Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w84 1/10 blz. 21-24
  • Op zoek naar een reden om te leven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Op zoek naar een reden om te leven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1984
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Mijn jeugdjaren
  • De verschrikkingen van de oorlog
  • Religieuze huichelarij
  • Nog steeds op zoek
  • Ik vind een reden om te leven
  • Eens een soldaat van de keizer, nu een soldaat van Christus
    Ontwaakt! 1973
  • Vol levensvreugde, ondanks mijn handicap
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
  • Ik leefde om te vliegen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • Hoe mensen in vrede met elkaar kunnen leven
    Ontwaakt! 1994
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1984
w84 1/10 blz. 21-24

Op zoek naar een reden om te leven

Zoals verteld door Gerhard Pluntke

IK WAS op de terugweg naar ons legerkamp aan het Russische front toen er een hevig bombardement begon. Twee granaten explodeerden in de bomen vlak boven mij. Door de eerste belandde ik tussen twee bomen en er drongen verscheidene grote scherven in mijn lichaam. De tweede doorboorde mijn been, een scherf ging er dwars doorheen. De pijn was ondraaglijk.

Ik kon mij niet bewegen. Pas toen het bombardement was opgehouden, kon ik uit mijn kwellende positie worden bevrijd. Na eerstehulpverlening begon de tocht naar het hospitaal. Twee man moesten mij urenlang op een brancard door gevaarlijk gebied dragen. Zij raakten verdwaald. Steeds weer vielen zij. Zij moesten bescherming zoeken tegen vijandelijke aanvallen — het werd een tocht die zelfs moeilijk te beschrijven valt.

Uiteindelijk belandde ik in een ziekenhuis in Zuid-Duitsland. Wij lagen met zijn vieren op de kamer en het bleek dat wij, na zulke verschrikkelijke dingen te hebben meegemaakt, allemaal geestelijke honger hadden. Wij lazen veel boeken over religie, occultisme, filosofie en dat soort onderwerpen. Wij spraken uitvoerig over deze dingen. Maar niemand kon mij antwoord geven op een vraag die mij dwars zat: Wat is het doel van het leven?

Dit is allemaal vele jaren geleden gebeurd, toen ik tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Duitse leger diende. Nu heb ik echter wel een reden om te leven, een krachtige reden. Hoe ik die heb gevonden?

Mijn jeugdjaren

Religie speelde bij ons thuis geen rol, hoewel wij in naam bij de Lutherse Kerk behoorden, de voornaamste religie in Noord-Duitsland, waar ik ben geboren. In plaats daarvan richtte mijn belangstelling zich op sport en uitgaan, en de stad Hamburg bood daar meer dan voldoende gelegenheid toe.

De grote verandering in mijn leven kwam in 1939 bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Omdat mijn beroep, werktuigkundige, erg gespecialiseerd was, kreeg ik de eerste twee jaar vrijstelling van militaire dienst. Maar toen de oorlog aan hevigheid won, werd ik voor een militaire opleiding bij een regiment infanterie opgeroepen. Tot op die tijd was er heel wat enthousiasme onder de jeugd in Duitsland. Voor mij had de training veel weg van een sport. Maar spoedig zouden mijn ogen opengaan voor wat oorlog werkelijk inhield!

Die tijd kwam toen onze training ophield en wij naar het Russische front werden overgebracht. Nog zie ik mijn moeder met tranen in haar ogen staan toen de trein vertrok. Zij wist wat erbij betrokken was. Zij had de Eerste Wereldoorlog meegemaakt, waarin mijn vader had gevochten.

De verschrikkingen van de oorlog

Het kostte ons vier dagen om in Rusland te komen, en toen begon zowel de moeilijkste tijd van mijn leven als de tijd waarin mijn persoonlijkheid de grootste veranderingen onderging.

Wij kwamen aan in Noord-Rusland. Het gebied was een drassige wildernis. De trein bracht ons slechts voor een gedeelte op weg; daarna werden wij per truck dichter bij de gevechtslinies gebracht. Het laatste stuk moesten wij lopen. Eén nacht liepen wij 51 km, met zware bepakking.

