De ’beden van mijn hart’ ontvangen
Zoals verteld door P. J. Wentzel
TOEN ons schip, dat uit Zuid-Afrika kwam, de haven van New York was binnengelopen, werden wij op de kade door een zwarte man begroet. Hij was speciaal gekomen om een bejaarde vrouw die met ons meereisde en mijn vrouw Lina en mij met de auto naar ons logeeradres te brengen. Wij stopten in een zwarte wijk en de chauffeur stapte uit om het adres voor onze reisgenote te controleren. „Maar Piet,” zei ze tegen mij, „hier wonen alleen maar zwarten!”
„Wij zijn nu in Amerika”, bracht ik haar in herinnering. „Er bestaat hier geen verschil tussen zwart en blank; wij zijn allemaal gelijk.” (Maar diep in mijn hart hoopte ik dat mijn vrouw en ik naar het huis van blanken gebracht zouden worden!) Toen kwam de chauffeur terug om onze reisgenote op te halen, die hartelijk door een zwarte familie werd verwelkomd.
Nu kwamen wij aan de beurt — nog steeds in de zwarte woonwijk. Toen onze gastheer en zijn vrouw naar de auto kwamen, bad ik God vurig mij te helpen alle rassenvooroordeel dat ik misschien nog bezat — een erfenis van mijn ouders — van mij af te zetten.
Onze zwarte gastheer en gastvrouw in New York heetten ons hartelijk welkom. Zij brachten ons naar onze kamer, waar alles smetteloos schoon was. Toen zij ons alleen achterlieten, waren wij eerst stil. Daarna liep Lina naar het bed, lichtte de sprei aan één kant op en zei: „Piet, te bedenken dat ik vannacht, voor het eerst van mijn leven, in het bed van een zwarte vrouw moet slapen!” Maar wij leerden onze gastheer en gastvrouw kennen en innig liefhebben.
Waarom was het overwinnen van rassenvooroordeel zo moeilijk voor mij en mijn reisgenotes?
Vroege invloeden
Ik ben in 1922 geboren in het stadje Bonnievale, ongeveer 160 kilometer ten oosten van Kaapstad, in Zuid-Afrika. Mijn vader was lid van de Nederduits Gereformeerde Kerk. De kerk was uitsluitend voor blanken. De zwarten hadden hun eigen kerken in de aparte wijk waar zij woonden. Wij werden dus opgevoed met de gedachte dat de rassen gescheiden moesten blijven.
En wat kan rassenvooroordeel diepgeworteld zijn! Ons was geleerd dat ons ras superieur is. Wij bezagen zwarten als personen die men weliswaar als mensen, maar niet als maatschappelijk gelijken moest behandelen. In mijn kinderjaren was men gewoon hen aan de achterdeur te ontvangen, en als wij hun thee aanboden, serveerden wij deze in een speciale mok die uitsluitend voor zwarten werd gebruikt. Men had ons het idee bijgebracht dat de situatie in de hemel misschien anders zou zijn maar dat hier op aarde strikte segregatie moest bestaan.
Kort nadat ik zeventien jaar was geworden, vroeg ik mijn vader of ik belijdenis mocht doen, maar hij vond mij er nog te jong voor. Het jaar daarop zei hij me echter dat nu de tijd voor het doen van belijdenis was aangebroken. Ik nam dit heel ernstig op. Het betekende voor mij dat ik me aan God gaf om zijn wil te doen. En aangezien ik voor de wereld en haar genoegens leefde, en onder meer zwaar rookte, besefte ik dat ik drastische veranderingen in mijn levenswijze moest aanbrengen.
Tijdens elke middagpauze besteedde ik daarom bijna al mijn tijd aan het lezen van de bijbel. Dit was voor mij een openbaring — ik zag in dat mijn levenswijze en die van mijn naaste familieleden bij lange na niet voldeed aan wat door de Schrift wordt verlangd. Hoewel ik de bijbel in mijn eigen taal, het Afrikaans, las, was er veel wat ik niet begreep. Vandaar dat ik niet alleen de bijbel las, maar God ook bad mij te helpen de bijbel te begrijpen.
