Adam en Eva — Mythe of werkelijkheid?
„IS HET niet lijnrecht in tegenspraak met de bijbel wanneer men zegt dat Adam en Eva uit het dierenrijk zijn voortgekomen?” Deze vraag die door het rooms-katholieke dagblad La Croix wordt opgeworpen, stelt in een notedop het probleem vast waarmee veel christenen zich geconfronteerd zien. Zij vragen zich af wat het christendom nog te betekenen heeft als de schepping in twijfel wordt getrokken.
Om een beter begrip te krijgen van de problemen die erbij betrokken zijn, zullen wij moeten onderzoeken wat de bijbel over het onderwerp zonde en dood te zeggen heeft. Allereerst dienen wij terug te gaan naar het verslag over de gebeurtenissen in de tuin van Eden.
Zonde en de losprijs
Genesis hoofdstuk 2 vertelt dat God de eerste mens een gebod gaf. Hij mocht niet eten van een bepaalde boom die „de boom der kennis van goed en kwaad” wordt genoemd (Genesis 2:17). Zoals The Jerusalem Bible in een voetnoot uiteenzet, matigde de mens zich toen hij Gods gebod overtrad een recht aan dat hem niet toekwam, „het vermogen om zelf te beslissen wat goed en wat kwaad is en dienovereenkomstig te handelen, het aanspraak maken op volledige morele onafhankelijkheid, waardoor men weigert zijn status als geschapen wezen te erkennen”.
Door ongehoorzaam te zijn aan Gods wet, zondigde Adam en werd hij er de oorzaak van dat de mens onvolmaakt werd en, zoals God had voorzegd, uiteindelijk moest sterven. Doordat het eerste mensenpaar zijn volmaaktheid verloren had, kon het slechts onvolmaaktheid aan zijn nageslacht doorgeven. Alle toekomstige nakomelingen van Adam en Eva — met andere woorden het gehele mensdom — zouden gedoemd zijn te sterven. — Genesis 3:6; Psalm 51:5; Romeinen 5:14, 18, 19.
Hoe zou de mensheid ooit weer de hoop op het eeuwige leven dat Adam verbeurd had, kunnen krijgen? Het beginsel van „leven om leven” dat onder woorden werd gebracht in de wet die God door bemiddeling van Mozes gegeven had, maakte duidelijk wat er vereist was: er moest een volmaakt leven geofferd worden voor het volmaakte leven dat Adam verloren had (Deuteronomium 19:21, Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap). Jezus, de fundamentsteen van het christendom, kon volledig aan dit vereiste voldoen. Alleen hij kon, omdat hij vrij was van zonde en onvolmaaktheid, een volmaakt menselijk leven offeren als „een overeenkomstige losprijs voor allen” (1 Timótheüs 2:5, 6). Christus toonde aan dat dit een van de voornaamste doeleinden was waarvoor hij naar de aarde was gekomen, toen hij verklaarde: „De Zoon des mensen [is] niet gekomen . . . om gediend te worden, maar om te dienen en zijn ziel te geven als een losprijs in ruil voor velen.” — Matthéüs 20:28.
Ditzelfde vereiste — namelijk dat de losprijs aangeboden moest worden door iemand die superieur was aan de onvolmaakte mens — wordt ook duidelijk gemaakt in Psalm 49:7, waar wij over het lot van de mens lezen: „Niet één van hen kan zelfs ook maar een broeder op enigerlei wijze loskopen, noch God een losprijs voor hem geven.” Waarom kan niemand ’een broeder loskopen’? Eenvoudig omdat geen enkel onvolmaakt leven ooit zou kunnen opwegen tegen het volmaakte leven dat Adam verloren heeft.
Twee zwaarwegende bewijzen
Door te onderzoeken wat de apostel Paulus en Christus zelf over het onderwerp gezegd hebben, kunnen wij zelf beoordelen of het verslag over Adam en Eva symbolisch was en of zij al dan niet werkelijk bestaan hebben.
De apostel Paulus trekt een parallel tussen de rol die Adam heeft gespeeld en de rol van Jezus, door te verklaren: „Door één mens [Adam] is de zonde in de wereld gekomen en met [door, NW] de zonde de dood . . . Door toedoen van één mens begon de dood te heersen, als gevolg van de val van die mens. Zoveel heerlijker zullen zij die de overvloed der genade en de gave der gerechtigheid ontvangen, leven en heersen, dank zij de ene mens Jezus Christus” (Romeinen 5:12, 17, Willibrordvertaling). Ditzelfde punt brengt hij onder de aandacht in een van zijn andere brieven, waar hij Jezus „de laatste Adam” noemt, daarmee aantonend dat alleen Jezus kon terugkopen wat Adam verloren had. Vervolgens, na zijn opstanding tot geestelijk leven in de hemel, kon Jezus „een levengevende geest” worden ten behoeve van allen die worden gered (1 Korinthiërs 15:45). Indien Adam slechts een symbool voor de gehele mensheid was of een „collectief wezen”, zoals een voetnoot in de Franse oecumenische bijbelvertaling Traduction Œcuménique de la Bible het uitdrukt, welke basis zou er dan zijn voor de redenering van de apostel Paulus?
Het belangrijkste getuigenis omtrent de authenticiteit van het Genesisverslag over Adam en Eva werd echter door Christus zelf verschaft, die ernaar verwees toen hij door de religieuze leiders van zijn tijd werd ondervraagd. Hij verklaarde: „Hebt gij niet gelezen [in Genesis], dat de Schepper in het begin hen als man en vrouw gemaakt heeft en gezegd heeft: Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten om zich te binden aan zijn vrouw en deze twee zullen worden één vlees? . . . Wat God derhalve heeft verbonden, mag een mens niet scheiden” (Matthéüs 19:4-6, WV). Het is toch ondenkbaar dat Jezus zijn leer over de heiligheid van het huwelijk zou baseren op iets figuurlijks of iets mythologisch?
Wijsheid van de wereld of wijsheid van God?
De Franse jezuïetenpriester Teilhard de Chardin heeft een van de grootste omwentelingen in het katholieke denken teweeggebracht. Hij beschouwde de evolutie als een geleidelijk opklimmen tot een geestenbestaan. Volgens zijn theorie evolueren levensvormen; ze doorlopen de fasen van dier en mens en zijn uiteindelijk bestemd om verenigd te worden in een brandpunt „omega” — Christus. Hoewel de theorie aanvankelijk door de kerk werd veroordeeld, heeft ze de bijval van veel katholieke geestelijken verworven. Ze was echter duidelijk in strijd met het bewijsmateriaal uit de Schrift en wierp smaad op God zelf, door te ontkennen dat de losprijs noodzakelijk was om mensen volmaakt menselijk leven terug te geven.
Deze pseudo-wetenschappelijke theorie heeft voor de kerk zeer ernstige gevolgen gehad. Zoals in het boek L’épopée des adamites (Het epos der Adamieten) van de hand van Jean Rondot werd uiteengezet: „Alle opstandige of revolutionaire tendensen in de Kerk, zowel onder de geestelijkheid als onder de leken, stortten zich letterlijk in de bres die door Teilhard was geslagen. Waarom zou men, nu er een zekere vrijheid in het interpreteren van de Schrift werd toegestaan (zelfs indien dat betekende dat men de geest van de tekst geweld moest aandoen), daar niet zo goed mogelijk gebruik van maken en een nieuwe religie ontwikkelen die met de persoonlijke smaak overeenstemde?”
De vrucht van deze tendens treedt in deze tijd bijzonder duidelijk aan het licht. In 1980 bleek uit een door een belangrijke Franse instelling gehouden opinieonderzoek dat slechts 40 procent van de Franse katholieken in Adam en Eva en de erfzonde geloofde. Andere, al even belangrijke terreinen, waren eveneens door twijfel besmet, aangezien nu nog slechts 59 procent van de katholieken in Frankrijk in de fundamentele christelijke leerstelling van de opstanding van Jezus Christus geloofde.
Verre van zich strikt aan de schriftuurlijke leer te houden, geven de verschillende kerken die de evolutietheorie hebben aangenomen, er blijk van dat ze er vooral op uit zijn populaire modefilosofieën te omhelzen. Paulus waarschuwde de vroege christenen tegen dat soort denken. Hij bracht de Korinthiërs in herinnering dat het christendom niets gemeen had met de opvattingen of filosofieën die in zijn tijd in de mode waren. Hij schreef: „Waar is de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de debatvoerder van dit samenstel van dingen? Heeft God de wijsheid van de wereld niet dwaas gemaakt? . . . Want de joden vragen om tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, maar wij prediken een aan de paal gehangen Christus, . . . voor de natiën dwaasheid.” — 1 Korinthiërs 1:20-23.
Zo kan ook in deze tijd het najagen van een dergelijke „wijsheid van de wereld” de mens geen kennis van God schenken noch tot Zijn goedkeuring leiden. (Vergelijk Johannes 17:3.) Redding die tot eeuwig leven leidt, is beschikbaar voor allen die het offer van Christus, de losprijs die hij betaalde om het volmaakte leven terug te kopen dat Adam verloren heeft, ten volle aanvaarden. Alleen op basis van dit offer kunnen mensen tot God naderen en kunnen hun zonden hun vergeven worden. De apostel Petrus was hier volstrekt van overtuigd toen hij ten overstaan van de in Jeruzalem bijeenvergaderde religieuze leiders verklaarde: „Er [is] in niemand anders [dan Jezus] redding, want er is onder de hemel geen andere naam die onder de mensen is gegeven, waardoor wij gered moeten worden.” — Handelingen 4:12.
Honderdduizenden mensen hebben hun vertrouwen reeds in deze „levengevende geest” gesteld. Zij zien vol verlangen uit naar de nabije toekomst, wanneer het Paradijs op aarde hersteld zal worden en zij de vervulling zullen kunnen beleven van de hoop die Adam verloor, de hoop om eeuwig op aarde te leven. U kunt zich deze uitermate belangrijke bijbelkennis eigen maken, indien u dit nog niet gedaan hebt, door gratis met Jehovah’s Getuigen te studeren en door hun christelijke vergaderingen te bezoeken. Aldus zult u leren wat er vereist is om een van Jezus’ discipelen te worden. Door bemiddeling van hem, „de laatste Adam”, kunt u schitterende zegeningen van God beërven. — 1 Korinthiërs 15:45; Openbaring 21:3, 4.
[Illustratie op blz. 6]
Jezus was precies gelijk aan de volmaakte mens Adam