Jehovah heeft grote dingen voor ons gedaan
EEN militaire regering die een jaar of zeven de facto heeft geregeerd. Oorlog in het zuidelijk deel van de Atlantische Oceaan. Een inflatie van rond de 500 procent per jaar. Al deze dingen heeft Argentinië in de afgelopen tien jaar doorgemaakt.
De financiële moeilijkheden zijn thans nog niet afgenomen. Maar er is een republikeinse regering aan het bewind en er woedt geen oorlog. De dertig miljoen inwoners van het land zien de toekomst daarom met meer optimisme tegemoet. Sommigen in het bijzonder voelen zich weergaloos gelukkig. Waarom? Wegens de grote dingen die Jehovah God heeft gedaan.
Met Gods zegen verbreiden thans zo’n 55.000 getuigen van Jehovah zeer verheugend goed nieuws in dit Zuidamerikaanse land. Dit is er de oorzaak van dat zoveel inwoners van Argentinië grote vreugde in het leven hebben gevonden.
De eerste zaden worden gezaaid
De Koninkrijksprediking in dit land is begonnen in 1924, toen J. F. Rutherford (de toenmalige president van het Wachttorengenootschap) Juan Muñiz hierheen zond om de Koninkrijksbelangen te behartigen. Ongeveer een jaar later kwam Carlos Ott hierheen en begon het goede nieuws onder de Duits-sprekende bevolking te verbreiden. Zo werden in Argentinië de eerste zaden van Koninkrijkswaarheid gezaaid.
Tegen 1945 waren er in Argentinië 363 Koninkrijksverkondigers. Het volgende jaar gaf de komst van zendelingen te zien, gegradueerden van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead. Broeder Gwaenydd Hughes en zuster Ofelia Estrada, allebei uit Argentinië afkomstig, waren de eersten van een lange rij gegradueerden van Gilead die in dit land kwamen dienen. Tot hen behoren Charles en Lorene Eisenhower, evenals Helen Wilson, die allen in 1948 arriveerden. Na ongeveer 36 jaar zijn zij hier nog steeds actief in Jehovah’s dienst. Helen Nichols, die eveneens in 1948 arriveerde, heeft haar aardse loopbaan in 1974 beëindigd in haar zendingstoewijzing in Tucumán.
De eerste hinderpalen verrijzen
Toen onze aantallen stegen, namen veel jonge Getuigen die de leeftijd voor de militaire dienst hadden, hun neutrale standpunt als christenen in (Jesaja 2:2-4; Johannes 15:19). Dit stuitte op tegenstand. Niettemin werd het Wachttorengenootschap in 1950 wettelijk erkend, zij het slechts voor korte tijd. Later in dat jaar werd deze erkenning ingetrokken en de 33 daaropvolgende jaren hebben Jehovah’s Getuigen volhard zonder erkend te zijn.
Zelfs onder zulke moeilijke omstandigheden bleef het Koninkrijkspredikingswerk zich echter uitbreiden. In 1974 besloot het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen dat onze tijdschriften, De Wachttoren en Ontwaakt!, hier in het land zelf gedrukt zouden worden. Er werden daarom plannen gemaakt voor het installeren van de eerste offsetrotatiepers die ooit door het Genootschap is gebruikt. De pers zelf kwam uit Frankrijk, het vouwgedeelte uit Duitsland en het deel waar de nietjes werden aangebracht uit de Verenigde Staten. Al deze onderdelen werden door de respectieve bijkantoren van het Genootschap ten geschenke gegeven. Er moesten veel moeilijkheden overwonnen worden voordat wij onze eerste tijdschriften in Argentinië konden uitgeven, maar hoe groot was onze vreugde, toen De Wachttoren van 15 april 1975 van de pers rolde!
Jaren onder verbodsbepalingen
In 1976 sloot een nieuwe militaire regering onze Koninkrijkszalen. Onze kinderen werden van school gestuurd en overal in het land werden Jehovah’s Getuigen gearresteerd omdat zij het goede nieuws predikten. De climax kwam op 7 september 1976, toen de drukkerij en de kantoren van het Genootschap gesloten werden. Alleen het woongedeelte van de Bethelfamilie bleef open. Dit alles was het gevolg van een verordening die ’de activiteit van Jehovah’s Getuigen en het verbreiden en in het openbaar beoefenen van hun leerstellingen in het gehele domein van de natie ten strengste verbood’.
Zo begonnen er jaren van moeilijkheden. Toch was dit ook een tijd van geestelijke versterking en verrijking. Nooit tevoren hadden wij in de wereldse pers zoveel publiciteit gekregen. De krantekoppen zelf dragen bij tot het relaas van de gebeurtenissen die zich in de loop der jaren hebben voorgedaan: „Getuigen in de gevangenis wegens het afwijzen van de patriottische symbolen”; „Kinderen in de provincie van lagere school gestuurd”, „Jehovah’s Getuige weer als leerling toegelaten”; „Activiteit van Jehovah’s Getuigen toegestaan”.
In maart 1979 kwam het Hooggerechtshof tot een gunstige beslissing in de zaak Juan Carlos Barros contra de Nationale Onderwijsraad. De twee zoontjes van broeder Barros, Paul en Hugh (respectievelijk zeven en acht jaar oud), waren van school gestuurd omdat zij weigerden deel te nemen aan een ceremonie voor het hijsen van de vlag. (Vergelijk Exodus 20:4-6; Daniël 3:1, 16-18; 1 Johannes 5:21.) De beslissing van het hof luidde ten dele: „[Hun] handelingen, die in het onderhavige geval slechts van passieve aard waren, . . . kunnen niet als een weloverwogen uiting van gebrek aan eerbied voor de patriottische symbolen worden aangemerkt, maar geven veeleer blijk van gehoorzaamheid aan het ouderlijk gezag.” Aldus werd erkend dat bij het religieuze standpunt dat de kinderen van Getuigen innamen, op geen enkele manier sprake was van een gebrek aan eerbied voor de in Argentinië gebruikte nationale symbolen.