Wij nieuwelingen werden verspreid over verscheidene legereenheden die zware verliezen hadden geleden. Ik werd bij een verbindingscompagnie ingedeeld die aan het eigenlijke gevechtsfront lag. Hoe anders was het om de realiteit van de oorlog onder de ogen te zien!

Wij moesten een stuk land oversteken dat voor de Russen goed te overzien was, en daar kreeg ik mijn „vuurdoop”. De Russische artillerie gaf ons zo’n „warm” onthaal, dat ons aanvankelijke enthousiasme snel bekoelde! Dit leek in het geheel niet op de opleiding bij ons regiment. Nu was het een zaak van leven of dood!

Nooit zal ik die eerste lijken vergeten. Het waren klaarblijkelijk Russische soldaten van wie de lichamen niet waren begraven. Hoewel de dood daarna een altijd nabije metgezel was, kon ik toch niet gewend raken aan die afschuwelijke taferelen, de verminkte resten van de gesneuvelden. Het scheen mij zo’n schande toe dat deze jonge mannen dood waren. Het deed mij pijn als ik aan de ouders dacht die hen nooit terug zouden zien, en aan de gezinnen die man en vader verloren hadden.

De vraag drong zich aan mij op: Waarom leven wij, en waarom worden er in oorlogstijd zulke wreedheden begaan? Het kwam mij zo absurd voor dat ik mensen moest doden die ik nog nooit van mijn leven had gezien, die mij nooit enig kwaad hadden gedaan, die een gezin hadden dat van hen hield en dat vol spanning op hun thuiskomst wachtte. Het was precies het tegenovergestelde van de morele gedragslijn die ons vroeger was ingeprent!

Als in vredestijd iemand een ander zou doden, dan werd de moordenaar een zware straf opgelegd, mogelijk de doodstraf. Maar nu, in oorlogstijd, verplichtten dezelfde autoriteiten die moord veroordeelden, ons ertoe onbekende en onschuldige mensen te doden. En in plaats van straf kregen wij eretekens; hoe meer mensen gedood, hoe meer eer! Oorlog is absolute waanzin!

Religieuze huichelarij

Aan het front onderhielden wij de telefoonverbindingen met de verschillende gevechtseenheden, en het was mijn taak om die verbindingen in stand te houden. Het was een eindeloze taak omdat de kabels voortdurend door granaten werden vernield. Op mijn ronden om de kabels te repareren, stuitte ik op veel graven van Duitse soldaten. Ze waren te herkennen aan een ruw, van takken gemaakt kruis waaraan de stalen helm van de dode soldaat hing — of in ieder geval wat er na een beschieting nog van over was. Ik had in mijn leven nog nooit tot God gebeden. Ik wist niet eens tot wie ik moest bidden. Maar vaak stond ik naast die graven in stilte tot een onbekende God te bidden en vroeg ik hem wat de zin van het leven was.

Er was nog iets dat met mijn denkwijze botste. Volgens de preken van de lutherse dominees en de katholieke pastoors stond God aan de Duitse kant in de oorlog; hij zou ons de uiteindelijke overwinning op onze vijanden geven. Op de gesp van de koppelriem die elke Duitse soldaat droeg, stonden zelfs de woorden Gott mit uns gegraveerd.

Maar wij wisten dat onze „vijanden” dezelfde religie hadden als wij. En de dominees en pastoors aan hun kant verkondigden dezelfde woorden, zij het dan dat voor hen wij de vijand waren die Gods straf verdiende. Het bedrog van deze geestelijken was zo duidelijk. „Wat een huichelaars!” dacht ik. Niettemin bleef ik mij steeds maar weer afvragen: „Waarom gebeurt dit allemaal? Wat is het doel van het leven?” Niemand kon mij een bevredigend antwoord geven.