Toen de tijd aanbrak om de belijdeniscatechisatie te volgen, had ik reeds veel van de bijbel gelezen. Ik vroeg mijn vader waar de belijdenis in de bijbel werd uitgelegd, zodat ik er een studie van kon maken.
„De bijbel spreekt er niet over”, antwoordde hij. „Het is een vereiste van de kerk.” Ik was geschokt!
„Maar als de belijdenis niet in Gods Woord wordt onderwezen, hoe kan ik die dan aanvaarden?” vroeg ik. „En als wij met betrekking tot deze uiterst belangrijke kwestie worden misleid, hoe kan ik mijn leven dan aan de kerk toevertrouwen?”
Welnu, vanaf dat moment begon ik naar de waarheid te zoeken.
Naar de waarheid zoeken
Op zekere dag nodigde een vriend mij uit voor een dienst in de Nederduits gereformeerde kerk, die ik al enige tijd niet meer had bezocht. De predikant sprak over hoop: „Indien wij hopen op wat wij niet zien, blijven wij er met volharding op wachten” (Romeinen 8:24, 25). Ah, dit wilde ik nu precies weten! Wat is onze hoop? Waar leef ik voor? Zou ik nu antwoorden krijgen? Maar de predikant bleef in gebreke een toekomstige hoop te beschrijven. Toen ik daar zat, smeekte ik God de predikant te helpen mij hulp te bieden!
Er was nog iets wat mij verontrustte. Ik merkte op dat heel wat mensen zaten te dommelen. Ik hunkerde ernaar de waarheid te horen, en hier zaten mensen te slapen! Ik was teleurgesteld toen ik de kerk uitliep en heb er nooit meer een voet over de drempel gezet.
Later besprak ik de bijbel met een vriend die connecties had met de Pinksterbeweging. Hij zei dat iemand die God wil dienen, door totale onderdompeling in water gedoopt moet worden. Ik bezocht dus de volgende dienst van dit groepje en werd in de rivier gedoopt. Dit maakte mijn vader woedend. Hij dreigde mij zelfs te doden omdat ik de euvele moed had gehad mij bij een sekte aan te sluiten! Ik kon thuis niet langer de bijbel lezen, maar deed dit met het groepje waarbij ik mij had aangesloten. Ik kon zelfs niet meer samen met mijn vader de maaltijd gebruiken, en iedere keer als ik met hem in contact kwam, gebood hij me mijn gezicht af te wenden. Hij wilde het niet langer zien!
De leden van de kleine pinkstergroepering lazen alleen maar uit de bijbel, zongen en baden te zamen en spraken in talen. Tegen die tijd had ik mijn leven in het reine gebracht en had ik ook het roken opgegeven. Ik deed mijn uiterste best om net als de anderen de geest te ontvangen en vastte zelfs enkele dagen achtereen, maar er gebeurde niets. Toen ging ik alles nog eens goed overdenken. Ik wist dat er anderen in de stad waren die beweerden in talen te spreken maar desondanks een immoreel leven leidden. Hoe kon God dus zijn heilige geest aan mensen schenken wier leven niet in overeenstemming was met zijn wil? En er was nog iets waar ik niet uitkwam. Ik besloot dit aan de leider van onze groep te vragen.
„Is de heilige geest die u en anderen ontvangen, dezelfde heilige geest die de bijbel heeft geïnspireerd?” vroeg ik.
„Ja”, antwoordde hij.
„Welnu, zal de aarde het eeuwige tehuis van de mens zijn of zal ze worden vernietigd?”
„De aarde zal worden vernietigd en christenen zullen in de hemel leven.”
„Maar hier klopt iets niet,” antwoordde ik, „want de bijbel zegt dat de aarde eeuwig blijft bestaan — een verklaring die is geïnspireerd door Gods geest, dezelfde geest die u beweert te hebben.” — Prediker 1:4.
Toen wist ik dat ons groepje niet de waarheid bezat. Ik ging verder met zoeken.
