Een dag in Calcutta — „Alle soorten van mensen” met het goede nieuws bereiken
CALCUTTA (India) is een stad die wemelt van vele „soorten van mensen”. Te midden van zijn meer dan tien miljoen inwoners houden Jehovah’s Getuigen zich er druk mee bezig het goede nieuws van Gods koninkrijk te prediken. Er is veel vindingrijkheid en volharding nodig om al deze mensen, met hun sterk uiteenlopende raciale, sociale, culturele, religieuze en economische achtergronden, te bereiken. Maar evenals de christelijke apostel Paulus, die op zijn zendingsreizen de verste uithoeken van de toenmalige wereld aandeed, zijn Jehovah’s Getuigen in Calcutta „voor alle soorten van mensen alles geworden, om er toch maar enkelen te redden”. — 1 Korinthiërs 9:22; Kolossenzen 1:23.
Hoe verrichten de Getuigen daar hun predikingswerk en wat voor mensen en toestanden treffen zij in hun bediening aan? Onlangs heb ik als bezoeker, samen met een pionier of volle-tijdprediker, een dag in Calcutta doorgebracht. Zou u die unieke ervaring graag willen meebeleven?
Een uitgestrekt en afwisselend arbeidsveld
Laat op die drukke en fascinerende dag waarop wij van huis tot huis hadden gepredikt, waren mijn metgezel en ik klaar om naar huis te gaan. Terwijl wij op de bus wachtten, begonnen wij te praten over de uitdagingen waaraan hij en andere pioniers in deze enorme stad het hoofd moeten bieden.
„Wel,” zo reageerde hij, „vraag maar aan elke willekeurige volle-tijdprediker die hier dient, of hij graag naar een gemakkelijker toewijzing zou willen verhuizen. Ik denk niet dat hij daar veel voor voelt.”
Hij had gelijk. De pioniers in Calcutta bezien hun werk als een van de interessantste carrières ter wereld. Deze stad van grote tegenstellingen biedt hun een uitgestrekt en afwisselend arbeidsveld.
Hoewel de stad overwegend hindoeïstisch is, zijn er talrijke kerken en moskeeën en treft men hier en daar ook enkele boeddhistische tempels aan. In sommige wijken wonen enkelen van de rijkste mensen ter wereld in kastelen van huizen. Niet zo ver daarvandaan bevinden zich de krotten van de seizoenarbeiders, die als loon niet meer dan 150 rupees (ongeveer ƒ 27) per maand kunnen verwachten. Hun gewoonten, talen en uiterlijke voorkomen zijn al even afwisselend als hun religies en levensomstandigheden.
Te midden van dit alles floreert één gemeente van Jehovah’s Getuigen met ongeveer honderd actieve Koninkrijksverkondigers. Hoewel de uitdaging formidabel is, schenkt het de Getuigen speciale vreugde en voldoening zich aan de omstandigheden te kunnen aanpassen om aan de behoeften van de mensen te voldoen.
Op dat moment kwam bus No. 45 vlak voor ons schokkend tot stilstand. Hij was zo vol dat mijn onmiddellijke reactie was: „Daar kom ik met geen mogelijkheid in!” Ik kreeg van achteren een vriendelijke duw, en in een mum van tijd werden wij beiden door een golvende massa armen en lichamen de bus ingetrokken. Na ons kwamen nog minstens tien mensen meer in de bus. Zij reden mee op de treeplank en hingen als bijen aan de deuropening. Binnen het voertuig, dat 46 zitplaatsen bevatte, telde ik ruim honderd hoofden voordat ik het opgaf verder te tellen om mijn gesprek met mijn vriend te hervatten.
„Zijn de bussen altijd zo stampvol?”
„Ze zijn inderdaad vaak nogal vol,” legde hij uit, „maar ze zijn goedkoop, wat betekent dat wij het ons gemakkelijk kunnen veroorloven elke dag wel zo’n 10 tot 15 kilometer naar enkele van de verder gelegen stadsdelen te rijden om daar te prediken.”
„Zou het niet beter zijn om wat vaker in dichter bij huis gelegen woonwijken te werken?”
„Ja, maar sommigen van ons, volle-tijdwerkers, hebben besloten de moeite te nemen om de mensen in andere wijken te bereiken. Onze berichten tonen aan dat veel buurten van Calcutta in de laatste vijftig jaar niet met het goede nieuws zijn bezocht!”
Toch is het puur vanwege de vele mensen die hier wonen, een ware uitdaging om iedereen in een bepaald gebied te bereiken. Een onderzoek dat eens naar de bevolkingsdichtheid in Calcutta werd ingesteld, bracht aan het licht dat deze driemaal zo groot was als in de stad New York, en het aantal inwoners is in recente jaren nog toegenomen.