Nog steeds op zoek

De verliezen aan mensenlevens waren erg groot. Van de ongeveer 180 man waaruit onze compagnie in het begin bestond, waren er slechts vijf over. En de overigen? Die waren dood of gewond. Maandenlang leefden wij in de bossen. Elk gat dat wij groeven, vulde zich onmiddellijk met water. Om te kunnen slapen, moesten wij takken van de bomen kappen en daarvan een laag op de grond leggen die dik genoeg was om ons tegen het water te beschermen. Ik weet niet hoe wij erin geslaagd zijn lichamelijk gezond te blijven. Wij stonden ook onder een enorme geestelijke druk. Wij wisten dat elke minuut de laatste kon zijn.

Uiteindelijk was ook mijn tijd gekomen — de granaataanval waardoor ik in het ziekenhuis in Zuid-Duitsland terechtkwam. Toen ik, na vele maanden in het ziekenhuis gelegen te hebben, naar Hamburg terug kon gaan, was ik niet in staat om verder nog aan de oorlog deel te nemen.

De oorlog eindigde en ik besloot dat ik nooit meer in mijn leven een wapen zou opnemen. Ik bleef zoeken naar de zin van het leven, energieker dan ooit. Ik werd lid van een kosmologische vereniging. Wij bestudeerden occultisme, astrologie en nog veel meer thema’s. Maar niets vormde het antwoord op mijn fundamentele vraag: Waarom leven wij?

In 1947 trouwde ik met Dolly, het meisje waar ik verkering mee had gehad. Maar ons geluk werd onderbroken omdat ik besloot om overzee een betere horizon te zoeken. Mijn doel was Zuid-Amerika — Chili om precies te zijn.

Zo kwam ik in 1949 in Valparaíso aan en ik begon een nieuw leven op te bouwen. Mijn vrouw arriveerde een jaar later, toen ik economisch vaste voet had gekregen. Maar wij misten nog steeds iets, iets belangrijks — een reden om te leven. Er waren veel nachten dat ik, voor ik naar bed ging, uit het raam van onze slaapkamer keek, mijn ogen opsloeg naar de sterrenhemel en tot een God bad die nog steeds onbekend voor mij was. Ik had er geen flauw idee van hoe spoedig ik een reden om te leven zou vinden.

Ik vind een reden om te leven

In 1953 accepteerde ik een bijbelstudie met een van Jehovah’s Getuigen. Er was een kleine gemeente in Valparaíso, en een Duitse Getuige studeerde met mij in mijn eigen taal. Hoe verrukt was ik toen hij mij voor het eerst vertelde, dat Jehovah’s Getuigen neutraal zijn als het op wereldse aangelegenheden aankomt. Dat kwam heel sterk overeen met mijn denkwijze. — Johannes 15:19; 17:14, 16.

Maar ik had nog een lange weg te gaan. Nog nooit had ik de bijbel gelezen. Het viel mij erg moeilijk de bijbel als Gods Woord te aanvaarden en veranderingen in mijn leven aan te brengen. Bij elke studie argumenteerde ik tot twee of drie uur in de ochtend. Ik schafte mij een Duitse bijbel aan en las die in een paar maanden tijd helemaal uit. Ik confronteerde de Getuige met de „tegenstellingen” die ik had gevonden. Maar beetje bij beetje werd ik gedwongen toe te geven dat de „tegenstellingen” die ik zag, in werkelijkheid toe te schrijven waren aan te weinig kennis en begrip van mijn kant.

Ik maakte het de Getuige beslist erg lastig. Maar hij had veel geduld en geleidelijk aan begon de bijbelse waarheid tot mijn geest door te dringen.

Wat mij werkelijk overtuigde dat de bijbel het Woord van God is, was de vervulling van de vele profetieën. Ik redeneerde: Welk mens is in staat om honderden, zelfs duizenden jaren van tevoren een gebeurtenis te voorspellen? Een voorbeeld van een profetie waarvan ik onder de indruk kwam, was Daniël 9:24-27, waar ruim 500 jaar van tevoren werd voorspeld wanneer de Messías zou verschijnen. In de vervulling verscheen Jezus in 29 G.T., precies op tijd! (Lukas 3:1, 2) Een andere overtuigende profetie was Micha 5:2, waar ruim 700 jaar van tevoren de geboorteplaats van de Messías werd voorzegd, namelijk Bethlehem. En inderdaad, Jezus werd in Bethlehem geboren! (Lukas 2:1-7) Het werd mij duidelijk dat een bovenmenselijke Auteur de bijbelschrijvers had geleid.