Op zekere dag gaf de leider van de pinkstergroepering mij een boek getiteld Rijkdom, uitgegeven door de Watchtower Society. Zodra ik het begon te lezen, werd het me duidelijk dat het overeenstemde met wat ik in de bijbel had gelezen. Eindelijk had ik de waarheid gevonden! Ik schreef om meer publikaties. Ons groepje was er heel blij mee, en wij gebruikten ze om de bijbel te bestuderen en getuigenis te geven aan anderen. Kort hierna brachten enkele getuigen van Jehovah een kort bezoek aan Bonnievale, en wij konden fijn met hen van gedachten wisselen. Bovendien sloten vier van ons groepje zich de volgende zondag bij hen aan om van huis tot huis te prediken.
Wij vormen een kleine gemeente
Om de boodschap van hoop te kunnen blijven verbreiden, bestelden wij meer boeken bij het bijkantoor van de Watchtower Society in Kaapstad. Zij antwoordden dat wij eerst een aanvraag moesten indienen voor het vormen van een gemeente. In het begin deinsden wij ervoor terug dit te doen, maar toen de behoefte aan boeken dringender werd, dienden wij ten slotte de aanvraag in en werden tot een nieuwe gemeente gevormd — bestaande uit slechts ons vieren, hoewel geen van ons als Getuige was gedoopt!
Elke maand berichtten wij hoeveel tijd wij aan de prediking hadden besteed. Maar aangezien wij niet waren opgeleid, brachten wij geen nabezoeken bij de mensen die belangstelling toonden. Het bijkantoor bracht ons dit elke maand opnieuw onder de aandacht. Uiteindelijk verzamelden twee van ons voldoende moed om naar een huis te gaan waar de bewoners belangstelling hadden getoond. Wij lieten de gezinsleden bijeenkomen en zongen samen een lied. Ik opende toen met gebed en draaide een grammofoonplaat met een van de lezingen van J. F. Rutherford af. Allen luisterden aandachtig. Wij besloten ons samenzijn met nog een lied en gebed. Toen wij naar huis gingen, zei ik: „Wel, dat was ons eerste ’nabezoek’!”
Ondertussen duurde de tegenstand van mijn vader onverminderd voort. Ik had nog erg weinig bijbelkennis! Maar wàt ik wist, geloofde ik met heel mijn hart. Op zekere dag kwam Rachel, een van mijn zusters, ons opzoeken. Toen ik tijdens de middagpauze thuis was, begon zij over de Drieëenheid te argumenteren.
„Waarom verwerpen jullie de leerstelling van de Drieëenheid?” vroeg ze. „Onze kerk leert duidelijk dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest één van wezen zijn en dezelfde macht bezitten.”
„Als de heilige geest één van wezen is met de Vader en de Zoon,” antwoordde ik, „dan kan de heilige geest voor mij precies hetzelfde doen wat de Vader en de Zoon kunnen doen. Dus dan zou ik net zo goed tot de heilige geest kunnen bidden.”
Rachel antwoordde niet. Maar mijn vader riep vanuit de aangrenzende kamer: „Rachel, laat hem met rust. Je komt toch geen steek verder met hem.” De overige familieleden kwamen nu om ons heen staan om Rachel te ondersteunen. Toen stormde mijn vader binnen, verschrikkelijk opgewonden. Dreigend bracht hij zijn gebalde vuist tot vlak bij mijn voorhoofd, maar stopte toen en trok zijn arm terug. Ik bleef heel rustig en verroerde mij niet.
„Je zit daar als een huichelachtige engel”, schreeuwde mijn vader. Hij herinnerde mij aan de tijd dat ik als vrijwilliger tegen Hitler wilde strijden maar geen toestemming van hem kreeg omdat ik nog minderjarig was. „Was je toen maar wel gegaan en gesneuveld!” bulderde hij. Heel rustig bedankte ik hem dat hij me had belet dienst te nemen bij het leger.