Minstens een derde van Calcutta’s inwoners woont in overvolle achterbuurten die plaatselijk als ’bustis’ bekendstaan. Karakteristieke bustis bestaan uit een groot aantal rijen hutten die gewoonlijk binnen armbereik van elkaar liggen. Elke hut heeft een aarden vloer en muren van op houten raamwerken gesmeerde leem en koemest, met daarbovenop een dakbedekking van kleitegels. Elke hut, met weinig of geen ventilatie, is het slaapvertrek van wel zeven of acht mensen. Er is gewoonlijk één waterstandpijp per 150 personen, en in reeds lang bestaande bustis heeft de regering enkele gemeenschappelijke latrines laten aanbrengen.
Als men in een busti bezoeken begint af te leggen, is het niet ongewoon door wel honderd nieuwsgierige toeschouwers, meest kinderen, vergezeld te worden. Een Getuige die wat geïrriteerd raakte door een volhardende jongeman die zijn bezoek bij elk huis aankondigde, vroeg hem of hij ook de rest van het gesprek wilde overnemen. Na deze als een uitnodiging opgevatte woorden nam de goedaardige jongeman het traktaat van de Getuige en deed woord voor woord de aanbieding, terwijl hij zelfs de tijdschriften De Wachttoren en Ontwaakt! aanbood.
Het probleem van de verschillende religieuze achtergronden aanpakken
Ongeveer de helft van de bustis van de stad wordt bewoond door aanhangers van de islam. De verdraagzame houding die in de stad overheerst, maakt het echter mogelijk in zulke gebieden van huis tot huis te prediken, een voorrecht dat in andere landen met grote moslimgemeenschappen niet altijd wordt genoten. Ik vroeg of de pioniers in Calcutta een speciale benadering hebben voor mensen met deze achtergrond.
„Sommigen halen plaatselijke problemen aan om te beklemtonen dat de mens niet in staat is zijn moeilijkheden op te lossen,” antwoordde mijn vriend, „terwijl anderen religieus vooroordeel trachten te overwinnen door punten van overeenkomst te bespreken, zoals geloof in één God (geen drieëenheid) of ons gemeenschappelijke geloof dat de oorspronkelijke bijbel door God werd geïnspireerd.”
„En de resultaten?” vroeg ik benieuwd.
„Erg weinig mensen hebben genoeg belangstelling om een bijbelstudie te willen hebben. De kost verdienen en proberen hun positie in het leven te verbeteren, is het enige waaraan zij denken. Dat feit, gepaard met weinig of in het geheel geen schoolopleiding, maken het voor hen erg moeilijk het goede nieuws te aanvaarden.”
Het meest krijgt men in de stad met hindoezienswijzen te maken. Vooral de Bengalezen citeren heel graag een uitspraak van Ramakrishna, die in het midden van de negentiende eeuw leefde en predikte. „Jotto moth, totto poth” betekent, vrij vertaald, dat alle religies slechts verschillende wegen zijn die naar hetzelfde doel leiden.
„Is het moeilijk deze zienswijze te weerleggen?” vroeg ik.
„Niet als er met de persoon valt te redeneren. Wij kunnen tactvol enkele duidelijke verschillen verklaren, zoals onze op de bijbel gebaseerde hoop om eeuwig in menselijke volmaaktheid op aarde te leven. Of wij kunnen uiteenzetten dat in geval van twee tegengestelde zienswijzen ze niet beide tegelijkertijd waar kunnen zijn. Er is bijvoorbeeld òf wel òf geen onsterfelijke ziel.”
„Dat klinkt redelijk.”
„Ja, toch komt het maar al te vaak voor dat mensen weigeren onze woorden serieus op te nemen. Zij zijn ervan overtuigd dat zij weten wat wij geloven en denken dat zij hetzelfde geloven. Deze houding schijnt elk opbouwend gesprek in de weg te staan. Daarom proberen wij wat lectuur achter te laten en gaan dan naar de volgende persoon toe.”
„Is het ooit voorgekomen dat mensen uit de hindoegemeenschap God en zijn voornemens beter wilden leren kennen?”
„Ja, de pioniers kwamen in contact met een jongeman die teleurgesteld was over zijn omgang met de volgelingen van Ramakrishna”, zei mijn vriend. „Hij nam de tijdschriften en had ze gelezen toen hij twee dagen later opnieuw werd bezocht. Na verscheidene gesprekken begon hij de brochure The Path of Divine Truth Leading to Liberation te bestuderen. Hij schreef zijn antwoorden en commentaren op de studievragen in een zakboekje. Binnen vijf maanden was deze man gedoopt en verrichtte hij dienst als hulppionier, om aldus zijn kennis met veel anderen te delen.”
„Wat een geweldige ervaring! Maar hoe reageerde zijn familie?”
„Hij woonde bij zijn moeder, die weduwe is, en zijn grootmoeder, beiden vrome hindoes. Ook zij begonnen belangstelling te tonen en gingen de bijbel bestuderen. Al gauw merkten de buren de veranderingen in de vrouwen op en als gevolg hiervan kregen drie anderen belangstelling. De moeder is nu gedoopt, en oma, die als zeventigjarige wat langzamer is, hoopt zich binnenkort te laten dopen.”