Mijn studie van de mechanica was een grote hulp voor mij. Ik vond zo veel onweerlegbare bewijzen voor het bestaan van een alwetende Schepper. Eens bijvoorbeeld vond ik een schaar van een krab op het strand en bestudeerde die. De constructie was verbazingwekkend. De pezen die beweging mogelijk maken, waren, volgens de regels der mechanica, op het meest geschikte punt bevestigd, waardoor optimale kracht en beweging verzekerd werd. Wie had de berekeningen gemaakt? De krab? En hoe meer ik de natuur onderzocht en mijn ogen opende voor de wonderen om mij heen, hoe meer ik mij realiseerde dat er een Superintelligentie bestaat, een die boven alles uitgaat.

En een reden om te leven? Bestaat die? Ja zeker! En wat een eenvoudige en logische reden! Wat is die reden? Deze: Het voornemen van onze liefdevolle Schepper met de mens was, dat hij eeuwig zou leven, met een volmaakte gezondheid, in vrede en geluk in een aards paradijs onder een volmaakt, hemels bestuur. En Gods voornemen behelsde ook dat onze levenswijze duurzame liefde voor hem en voor onze naasten zou weerspiegelen. Ik was ontroerd toen ik vernam dat de tijd waarin dit voornemen verwezenlijkt zal worden heel nabij is! Wat een prachtige reden om te leven! — Psalm 37:10, 11, 29; Lukas 23:43; Openbaring 21:1-4; Markus 12:29-31.

Toen ik dit ging inzien, was er niets wat mij nog tegen kon houden. Dus begon ik in 1957 dit „goede nieuws” met anderen te delen. Daarna, in februari 1959, droeg ik mijn leven aan Jehovah op om voortaan zijn wil te doen en werd gedoopt. Mijn vrouw ging door met de studie, en het was een gelukkige gebeurtenis toen wij in 1961 naar Hamburg konden reizen om een internationale bijeenkomst van Jehovah’s Getuigen bij te wonen, waar zij werd gedoopt.

Ik ben blij te kunnen zeggen dat onze twee dochters nu al jarenlang actieve Getuigen zijn; een van hen heeft zes jaar als gewone pionierster (volle-tijdpredikster) gediend. Bijbelkennis is zo’n grote hulp bij ons gezinsleven geweest. Wij hebben een verenigd en harmonieus gezin en elk van ons heeft dezelfde hoop en hetzelfde doel voor ogen.

In de loop der jaren heb ik het voorrecht gehad anderen te helpen Jehovah te leren kennen. Wat is het een genoegen geweest om het doel van het leven met hen te delen! Ik heb er speciaal van genoten anderen te laten zien hoe het ware christendom te identificeren is. Daar heb ik een favoriete tekst voor, een die mij echt dierbaar is door mijn ervaringen in het verleden. Jezus zei in Johannes 13:34, 35: „Ik geef u een nieuw gebod, dat gij elkaar liefhebt; net zoals ik u heb liefgehad, dat ook gij elkaar liefhebt. Hieraan zullen allen weten dat gij mijn discipelen zijt, indien gij liefde onder elkaar hebt.” Het is al heel wat om dit gebod in vredestijd na te leven, maar welke religie leeft er te allen tijde naar, zelfs in oorlogstijd?

Wat een vreugde is het om samen met ware christenen te dienen, uit te zien naar een nieuwe ordening, waar geen ziekte, tranen of dood meer zullen zijn, en waar de liefdeloosheid van de oorlog niet langer het geluk van de mens zal verstoren! Ja, wij hebben een krachtige reden om te leven.

[Illustratie op blz. 23]

Het deed mij pijn als ik aan de ouders dacht die hun zonen nooit terug zouden zien, en aan de gezinnen die man en vader verloren hadden

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen