Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w86 1/9 blz. 10-13
  • Waarom ik het idee liet varen naar de hemel te gaan

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Waarom ik het idee liet varen naar de hemel te gaan
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1986
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Op zoek naar Gods organisatie
  • Een tijd van crisis
  • Ik leerde wat het doel is van de hemelse bestemming
  • Vruchtbare, gelukkige bediening
  • Wie gaan er naar de hemel, en waarom?
    U kunt voor eeuwig in een paradijs op aarde leven
  • Wat is Gods koninkrijk?
    Wat leert de bijbel echt?
  • Waarom neemt God mensen in de hemel op?
    Ontwaakt! 1977
  • Wat is de hemel voor een plaats?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2010
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1986
w86 1/9 blz. 10-13

Waarom ik het idee liet varen naar de hemel te gaan

— Verteld door Joeriko Eto

ALS Japanse methodiste geloofde ik heilig dat er geen groter geluk kon bestaan dan naar de hemel te gaan. Het zou subliem zijn naast God te vertoeven en voor eeuwig bij de Heer Jezus Christus te leven. Hoe kwam ik aan dat intense verlangen om naar de hemel te gaan? En waarom heb ik van die gedachte afgezien? Laat mij u mijn levensverhaal vertellen.

In mijn land, Japan, waren eeuwenlang alleen het sjintoïsme en het boeddhisme toegestaan. Ik werd geboren in 1911, slechts 22 jaar nadat de vrijheid van godsdienst was ingevoerd. Mijn familie was methodist geworden. Mijn vader was een zakenman. Mijn moeder was de dochter van een predikant. Het feit dat mijn moeder oprecht in de bijbel geloofde, was een zegen voor mij. Ik kan mij nog heel goed herinneren dat een vriendin van mijn moeder, een onderwijzeres aan een seminarie voor meisjes, dikwijls bij ons op bezoek kwam. Zij sprak altijd over de bijbel, en ik vond het heerlijk om te luisteren. Maar aan het eind van de gesprekken zei ze altijd: „Is het niet droevig dat de bijbel nog steeds niet ontsloten is en nog steeds niet begrepen wordt?” Ik zat altijd te piekeren over de vraag waarom God, aangezien hij mensen ertoe gebracht had de bijbel te schrijven, er niet voor gezorgd had dat zij die ook begrepen.

Als ik thuiskwam uit school vond ik niets heerlijker dan in een gemakkelijke stoel genesteld in de bijbel te lezen en van de hemel te dromen. Wat mijn hart in het bijzonder beroerde, was dat Christus ons misschien nog tijdens mijn leven tegemoet zou komen. Jezus Christus vergeleek zichzelf met een bruidegom en waarschuwde ons dat vijf van de tien maagden vast in slaap waren en de bruidegom niet tegemoet konden gaan en niet naar de hemel konden gaan! Daarom bad ik dagelijks om de dag dat de Heer Jezus zou komen om ons te roepen, en ik bad dat de tweede tegenwoordigheid van Christus niet vergeten zou worden. De schriftplaats die zegt: „Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien”, koesterde ik in mijn hart, en ik wachtte en hoopte. Eigenlijk leefde ik als een onbezorgde reiziger in deze wereld. — Matthéüs 25:1-12; 5:8, Statenvertaling.

Ik trouwde in 1933, en omdat ik in onze gesprekken altijd de hemel erbij haalde, moest mijn man dikwijls om mij lachen en zei dan: „Jij hoort bij de hemel, maar ik hoor bij deze wereld.” De vader van mijn man was echter zeer aan de bijbel gehecht en zei vaak: „Het is nu bijna 2000 jaar geleden dat de Heer Jezus Christus kwam, dus wij mogen veronderstellen dat Christus’ tweede tegenwoordigheid nabij is.” Mijn hart gloeide steeds vuriger.

Toen begon de Tweede Wereldoorlog, en in het laatste jaar van de oorlog stierf mijn man. Destijds dacht ik dat als er een vreselijke hel bestond, deze wereld de hel moest zijn. Na de oorlog nam ik mijn vier kinderen (de jongste was zeven maanden) en verhuisden wij ettelijke malen, omdat in Tokio nog steeds een grote chaos heerste. Ik hield het geen hele zondag uit zonder naar de kerk te gaan, dus telkens als wij verhuisden, bezocht ik de kerk die het dichtst bij ons huis was. Het kon mij niet schelen welke kerk het was, want ik was van mening dat er maar één God en één bijbel was. Ik moest niets hebben van de gedachte mij bij één religie te houden.

