Jezus’ leven en bediening
Het beloofde kind
IN PLAATS van naar Nazareth terug te keren, blijven Jozef en Maria in Bethlehem. En als Jezus acht dagen oud is, laten zij hem besnijden, zoals de Wet die God aan Mozes gegeven heeft, voorschrijft. Blijkbaar is het ook de gewoonte dat een pasgeboren jongetje op de achtste dag zijn naam krijgt. Zij noemen hun kind dus Jezus, zoals de engel Gabriël hun indertijd had opgedragen.
Er gaat meer dan een maand voorbij, en Jezus is veertig dagen oud. Waar gaan zijn ouders nu met hem naar toe? Naar de tempel in Jeruzalem, slechts een paar kilometer van de plaats waar zij verblijven. Volgens de Wet die God aan Mozes gegeven heeft, is een moeder verplicht om veertig dagen na de geboorte van een zoon een reinigingsoffer in de tempel aan te bieden.
Dat doet Maria nu. Maar als offergave brengt zij twee kleine vogels. Dit vertelt ons iets over de economische omstandigheden van Jozef en Maria. De Wet van Mozes zegt dat er een jonge ram geofferd moest worden, een dier dat veel kostbaarder is dan een paar vogels. Maar als de moeder dit niet kon betalen, waren twee duiven of tortelduiven voldoende.
In de tempel neemt een oude man Jezus in zijn armen. Simeon heet hij. God heeft hem geopenbaard dat hij niet zal sterven voordat hij de door Jehovah beloofde Christus of Messías gezien heeft. Als Simeon op deze dag naar de tempel komt, wordt hij door heilige geest naar het kind geleid dat Jozef en Maria bij zich hebben.
Terwijl Simeon Jezus in zijn armen houdt, dankt hij God en zegt: ’Gij hebt uw belofte gehouden, want ik heb met mijn eigen ogen het middel tot redding gezien dat gij hebt bereid.’ Jozef en Maria zijn heel verwonderd als zij dit horen. Dan zegent Simeon hen en zegt tot Maria dat haar zoon „wordt gelegd tot de val en het wederom opstaan van velen in Israël” en dat haar ziel doorboord zal worden door verdriet, als door een scherp zwaard.
De 84-jarige profetes Anna is bij deze gelegenheid aanwezig. Zij ontbreekt trouwens nooit in de tempel. Nu komt zij dichterbij en begint God te danken en tegen iedereen die luisteren wil, over Jezus te spreken.
Wat hebben deze gebeurtenissen in de tempel Jozef en Maria gelukkig gemaakt! Ze vormen voor hen beslist een bevestiging te meer dat het kind Degene is die door God is beloofd. Lukas 2:21-38; Leviticus 12:1-8.
◆ Wanneer kreeg een pasgeboren Israëlitisch jongetje blijkbaar zijn naam?
◆ Wat moest een Israëlitische moeder doen als haar zoon veertig dagen oud was, en wat komen wij hierdoor te weten over Maria’s economische omstandigheden?
◆ Welke twee personen beseften bij deze gelegenheid wie Jezus was, en hoe lieten zij dit merken?