Toen deze scène achter de rug was, ging ik naar buiten en dacht na. Voordat ik belangstelling voor de bijbel had getoond, heerste er bij ons thuis vrede. Nu was er een familietwist. Wat moest ik doen? Teruggaan naar de kerk om aldus de familievrede te herstellen? Als ik dat deed, zou ik de kostbare waarheden die ik had leren kennen, verloochenen. Mijn ouders hadden mij op de wereld gezet, maar alleen God kon mij eeuwig leven schenken. Met mijn hand tegen een prachtige palmboom leunend, die kaarsrecht en fier omhoogrees, nam ik het vaste besluit: „Ook al kost het mij mijn leven, ik zal niet terugkeren.”
Ik ga de volle-tijddienst in
Ik was ongehuwd, jong en sterk en begon mij te beperkt te voelen in mijn baan bij een plaatselijke kaasfabriek. Ik werkte daar zes dagen per week voor weinig geld en kon slechts één dag per week heilige dienst verrichten voor Jehovah, van wie ik eeuwig leven verwachtte. Waarom zou ik doorgaan met kaasmaken als ik kostbare waarheden bezat waardoor levens gered konden worden? Ik wilde een volle-tijddienaar zijn.
Ik schreef naar het Genootschap en zei dat ik een „pionier” of volle-tijdwerker wilde zijn. „Maar hoe?” vroeg ik. Ik was pas achttien jaar en mijn vader zou het nooit goedvinden. Ik ontving een antwoord waarin de volgende schitterende woorden werden aangehaald: „Schep . . . heerlijke verrukking in Jehovah, en hij zal u de beden van uw hart geven” (Psalm 37:4). Hoe zou mijn hartewens in vervulling kunnen gaan als mijn vader zo’n tegenstander was? Toch dacht ik over die woorden na en bleef bidden.
Ten slotte beraamde ik een plan. Ik zei tegen mijn vader dat er in Bonnievale geen toekomst voor mij was en dat ik naar Kaapstad wilde verhuizen. Hij zei: „Ik weet waarom. Je wilt weggaan om die boeken van rechter Rutherford te verkopen!” Maar hij gaf toestemming.
In Kaapstad werkte ik hard om de paar dingen te kunnen kopen die ik nodig had om met de volle-tijddienst te beginnen. Toen ik de bijkantooropziener, George Phillips, ontmoette, bleek er een probleem te bestaan. Aangezien ik uit een Afrikaanssprekende gemeenschap kwam, was mijn Engels zo slecht dat ik via een tolk met hem moest spreken. En op de vergaderingen begreep ik zo weinig, dat ik eens, toen er een congres voor Kaapstad werd georganiseerd, niet aanwezig was omdat ik de aankondiging niet had begrepen!
In november lichtte broeder Phillips mij erover in dat er voor mij een gelegenheid was om in Kimberley te pionieren en dat ik de volgende maand kon beginnen. Ik ging naar huis om afscheid van mijn familie te nemen. Ik moest mijn emoties beheersen omdat ik dacht dat ik hen vóór Armageddon misschien niet meer zou zien. Maar ik vertelde hun niet dat ik ging pionieren.
Op 1 december 1941, toen ik negentien jaar was, begon ik in Kimberley met mijn pionierscarrière. Vandaar schreef ik aan mijn ouders. Ik droeg mijn vader geen kwaad hart toe wegens de manier waarop hij mij behandeld had. Moeder antwoordde dat zij blij voor mij was dat ik kon doen wat altijd mijn hartewens was geweest. Ja, ik had „heerlijke verrukking in Jehovah” gevonden, want hij had mij de ’bede van mijn hart’ — de volle-tijdbediening — gegeven.
Ik ontvang nog een ’bede van mijn hart’
In 1942, op het eerste nationale congres in Johannesburg dat ik bijwoonde, symboliseerde ik mijn opdracht aan God door middel van de waterdoop. Twee jaar later ontmoette ik een jonge pionierster, Lina Muller. Wij voelden ons tot elkaar aangetrokken, maar wij kwamen overeen dat wij tot na de grote verdrukking zouden wachten voordat wij ernstig over trouwen zouden gaan denken.