Op zoek naar Gods organisatie

Nu ik de verschillen zag, begon ik mij langzamerhand af te vragen hoe God zelf de vele sekten beziet. Ik kwam tot de conclusie dat God beter dan wie ook weet dat de vele religies dwalingen bevatten. Ik dacht dat God op dezelfde manier als een onderwijzer die een cijfer geeft voor het proefwerk van een leerling, een cijfer zou geven aan de organisatie die het nauwkeurigste begrip van de bijbel had. Ik kwam op de gedachte dat ik de organisatie moest zien te vinden die in Gods ogen de juiste is. Toen schoot mij Matthéüs 7:9 te binnen. Daar staat: „Is er soms iemand onder u die wanneer zijn zoon om brood vraagt, hem een steen zal geven?” Omdat ik het ware „brood” zocht, stelde ik geloof in deze schriftplaats en begon dag aan dag intens te bidden: „Breng mij alstublieft in contact met de organisatie die een nauwkeurig begrip van de bijbel heeft.” Een jaar nadat ik begonnen was aldus te bidden, verhuisde ik naar Jokohama. Hier bracht een bepaald gesprek mij in grote opwinding.

Altijd als ik mensen ontmoette die zeiden dat zij naar de kerk gingen, vroeg ik hun dadelijk: „Kent u misschien iemand die de bijbel tot in bijzonderheden begrijpt?” Op een dag ontmoette ik in een naburige stad een kerklidmate en stelde haar dezelfde vraag. Hoewel ik tot dan toe nog nooit een positief antwoord had gekregen, antwoordde zij op overtuigende toon: „Ja, er is zo iemand. Onlangs is hier een zendelinge aan de deur geweest. Ik heb haar binnengelaten en zij sloeg onmiddellijk de bijbel open en legde het ene punt na het andere uit. Voordat zij wegging, vertelde zij dat zij boven op de heuvel woont waar u woont.” Toen ik dat hoorde, verliet ik opgetogen haar huis. De volgende dag al bracht ik een bezoek aan het zendelingenhuis van Jehovah’s Getuigen.

Een tijd van crisis

Eindelijk kon ik een gedetailleerde studie van de bijbel maken. Er ging ongeveer een maand voorbij — en toen barstte de bom! Mijn studieleidster, de zendelinge Jean Hyde (thans Nisbet), zei met een glimlach: „In de toekomst zult u waarschijnlijk niet in de hemel maar op de aarde leven.” Ik was geschokt, want ik had het gevoel alsof ik uit de hemel geduwd was. Ik was werkelijk woedend. „Dit is de eerste keer dat ik een zendelinge ontmoet die zo onbehoorlijk spreekt als u”, beet ik haar toe. „U moest u schamen; ik had mij er zo op verheugd dat u mij de bijbel zou onderwijzen, en dat gevoel is nu helemaal weg. Maar aangezien ik aan het uitzoeken ben wat op dit moment de ware organisatie is en omdat ik een abonnement op De Wachttoren heb en ook het boek ’God zij waarachtig’ bezit, zal ik zelf de zaak wel eens zorgvuldig onderzoeken. Als ik de bevestiging vind dat dit de waarheid is, zal ik het hoofd voor u buigen en weer om uw hulp komen vragen.”

Jean was niet boos. Zij straalde en zei: „Ja, dat moet u doen. Onderzoekt u alstublieft de waarheid.” En daarmee vertrok zij, maar nadien kwam zij af en toe eens aanwippen en vroeg dan: „Bent u bezig met uw onderzoek?” Ik had gehoopt dat deze organisatie Gods antwoord op mijn gebeden was, maar nu waren mijn gevoelens geheel in de war. Ik had nog nooit gehoord dat er een onderscheid gemaakt werd tussen degenen die naar de hemel zullen gaan en degenen die voor eeuwig op aarde zullen leven.

