„Het Woord was bij God, en het Woord was . . .”?
ER ZIJN weinig passages in de bijbel waaraan door de kerken van de christenheid meer aandacht is besteed dan aan Johannes 1:1. In veel bijbelvertalingen stemt dit vers overeen met de vertolking van de Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap: „In den beginne was het Woord en het Woord was bij God [ὁ θεός] en het Woord was God [θεός].”
Velen die de Drieëenheid aanvaarden, wijzen op deze passage ter ondersteuning van hun leerstuk. Het vers is echter in sommige vertalingen anders weergegeven, vanuit de erkenning dat het oorspronkelijke Grieks een verschil te zien geeft dat in vertalingen zoals de bovenstaande verborgen blijft.
In 1984 verscheen een Engelse vertaling uit het Duits van een commentaar door de geleerde Ernst Haenchen (Das Johannesevangelium. Ein Kommentar). Het geeft Johannes 1:1 als volgt weer: „In het begin was de Logos, en de Logos was bij God, en goddelijk [van goddelijke natuur] was de Logos.” — John 1. A Commentary on the Gospel of John Chapters 1-6, blz. 108, vertaald door Robert W. Funk.
Dit commentaar vergelijkt Genesis 1:1 met het eerste vers van het Johannesevangelie en merkt daarbij op: „Johannes 1:1 spreekt echter over iets wat in de oertijd reeds bestond; verbazingwekkenderwijs is het niet ’God’. . . . De Logos (wij hebben noch in het Duits noch in het Engels een woord dat alle betekenisnuances van de Griekse term dekt) wordt daardoor tot zulke hoogten verheven, dat het bijna aanstootgevend wordt. De term wordt alleen verdraaglijk gemaakt dank zij de voortzetting met ’en de Logos was in de tegenwoordigheid van God’, nl. in innige, persoonlijke vereniging met God.”
Klinkt dat alsof de geleerde Haenchen in het Grieks enig verschil ontwaarde tussen God en de Logos, ofte wel het Woord? De volgende woorden van de auteur concentreren zich op het feit dat in de oorspronkelijke taal geen bepaald lidwoord wordt gebruikt bij het woord theʹos, of god, in het laatste zinsdeel. De auteur zet uiteen:
„Ten einde misverstanden te voorkomen, kan hier ook nog vermeld worden dat θεός [theʹos] en ὁ θεός [ho theʹos] (’god, goddelijk’ en ’de God’) in deze volzin niet hetzelfde waren. Daarom schreef Philo: de λόγος [Logos] betekent slechts θεός (’goddelijk’) en niet ὁ θεός (’God’), aangezien de logos niet in absolute zin God is. . . . Ook Orígenes interpreteert in deze trant: de Evangelist zegt niet dat de logos ’God’ is, maar slechts dat de logos ’goddelijk’ is. Zowel voor de auteur van de hymne [in Johannes 1:1] als voor de evangelist was trouwens alleen de Vader ’God’ (ὁ θεός; vgl. 17:3); ’de Zoon’ was ondergeschikt aan hem (vgl. 14:28). Maar dat wordt in deze passage slechts aangestipt, want de nadruk ligt hier op het in elkaars nabijheid zijn.”
Vervolgens merkt Haenchen op: „Het was in het joodse en christelijke monotheïsme heel goed mogelijk over goddelijke wezens te spreken die naast en onder God bestonden maar niet identiek met hem waren. Fil. 2:6-10 bewijst dat. Daar beschrijft Paulus precies zulk een goddelijk wezen, dat later als mens Jezus Christus werd. . . . Het is dus zowel in Filippenzen als in Johannes 1:1 geen kwestie van een dialectische relatie tussen twee-in-één maar van een persoonlijke vereniging van twee afzonderlijke wezens.” — blz. 109, 110.
In plaats van te zeggen dat de Logos (Jezus) bij God was en God was, verklaart Johannes 1:1 dan ook dat de Logos bij de Almachtige God was en goddelijk, ofte wel een god was.