In 1945 begon de openbare vergaderingenveldtocht. Ik verrichtte dienst in Vereeniging, met twee andere pioniers, onder andere met Frans Muller, Lina’s broer. Toen wij voor het eerst over deze nieuwe veldtocht hoorden, waren wij het er met elkaar over eens dat dit niets voor ons was — wij hadden geen ervaring als openbare sprekers. Aangemoedigd door het Genootschap zochten wij echter lezingen uit. Om de voordracht te oefenen, kozen wij een rustig plekje in de buurt van de Vaalrivier, waar wij ons „publiek” — de rivier — toespraken! Onze moeite werd rijk beloond, want een maand later kwamen 37 personen naar de eerste lezing in plaats van de vier of vijf personen die onze groepsbijeenkomst gewoonlijk bijwoonden!
In 1947 kreeg ik het kringwerk als toewijzing. Het volgende jaar trouwden Lina en ik. Sindsdien heeft mijn lieve vrouw mij altijd terzijde gestaan als een uiterst loyale metgezellin. Aldus werd mij nog een ’bede van mijn hart’ gegeven.
Belangrijke lessen leren
In 1953 ontvingen Lina en ik het grote voorrecht het „Nieuwe-Wereldmaatschappij”-congres in New York (VS) bij te wonen — onze eerste reis naar het buitenland. Bij die gelegenheid haalden onze christelijke broeders ons van de haven af om ons naar het huis van het zwarte Getuigengezin te brengen bij wie wij logeerden. Wat zijn wij veel van die lieve broeders en zusters gaan houden!
Deze ervaring heeft ons bijzonder geholpen toen ik later als districtsopziener dienst verrichtte voor de zwarte Getuigen in Zuid-Afrika, waar wij vaak in heel eenvoudige huizen werden ontvangen en soms op de vloer zaten en één keer zelfs op de vloer hebben geslapen.
Sinds 1966 dienen mijn vrouw en ik hier in Zuid-Afrika op Bethel. Aangezien ik ongeveer twintig jaar als reizende opziener dienst had verricht, had ik er in het begin moeite mee mij aan het leven op Bethel aan te passen. Ik vond het heerlijk om buiten te prediken, te onderwijzen en anderen op te leiden. Maar met het verstrijken van de tijd leerde ik de Betheldienst intens te waarderen. Na verloop van tijd ontving ik het voorrecht op de dienstafdeling te werken en nu geniet ik al enige jaren het voorrecht een lid van het bijkantoorcomité te zijn.
Als ik terugkijk, kan ik mij herinneren dat wij in 1942, toen wij nog in Kimberley waren, over de dood van de president van het Genootschap, J. F. Rutherford, hoorden. In een nieuwsbericht werd opgemerkt: ’Nu de leider van Jehovah’s Getuigen dood is, zal de organisatie, net als een pompoen in de hete zon, verwelken en doodgaan.’ Hoe schitterend is de organisatie, in plaats daarvan, in de loop der jaren blijven bloeien — zelfs gedurende de verschroeiende hitte van vervolging! En wat een geweldige groei heeft zich in Zuid-Afrika voorgedaan sinds die vroege jaren in Bonnievale! Toen waren er ongeveer 1000 Getuigen in Zuid-Afrika; nu zijn er meer dan 36.000.
Wanneer ik nadenk over hetgeen Jehovah en zijn organisatie in de loop der jaren voor mij hebben gedaan en betekend, moedig ik al mijn jonge mede-Getuigen van harte aan om als dit maar enigszins mogelijk is plaats te maken voor de volle-tijddienst. Deze dienst brengt rijke beloningen met zich mee. Ik weet dat als ik heerlijke verrukking in het doen van Jehovah’s wil blijf scheppen, hij mij de bede van mijn hart — een eeuwigheid van vreugdevolle dienst — zal schenken.
[Inzet op blz. 9]
Wij leerden onze zwarte gastheer en gastvrouw kennen en innig liefhebben
[Inzet op blz. 12]
„Je zit daar als een huichelachtige engel”, schreeuwde mijn vader. „Was je toen maar wel gegaan en gesneuveld!”
[Inzet op blz. 13]
Hoe schitterend is de organisatie in de loop der jaren blijven bloeien — zelfs gedurende de hitte van vervolging!
[Illustratie op blz. 10]
P. J. Wentzel en zijn vrouw Lina