Het recht van onze jongeren werd ook bevestigd in de zaak Aurelio Francisco D’Aversa contra de Nationale Regering. De Raad van Onderwijzers had besloten het kind van broeder D’Aversa de toegang tot alle scholen in het land te ontzeggen, maar toen de zaak voor het Federale Hof van Appel kwam, werd er een gunstig vonnis geveld. Dat schiep enkele hoogst interessante precedenten. Na opgemerkt te hebben dat de meeste burgers van het land spontaan deelnemen aan het uiten van hun gevoelens ten aanzien van de nationale symbolen, zei rechter Tonelli: „Anderzijds zou het voor het geweten van de meerderheid die diepgewortelde patriottische overtuigingen heeft, aanstootgevend zijn te zien hoe iemand tegen zijn innerlijke geloofsovertuiging in en onoprecht uiting gaf aan soortgelijke gevoelens.” Rechter Barletta constateerde „het ontbreken van feiten die wijzen op minachting, gebrek aan eerbied of een openbaar vertoon daarvan door de leerling D’Aversa”. Het Hooggerechtshof heeft deze uitspraak later bevestigd.
Klaarblijkelijk was het verbod van 1976 op ons werk er de oorzaak van dat het aantal lofprijzers van Jehovah daalde van 33.503 in dat jaar tot 31.846 in 1977. Maar toen de broeders eenmaal aan de nieuwe omstandigheden gewend raakten, werd de Koninkrijksprediking met hernieuwde kracht voortgezet.
Na verloop van tijd begonnen wij zelfs kleine congressen te houden, eerst alleen met de ouderlingen en hun echtgenotes, later in aanwezigheid van alle leden van de gemeenten. Deze grotere vergaderingen werden op de meest onwaarschijnlijke plaatsen gehouden — in geïsoleerde plattelandsgebieden, in schuren die voor het scheren van schapen werden gebruikt en zelfs in kippenhokken. Wat een gelukkige dagen beleefden wij wanneer wij gezamenlijk van geestelijk onderricht genoten!
Maar wat nog belangrijker was — wij hebben nooit een uitgave van De Wachttoren bij onze wekelijkse studie hoeven missen. De tijdschriften werden op verschillende plaatsen op kleine offsetpersen gedrukt. Dit alles gaf heel wat werk en dikwijls liepen onze broeders hierdoor gevaar hun vrijheid te verliezen. In die tijd stonden in de kranten lijsten van duizenden vermiste personen, maar er verdween geen enkele getuige van Jehovah. Ondanks alle hinderpalen waarmee Gods volk te maken kreeg, beleefde het van 1977 tot 1984 een toename van 57 procent doordat meer dan 18.000 nieuwe Koninkrijksverkondigers zich in hun rijen schaarden.
Volledige vrijheid verleend
In feite kwam onze vrijheid in twee fases. Eerst hief het militaire de facto regerende regime op 12 december 1980 het verbod op. In die fase was ons werk niet meer verboden, maar nog steeds niet wettelijk erkend. Ten slotte erkende de huidige regering de Vereniging van Jehovah’s Getuigen. Deze stap werd op 9 maart 1984 gedaan door Dr. María T. de Morini, staatssecretaris voor Godsdienstzaken.
Nu lagen dus de lange jaren van strijd om wettelijke erkenning achter ons. Voor het eerst konden onze Koninkrijkszalen met naamborden worden aangeduid. Ja, de bekendmaking van onze wettelijke registratie maakte dat wij ons voelden als ’degenen die droomden, en onze tong werd met vreugdegeroep vervuld’! Waarlijk, ’Jehovah had iets groots voor ons gedaan’. — Vergelijk Psalm 126:1, 2.
Verheugd over Koninkrijkstoename
Met de wettelijke erkenning is er een grootse Koninkrijkstoename gekomen. Daarom werden er plannen gemaakt voor de bouw van onze eerste Congreshal, in de buurt van Moreno, een kilometer of veertig van Buenos Aires. Deze zaal zal plaats bieden aan 2200 personen. Op hetzelfde terrein staat ook een boerderij die een groot deel van het voor de 78 leden tellende Bethelfamilie benodigde voedsel levert.
Het dienstjaar 1985 begon met een nieuw hoogtepunt in Koninkrijksverkondigers, die in december het aantal van 51.962 bereikten. Het aantal gemeenten steeg tot 730. Wat waren wij gelukkig toen er in 1985 135.379 personen bijeen waren voor de Gedachtenisviering van Christus’ dood! En in januari 1985 eindigde onze reeks van negen „Koninkrijkstoename”-districtscongressen met een totaal van 97.167 aanwezigen — 17.000 meer dan het jaar ervoor.
Deze toename maakte de bijkantoorfaciliteiten ontoereikend voor onze behoeften. Wij konden een gebouwencomplex kopen om als drukkerij en kantoorruimte te gebruiken. Op een aangrenzend terrein zijn wij van plan een gebouw van tien verdiepingen op te trekken om de Bethelfamilie te huisvesten.
Wij hopen dat de nieuwe faciliteiten ons in staat zullen stellen de Koninkrijksbelangen in Argentinië goed te behartigen. En wij zien de toekomst optimistisch tegemoet, werkelijk dankbaar voor de grote dingen die Jehovah doet voor hen die hem liefhebben.
[Illustratie op blz. 29]
Krantekoppen boekstaven de problemen onder het verbod en het uiteindelijke herstel van godsdienstvrijheid