Daarna bestudeerde ik dagelijks ernstig de publikaties van het Wachttorengenootschap. Na een poos kreeg ik bezoek van Adrian Thompson, een reizende opziener van Jehovah’s Getuigen. Ietwat opstandig vroeg ik hem onmiddellijk: „Zelfs als er in de toekomst twee groepen zijn, een hemelse en een aardse, is het dan niet aan God om daarover te beslissen? Het zou toch aanmatigend zijn als mensen daarover wilden beslissen?” Hij antwoordde: „Precies! Degene die beslist, is God.” Hoewel ik de details niet begreep, voelde ik me toch op een of andere manier wat geruster. ’Dus’, zo dacht ik, ’dan zijn mijn vooruitzichten op de hemel toch niet weggenomen.’ Daarna bad ik en zette op mijn eigen houtje de studie voort.

In 1954 woonde ik de Gedachtenisviering ter herdenking van Christus’ dood bij. Lloyd Barry was de spreker. In zijn toespraak zei hij dat degenen die in de „verbondsregeling” waren opgenomen, van het brood en de wijn mochten gebruiken. Na de Gedachtenisviering had ik allerlei vragen, en daarom liep ik de hele weg naar huis met Sjizoeë Seki, een ijverige Getuige. Zij toonde zich zeer begaan en nam er de tijd voor om mij aan te moedigen niet de moed op te geven alleen maar omdat ik met één punt een probleem had, maar mij ervan te vergewissen of alle andere leringen op de bijbel gebaseerd waren of niet.

Op een dag, toen de kinderen naar school waren, was ik aan het redderen omdat ik gasten verwachtte, en ik bad in stilte: ’Ik wil weer met Jehovah’s Getuigen studeren.’ Toen ik mijn ogen opendeed, zag ik tot mijn verbazing niet de gasten staan die ik verwachtte, maar drie Japanse getuigen van Jehovah. Verrast vertelde ik hun waarom ik net gebeden had. Foemiko Seki sprong opgewonden op en neer, klapte in haar handen en zei: „Prachtig! Prachtig!” Weldra begon een andere zendeling, Sonny Dearn, bijgestaan door Foemiko, die als tolk optrad, een nieuwe studie waar ik van genoot. Ditmaal studeerden twee van mijn kinderen met mij mee. Maar Sonny kreeg een andere toewijzing. Toen kwam Leon Pettitt, ook een buitenlander. Wij vuurden altijd een heel salvo van vragen op hem af. Bedaard toonde hij ons schriftplaatsen zodat wij tot de juiste conclusie konden komen en konden toenemen in kennis van de Schrift.

Ik leerde wat het doel is van de hemelse bestemming

Ik leerde dat, in tegenstelling tot mijn persoonlijke aspiraties, naar de hemel gaan een doel dient dat uitstijgt boven het eenvoudige verlangen om naast de glorierijke God te vertoeven en eeuwig bij de Heer Jezus te leven. Toen ik bepaalde waarheden beter leerde kennen, was mijn hart ook in staat ze grif te aanvaarden.

Om te beginnen: Als de eerste mens, Adam, niet gezondigd had, zou het voor niemand van de mensheid nodig zijn geweest naar de hemel te gaan. De reden is dat er voordat de wereld werd geschapen al duizenden en nog eens duizenden engelen in de hemel waren. — Job 38:4-7; Daniël 7:9, 10.

Terwijl de studie vorderde, leerde ik uit Lukas 12:32 dat slechts een kleine groep, die in de bijbel een „kleine kudde” genoemd wordt, naar de hemel gaat. Jezus zei: „Vreest niet, kleine kudde, want het heeft uw Vader goedgedacht u het koninkrijk te geven.” En wat het doel betreft, staat er niet in Openbaring 20:6 geschreven dat „zij . . . de duizend jaar met hem [Christus] als koningen [zullen] regeren”? En in Openbaring 5:10 dat zij „als koningen over de aarde [zullen] regeren”?

Ik leerde ook wat de betekenis was van het Onze Vader. Jezus bad: „Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde” (Matthéüs 6:10, SV). Toen ik begreep dat dit betrekking had op de hemelse Koninkrijksregering, bestaande uit mensen die van de aarde genomen zijn om met de Koning Jezus Christus te regeren, was ik vol bewondering voor Gods wijsheid. Ik was ervan overtuigd dat dit precies is wat wij nodig hebben, een unieke, nieuwe regering die de mensheid zal bevrijden van het lijden, het verdriet en de druk die door Satan worden veroorzaakt. Ik kon mij er niet van weerhouden Jehovah te prijzen.

