Altijd voorbereid op het einde
Zoals verteld door Herald Toutjian
HET was in het jaar 1896. Golven van tomeloos geweld sloegen over de weerloze Armeense gemeenschappen in Klein-Azië. Dit werd een bedreiging voor het huis en het gezin van mijn grootvader, Lucius V. Toutjian, in de oude stad Maraş, hoog in het Taurus Gebergte in het zuiden van centraal Turkije.
De vluchtroute liep zuidwaarts in de richting van de Middellandse Zee — maar waarheen moesten zij vluchten? Naar Amerika, besloot grootvader! Haastig pakte het gezin zijn bezittingen bijeen en vluchtte. In Tarsus, de geboorteplaats van de apostel Paulus, werden zij gegrepen en in de gevangenis gezet. Dit verhaal zou daarmee ten einde zijn geweest, als een Amerikaans ambtenaar niet tijdig tussenbeide was gekomen. Met zijn hulp en onder dekking van de duisternis ging het gezin aan boord van een schip in de dichtstbijzijnde Middellandse-Zeehaven en zette koers naar het westen.
De reis naar Amerika was een verschrikking, vooral voor grootmoeder. Zij liet alles achter wat voor haar „thuis” had betekend — vrienden, bloedverwanten en dierbare herinneringen aan het rustige, naar bloemen geurende Maraş dat daar in de bergen genesteld lag.
Na Marseille en Londen sleepte de familiekroniek zich voort. De sombere Atlantische Oceaan ging als een razende tekeer. Reusachtige golven beukten het krakende schip en nog steeds werd het gezin door tragedie achtervolgd. Halverwege de reis stierf plotseling het jongste van de vijf kinderen en werd op zee begraven. Toen het schip in New York afmeerde, gingen zij dan ook zwaar gebukt onder verdriet en onzekerheid van boord en werden opgeslokt door de krioelende mensenmassa in de Lower East Side van New York, een smeltkroes van nationaliteiten en rassen.
Waarom een dramatische eed?
De jaren na de aankomst in New York in 1896 waren moeilijk. De veelomvattende overgang van een rustige Turkse stad naar het jachtige New York viel niet mee. Het gezin moest wennen aan een nieuwe taal, een vreemde omgeving en verbijsterende sociale opvattingen. Zij verhuisden dikwijls, maar niet alleen met het oog op de materiële levensbehoeften; grootvader was zich scherp bewust van de geestelijke behoeften van het gezin. Hij had veel vragen over Gods eeuwige voornemen en de uiteindelijke bestemming van de mensheid. Maar voor een gezin dat religieuze en etnische vervolging had doorgemaakt, had de allesoverheersende vraag betrekking op de toelating van kwaad. Waarom zou een liefdevolle God het toestaan? Hoelang zou het voortduren? Hoe en wanneer zou het ophouden? Grootvader was vastbesloten bevredigende antwoorden te vinden — schriftuurlijke antwoorden.
Hij keerde de grote traditionele religies de rug toe en onderzocht de charismatische religies, maar zijn vragen bleven onbeantwoord. „Het was een dramatisch moment”, vertelde mijn vader, „toen grootvader ons allemaal bijeenriep en wij als gezin zwoeren ons nooit meer in te zullen laten met de zogenaamde kerken van de christenheid, die het christendom alleen in naam beoefenen.” Grootvader concludeerde dat de waarheid ergens anders moest zijn.
De waarheid heeft hen op een hoogst onverwachte manier gevonden. Grootvader had vroeger, toen hij in Allegheny in Pennsylvania woonde, eens een advertentie opgemerkt voor een openbare toespraak door Pastor Russell, de president van de Watch Tower Bible and Tract Society. De vragen in de advertentie wekten grootvaders nieuwsgierigheid op en het gezin begaf zich op weg naar de zaal waar de lezing zou worden gehouden. Helaas konden zij die niet vinden en teleurgesteld gingen zij weer naar huis.
Zijn naarstig zoeken naar logica en waarheid werd omstreeks de eeuwwisseling beloond. In die tijd woonden de Toutjians in Los Angeles in Californië, en op een zondag in 1901 kregen zij toen zij langs een kerk liepen een bijbels traktaatje van een vrijwilliger die met het Wachttorengenootschap samenwerkte. (In die dagen was een van de vaste predikingsactiviteiten van de Wachttoren-werkers het uitdelen van bijbelse traktaten aan kerkgangers na afloop van de dienst.) Grootvader wierp een blik op het traktaat en merkte op: „Dit is het werk van Pastor Russell.” Zijn opmerking werd opgevangen door de vrijwilliger, en enige ogenblikken later kwam hij het gezin achterna en nodigde hen uit voor hun eerste groepsbijbelstudie. Zij gingen eropin, woonden de studie bij, herkenden de zo lang gezochte waarheid en sloten zich aan bij de 27 leden tellende gemeente Los Angeles.
Wat zou 1914 brengen?
Die twee generaties van de familie Toutjian, mijn ouders en mijn grootouders, koesterden hoge verwachtingen voor het jaar 1914. Al in 1880 had The Watch Tower aangekondigd dat dan het einde van de „bestemde tijden der natiën” of de tijden der heidenen aangebroken zouden zijn (Lukas 21:24). Zou 1914 het einde brengen van Satans heerschappij en het aanbreken van de langverbeide duizendjarige heerschappij van Christus Jezus?
Naarmate de datum dichterbij kwam, werd het duidelijk dat menselijke verwachtingen niet altijd samenvallen met Jehovah’s tijdschema. In de uitgave van 1 januari 1914 merkte The Watch Tower op: „Het gaat ons voorstellingsvermogen te boven dat binnen één jaar alles tot stand zal worden gebracht wat volgens de Schrift verwacht schijnt te moeten worden voordat de heerschappij van vrede wordt ingeluid.” Na vervolgens te hebben gewezen op de sterk vergrote mogelijkheden voor toekomstige dienst vermaande The Watch Tower: „Laten wij daarom meer dan ooit paraat zijn om gebruikt te worden en bruikbaar te zijn in de dienst voor onze Koning.”
Zo hield The Watch Tower zijn lezers de juiste instelling voor. Wees standvastig, blijf wakker, wacht op Jehovah en laat uw instelling ten aanzien van God en de dienst voor hem niet bepalen door overspannen verwachtingen. Dit was de zienswijze die leden van mijn familie en alle getrouwen tot de hunne maakten. Weldra ging men inzien dat de datum gerechtvaardigd was door de vervulling van de profetie. Natie was tegen natie opgestaan, en de gebeurtenissen van dat veelbetekenende jaar brachten inderdaad „een begin van weeën der benauwdheid” over dit samenstel van dingen (Matthéüs 24:7, 8). Niettemin bleek dit een beproeving te zijn op motivatie en toewijding. Sommigen verwachtten te veel, te snel. Helaas hebben zij zich door de uitdaging uit het veld laten slaan.
’Precies als een dief’
De christenen waren door de apostel Paulus gewaarschuwd dat Jehovah’s oordeelsdag onverwacht zou komen. Hij schreef: „Gij weet zelf heel goed dat Jehovah’s dag precies zo komt als een dief in de nacht. . . . Laten wij dan ook niet doorslapen, zoals de overigen, maar laten wij wakker blijven en onze zinnen bij elkaar houden” (1 Thessalonicenzen 5:2-6). Het is dus begrijpelijk dat wakkere, waakzame christenen in de twintigste eeuw gevoelig zijn geweest voor alle gebeurtenissen en chronologische implicaties die op het ophanden zijn van „Jehovah’s dag” zouden kunnen duiden — precies zoals iemand die ’s nachts de komst van een dief verwacht misschien elk ongewoon geluid interpreteert als een bewijs van de aanwezigheid van de dief.
Ook voor het jaar 1925 waren de verwachtingen van Jehovah’s dienstknechten hooggespannen. Men dacht dat een cyclus van 70 typologische jubeljaren (70 × 50 jaar), gerekend vanaf de tijd dat Israël het Beloofde Land was binnengegaan, in 1925 zou eindigen en het begin zou betekenen van het grote tegenbeeldige jubeljaar, de duizendjarige heerschappij van Christus Jezus. Dat bleek niet het geval te zijn.
Onze familie leerde echter inzien dat onvervulde hoop niet uitsluitend iets van onze tijd is. De apostelen zelf koesterden soortgelijke misplaatste verwachtingen. Zij vroegen aan Jezus: „Heer, herstelt gij in deze tijd het koninkrijk voor Israël?” Hij antwoordde: „Het komt u niet toe kennis te verkrijgen van de tijden of tijdperken die de Vader in zijn eigen rechtsmacht heeft gesteld” (Handelingen 1:6, 7). Dat zelfde fundamentele punt is van toepassing geweest op de ’getrouwe-slaafklasse’ in deze tijd. Men is alert, streeft ernaar Gods voornemen te weten te komen, ziet soms zelfs al te gretig uit naar het einde van het goddeloze samenstel van de wereld — maar het vaststellen van de exacte tijd voor de gebeurtenissen ligt in Jehovah’s rechtsmacht. — Matthéüs 24:34-36, 45-47.
Leiderschap en dienst gevraagd
Na een rijk en gevuld leven stierf grootvader tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zo liet hij de tweede generatie van Jehovah’s Getuigen achter, zijn zoons Shield en Robert (mijn vader), die actief de noodzaak verkondigde ’wakker te blijven, vast te staan in het geloof, zich als mannen te gedragen en machtig te worden’. — 1 Korinthiërs 16:13.
Mijn oom, Shield Toutjian, was tijdens de Eerste Wereldoorlog begonnen met de pelgrimsdienst en heeft tot aan zijn dood in 1949 gediend als reizend afgevaardigde van het Wachttorengenootschap in volle-tijddienst, te vergelijken met een kringopziener in onze tijd. Ik ontmoet nog steeds velen die zich zijn dynamische, stimulerende persoonlijkheid herinneren en de loyale wijze waarop hij de gemeenten in 47 staten van de Verenigde Staten heeft bediend.
Paulus gaf de Hebreeën de raad: „Houdt hen in gedachtenis die onder u de leiding nemen” (Hebreeën 13:7). Mijn vader heeft altijd de leiding genomen omdat hij liefde had voor Jehovah en zijn dienst, vooral de van-huis-tot-huisbediening. Al heel vroeg onderkende hij de noodzaak dat ouderlingen als ware herders optraden. In 1926 deed hij bij het lichaam van ouderlingen in Oakland (Californië) een aanbeveling voor de zondagochtendvelddienst, in overeenstemming met het voortreffelijke voorbeeld dat de Bethelfamilie in Brooklyn gaf. Toen de oproep voor pionierbedienaren kwam, reageerde hij door een woonwagen te bouwen die hem de volgende negentien jaar tot woning zou dienen. In 1930 vertrokken wij naar geïsoleerde gebieden in de wildernis van de Sierra Nevadaketen in het noorden van Californië. Hij deed letterlijk afstand van al zijn aardse bezittingen en heeft Jehovah’s vereiste van „exclusieve toewijding” nooit uit het oog verloren. Hij is in 1961 gestorven. — Deuteronomium 4:24.
Als lid van de derde generatie in de waarheid kan ik mij het begin van de jaren ’40 nog goed herinneren. Met de Tweede Wereldoorlog braken voor Europa de donkerste uren aan. Toen raakten, ten gevolge van de aanval op Pearl Harbor door Japan in 1941, de Verenigde Staten van Amerika bij de oorlog betrokken. De kwestie van de christelijke neutraliteit bracht in heel de wereld vervolging over Jehovah’s Getuigen. In veel natiën werden wij verboden. Hier in de Verenigde Staten werden wij dikwijls aangevallen door emotioneel „patriottisch” gepeupel. Het scheen ons in die tijd toe dat de oorlog zou uitmonden in de beslissende slag van de grote dag van God de Almachtige, Armageddon. — Openbaring 16:14-16.
Een groot werk dat nog gedaan moest worden
Levendig herinner ik mij hoe gespannen wij naar die langverbeide gebeurtenis uitzagen. Maar onze ogen waren nog gesluierd voor de wonderbaarlijke verdere vervulling van Jezus’ profetie in Matthéüs 24:14: „Dit goede nieuws van het koninkrijk zal op de gehele bewoonde aarde worden gepredikt tot een getuigenis voor alle natiën, en dan zal het einde komen.”
Er moest nog een wereldomvattend werk gedaan worden. Met ingang van 1943 kregen de bedienaren in alle gemeenten een opleiding op de wekelijkse theocratische bedieningsschool. En elke zes maanden zond de Wachttoren-Bijbelschool Gilead, toen nog gevestigd in het noorden van de staat New York, opgeleide zendelingen uit naar verre landen. Jezus’ woorden over het getuigeniswerk „op de gehele bewoonde aarde” kregen een zeer breed perspectief. Weer stelden wij onze zienswijze bij, om het panorama van wereldwijde activiteit dat zich ontrolde te kunnen omvatten. Met behulp van ’elke vorm van gebed en smeking, en door wakker te blijven met alle standvastigheid’, bleven wij dicht bij Jehovah en zijn organisatie. — Efeziërs 6:18.
Snel verstreken tientallen jaren van uitgebreide activiteit en nu was de vraag: Wat zullen de jaren ’70 brengen? Mijn twee zoons, Duane en Jonathan, en mijn dochter, Carmel — een vierde generatie — waren volwassen en hadden zelf een gezin. Wij verwachtten de voltooiing van 6000 jaar menselijk bestaan in 1975. Zou die datum ons het begin van Christus’ duizendjarige regering brengen? Die mogelijkheid intrigeerde ons.
Nu kunnen wij op dat jaar terugzien en beseffen dat de woorden van Jezus in Matthéüs 24:36 ons niet toestaan een datum voor het einde vast te stellen. Hij verklaarde: „Van die dag en dat uur weet niemand iets af, noch de engelen der hemelen noch de Zoon, dan de Vader alleen.” Niettemin zijn de generaties drie en vier wakker gebleven ten aanzien van de tekenen der tijden en hebben zij „volop te doen” gehad „in het werk van de Heer” (1 Korinthiërs 15:58). Duane, Jonathan, Matthew Leondis, mijn schoonzoon, en ik dienen als ouderlingen in verschillende gemeenten in Californië. Jonathan heeft bovendien een tijdlang het voorrecht van de volle-tijddienst genoten, als pionier en als lid van de Bethelfamilie op het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap.
De juiste instelling in de tijd van het einde
Net als bij de eerste-eeuwse christenen heeft Jehovah zijn hedendaagse dienstknechten ongetwijfeld toegestaan een zekere hoop en bepaalde verwachtingen te koesteren. Deze hebben gediend om onze werkelijke motivatie en de diepgang van onze toewijding aan het licht te brengen. Onze familie heeft zich geconfronteerd gezien met de vragen: Dienen wij God op basis van een korte periode, op onze eigen voorwaarden? Worden wij uitsluitend gemotiveerd door de hoop op een onmiddellijke beloning? Of blijven wij wakker en actief, vertrouwend op Jehovah’s trouw aan zijn beloften? — Titus 1:2.
Twee generaties van onze familie, mijn vader en grootvader, zijn gestorven na een voldoeningschenkend, gelukkig leven. Er zijn nog vier generaties over: een achterkleinkind, kleinkinderen, mijn kinderen en ik. Nu dienen mijn zes kleinkinderen Jehovah, maken gebruik van hun mogelijkheden en aanvaarden verantwoordelijkheden in de gemeente en in de velddienst, daar ook zij uitzien naar het einde en het daaropvolgende herstel van het Paradijs op aarde. Wij allen hebben het vertrouwen dat het langverwachte uur zal komen op Jehovah’s bestemde tijd. Wij kunnen de vermaning van de profeet Habakuk in praktijk brengen: „Blijf er vol verwachting naar uitzien; want het zal zonder mankeren uitkomen. Het zal niet te laat komen.” — Habakuk 2:3.
Nu, in mijn 73ste levensjaar, kijk ik terug op een leven vol dierbare herinneringen in verband met Jehovah’s organisatie. Uit mijn kinderjaren staat onuitwisbaar het beeld in mijn geheugen gegrift van broeder Russell, staande in een open toerauto, een afscheidsgroet wuivend naar de gemeente San Francisco bij zijn vertrek naar de trein met bestemming Los Angeles, om daar zo bleek later — zijn laatste toespraak te houden. Ook andere herinneringen komen boven — pioniersdienst in geïsoleerde gebieden in de jaren ’30; veel bijeenkomsten en congressen, in het bijzonder Columbus, Ohio, in 1931, toen wij de naam Jehovah’s Getuigen kregen. — Jesaja 43:10.
Ik besef dat dit de tijd is waarin wij Jehovah’s ’getrouwe-slaafklasse’ op de voet moeten volgen. Stellig moeten wij als nooit tevoren wakker en waakzaam blijven, en nooit vergeten dat Jehovah, met of zonder de uiteindelijke beloning, loyale dienst en lof waardig is. Waarom? Omdat hij de bron is van alle goede dingen — ons bestaan zelf, onze hoop voor de toekomst. En wat een toekomst zal dat zijn — het herstelde Paradijs van vrede, gezondheid en geluk, de opstanding (wanneer geliefden zullen worden opgewekt en weer bij elkaar zullen zijn), en eeuwig leven in een glorieuze verhouding tot onze hemelse Vader! — Openbaring 4:11; Lukas 23:43.
[Illustratie op blz. 24]
Herald Toutjian in het berggebied van Californië in de jaren ’30. Let op de praktische en overzichtelijke doos met bijbelstudieboeken
[Illustratie op blz. 25]
In antwoord op de oproep voor pionierbedienaren bouwden wij deze woonwagen die wij jarenlang hebben gebruikt
[Illustratie op blz. 26]
Vier generaties van Herald Toutjians familie