen.”
Echte hoogtepunten in mijn leven zijn ook de internationale congressen geweest die ik in andere landen heb kunnen bezoeken. Op het congres in Neurenberg in 1969 zag ik mijn moeder voor het eerst na dertig jaar terug. Zij stierf in getrouwheid in 1973. Vader had geen toestemming gekregen om het land uit te reizen voor het congres, en hem heb ik sinds ik thuis weggegaan ben, nooit meer gezien. In 1978 had ik het voorrecht een openbare lezing te houden op het internationale congres in Wenen (Oostenrijk), het eerste grote congres dat ik in mijn geboortestad bezocht.
Gedurende de vele jaren dat ik in Brazilië dienst verricht, heb ik met eigen ogen gezien dat Jehovah Degene is „die het wasdom geeft” (1 Korinthiërs 3:7). In 1948 overschreden wij de mijlpaal van 1000 verkondigers. Daarna schoot het aantal verkondigers omhoog tot 12.992 in 1958 en 60.139 in 1970. In plaats van de 127 Koninkrijksverkondigers die wij in september 1939 hadden, waren er in augustus 1986 196.948. De „kleine” is stellig ook in dit land „tot een machtige natie” geworden. — Jesaja 60:22.
Maar ook de bevolking van Brazilië is toegenomen, van 41 miljoen in 1939 tot meer dan 135 miljoen nu. Wij hebben dus nog steeds een uitgestrekt veld voor activiteit. Het heeft mij persoonlijk vreugde geschonken, betrokken te zijn geweest bij de wonderbaarlijke toename die Jehovah gegeven heeft, en wat is het opwindend geweest! Daarom kan ik iedereen die volle-tijddienst voor Jehovah wil verrichten, aanraden: Ga! Wees niet bevreesd voor wat er zou kunnen gebeuren, want „Jehovah zelf zal uw uitgaan en uw ingaan behoeden”. — Psalm 121:7, 8.
[Inzet op blz. 26]
’Ik zeg je dat je, tenzij je handelt naar datgene wat je weet, in moeilijkheden verkeert’
[Illustratie op blz. 25]
N. H. Knorr houdt in 1945 in São Paulo (Brazilië) een lezing met Erich Kattner als tolk