Uit het enthousiasme waarmee mijn vriend dit verhaal vertelde, kon ik opmaken dat zulke ervaringen een werkelijke stimulans voor de pioniers zijn. Soms lijkt er maar weinig vooruitgang te zijn, maar dan ontmoeten zij iemand die extra veel belangstelling aan de dag legt. Hierdoor worden de pioniers aangemoedigd verder te gaan met hun speurtocht naar nog anderen die misschien belangstelling hebben.
De taalbarrières overwinnen
De menigte in de bus was wat uitgedund en ik herkende enkele Engelse woorden. „Ticket, apnar ticket”, riep een kleine, niet geüniformeerde man, die met een kleurrijke waaier bankbiljetten in zijn rechterhand zwaaide en als bewijs dat hij conducteur was een leren wisselbeurs aan zijn zij had hangen. Ik bood aan te betalen, maar daar wilde mijn vriend met zijn Indiase gastvrijheid niet van horen. Hij duwde mij zijn tas in handen en zocht in de zak van zijn overhemd naar wisselgeld.
„Wat heb je hier in vredesnaam in zitten?” riep ik uit. „Dit moet wel een ton wegen!”
„Och, de uitgaven van de bijbel in de Indiase talen zijn nogal groot. Om in Calcutta volledig toegerust te zijn, moeten wij de bijbel nu eenmaal in drie talen meenemen — in Bengali, Hindi en Engels — plus natuurlijk bijbelverklarende lectuur.”
„Je zou toch alleen een Engelse bijbel kunnen meenemen en de verzen kunnen vertalen?”
„Ja, dat zou denk ik wel kunnen. Maar veel mensen die alleen maar Bengali of Hindi lezen, hebben nog nooit een volledige bijbel in hun eigen taal gezien. Het doet ons erg goed hun een exemplaar te kunnen laten zien en hun eruit te kunnen voorlezen. Het is de extra moeite en het extra gewicht beslist waard.”
De noodzaak zich aan de behoeften van de verschillende taalgroepen aan te passen, houdt de pioniers hier druk bezig. De meesten van hen oefenen zich erin om doeltreffend in de drie belangrijkste talen getuigenis te kunnen geven. Sommigen, met speciale capaciteiten, hebben geleerd in vijf of zes talen te spreken. De plaatselijke bevolking waardeert de moeite die de bezoekers doen om te proberen de taal van de gemeenschap te spreken, en de aandacht waarmee zij luisteren, vormt een voldoende grote beloning voor de lange uren van taalstudie.
Vreugde vinden in een gebied vol uitdagingen
Op dat moment kwam onze bus, met zijn reeds lang versleten remvoeringen, weer knarsend tot stilstand en werd ik eruit geduwd.
„Waarom hier?” vroeg ik. „Hier woon je toch niet?”
„Nee, het is een Punjabi-gebied. Maar, weet je, de mensen hier zetten de beste thee. Ik dacht dat je wel een kopje zou lusten.”
De thee was verrukkelijk.
„Hoe komt het dat je deze gelegenheid kent?” vroeg ik.
„Door in deze buurten te werken, leren wij pioniers de plaatselijke specialiteiten kennen en waar de beste en goedkoopste gelegenheden zijn. Als je maag sterk genoeg is, kunnen wij vanavond enkele interessante gerechten proberen.”
Ik dacht aan de raad van enkele wat voorzichtiger vrienden en sloeg de uitnodiging af. Maar ik genoot van de thee. Het werd me duidelijk dat de pioniers evenwichtig zijn en geleerd hebben de omstandigheden zo goed mogelijk te benutten. Zelfs dingen die aanvankelijk belemmeringen schijnen te zijn, kunnen overwonnen worden en als aangenaam worden ervaren.
„Is er ook iets wat je niet prettig vindt in verband met je werk?” vroeg ik ten slotte.
Mijn vriend dacht even na over deze vraag. „Ik denk dat het door de zomermoesson veroorzaakte weer iets is waar wij nooit echt aan zullen wennen. Toch is dat een probleem waar iedereen mee te kampen heeft, of hij nu wel of niet pioniert. De hitte en vochtigheid worden zo intens, dat de zweetdruppeltjes vaak van de punt van je neus op je bijbel vallen als je eruit voorleest. Toch leren wij ermee te leven. Ja, in mei, misschien wel de heetste maand van het jaar, is het aantal hulppioniers dat ons in het predikingswerk vergezelt, zelfs het hoogst.”
Als ik terugkijk op deze dag en op mijn gesprek met mijn pioniersvriend, ben ik onder de indruk van de bekwaamheid waarmee de pioniers in Calcutta zich aan zoveel verschillende situaties en bevolkingsgroepen aanpassen om hen maar met het goede nieuws te kunnen bereiken. Natuurlijk besef ik dat de pioniers over de gehele wereld precies hetzelfde doen. Het schenkt hun werkelijk vreugde ’voor alle soorten van mensen alles te zijn’. — Ingezonden.
[Kaart/Illustratie op blz. 26]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
INDIA
Calcutta