Toen ik verder leerde dat het aantal mensen dat naar de hemel gaat, beperkt is tot 144.000, kon ik niet anders dan instemmen met de redelijkheid hiervan (Openbaring 14:1, 3). Op dezelfde wijze is zelfs het aantal functionarissen in een regering op aarde beperkt. Ik ging inzien dat er bepaalde belangrijke taken weggelegd zijn voor degenen die naar de hemel gaan. Het behoort tot hun werk binnen Gods liefdevolle regeling allen die op aarde leven gelukkig te maken en paradijselijke omstandigheden op aarde te herstellen.

Ik liep zo over van waardering dat ik mijn idee om naar de hemel te gaan, graag liet varen. Nu ben ik vervuld van de hoop in een paradijs op aarde te leven. God heeft beslist de betekenis van de bijbel ontsloten door middel van zijn organisatie. Ik was op zoek geweest naar de waarheid. Ik voel mij gedrongen God te danken dat hij mij geholpen heeft mij te verbinden met de organisatie die hij goedkeurt.

Vruchtbare, gelukkige bediening

In oktober 1954 werd ik gedoopt. Sedert 1955 zijn twee van mijn kinderen samen met mij in de volle-tijddienst om het Koninkrijk te verkondigen. Mijn zoon Keidjiro heeft zeven jaar als reizend opziener gediend. Nu is hij gezegend met twee kinderen en werken hij en zijn vrouw ijverig als volle-tijdpredikers (pioniers). Als speciale pionierster heb ik een aandeel gehad aan de oprichting van gemeenten van Jehovah’s Getuigen in zes steden.a Onlangs heb ik de vreugde gesmaakt enige jaren samen met mijn oudste dochter, Hiroko, te prediken op het eiland Hatjidjô, 300 km van Tokio in de Grote Oceaan.

Sedert ik tevreden heb leren zijn met de hoop op een schitterende toekomst op aarde, is mijn kijk op de aarde drastisch gewijzigd. Vooral op Hatjidjô waren wij omringd door ongewone bloemen, en als wij van huis tot huis werkten, bewonderden wij ze als wij met de huisbewoners in hun prachtige tuinen stonden te praten. Op een dag ontmoetten wij een bejaarde vrouw die haar bloemen aan het verzorgen was. Wij waren er vol lof over, maar zij klaagde: „Ik ben niet bang om dood te gaan maar ik vind het ellendig dat ik van deze bloemen afscheid moet nemen als ik naar de andere wereld ga.” Ik legde haar uit dat zij onder Gods Koninkrijksregering uit de dood zal worden opgewekt op een paradijsaarde waar bloemen eeuwigdurend genot zullen schenken. Haar ogen begonnen te stralen en er werden regelingen getroffen voor een bijbelstudie.

Ook voelde ik mij aangetrokken tot de eenvoudige levensstijl van de eilanders. Zij zijn bijzonder eerbiedig in het eren van hun voorouders. Wanneer er iemand sterft, is iedereen in de gemeenschap zo welwillend de begrafenis bij te wonen. Alleen zou ik dolgraag willen dat al deze mensen Jehovah, de Vader van het leven, zouden leren kennen en zouden begrijpen dat hij de God is die ervoor zal zorgen dat hun voorouders weer tot leven komen wanneer het Paradijs op aarde is hersteld. Ik zou willen dat zij wisten dat er een belangrijk verschil is tussen eerbied hebben voor onze voorouders en hen aanbidden. Wij mogen uitsluitend de ene Vader van het leven, Jehovah, aanbidden. Zoals Jezus zei: „Maar het uur komt, en is nu, waarin de ware aanbidders de Vader met geest en waarheid zullen aanbidden, ja, want de Vader zoekt zulke mensen om hem te aanbidden. God is een Geest, en wie hem aanbidden, moeten hem met geest en waarheid aanbidden.” — Johannes 4:23, 24.

Nu, in mijn zevende gebiedstoewijzing, dank ik Jehovah terwijl ik de mensen blijf vertellen over het doel van Jehovah’s hemelse Koninkrijksregering en de schitterende zegeningen die deze zal brengen voor degenen van ons die het geweldige voorrecht zullen hebben eeuwig op aarde te leven. — 2 Petrus 3:13; Openbaring 21:3, 4.

[Voetnoten]

a Joeriko Eto heeft ook 75 van haar bijbelstudenten geholpen Koninkrijksverkondigers te worden.

[Illustratie op blz. 12]

Joeriko Eto bestudeert met anderen de bijbelse belofte van een aards paradijs

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen