De Koninkrijkswaarheid wint veld in Guyana
GUYANA ligt aan de noordkust van Zuid-Amerika, ingeklemd tussen Suriname in het oosten, Venezuela in het westen en Brazilië in het zuiden. Totdat het in 1966 onafhankelijk werd, stond Guyana bekend als Brits Guiana. Het land is ruim vijfmaal zo groot als Nederland, maar het aantal inwoners bedraagt slechts 800.000.
Indiërs maken iets meer dan de helft van de totale bevolking uit. Hun voorouders zijn hier uit India heen gebracht om op de plantages te werken. Nog een procent of 40 van de bevolking wordt gevormd door negers van wie de voorouders als slaven uit Afrika aangevoerd zijn. De overigen zijn meestal nakomelingen van de Indianen die hier woonden toen in de zestiende eeuw de Europese ontdekkingsreizigers arriveerden, maar ook wonen er wat Chinezen, Portugezen en mensen van andere nationaliteiten. Het Engels is de officiële taal, maar de meeste mensen spreken ook een plaatselijke taal.
De Koninkrijkswaarheid bereikt Guyana
Omstreeks de eeuwwisseling bereikte de Koninkrijkswaarheid een houthakkerskamp in Orealla aan de rivier de Corantijn. Daar raakte een zekere Peter Johassen in het bezit van een exemplaar van De Wachttoren en hij deelde de inhoud met een meneer Elgin, die naar Brooklyn, New York, schreef om meer bijbelse lectuur. Hoewel Elgin niet vasthield aan de Koninkrijkswaarheden die hij had geleerd, wist hij er wel anderen voor te interesseren in de stad New Amsterdam. De kleine groep die daar werd gevormd, is nu een welvarende gemeente van zo’n 110 verkondigers, en ook andere gemeenten in naburige steden zijn aan deze oorspronkelijke groep ontsproten.
Ondertussen ontving in de hoofdstad Georgetown Edward Phillips bijbelse lectuur en verzamelde familieleden en kennissen bij zich thuis voor geregelde bijbelbesprekingen. In 1908 schreef hij aan het Wachttorengenootschap met het verzoek een vertegenwoordiger van de organisatie te sturen om het land te bezoeken. Vier jaar later arriveerde E. J. Coward en hield lezingen voor honderden personen in de stadsgehoorzalen in Georgetown en New Amsterdam. Spoedig begonnen anderen zich bij de kleine groepjes Bijbelonderzoekers aan te sluiten.
Na verloop van tijd was de woning waar de groep in Georgetown voor bijbelstudie bijeenkwam, niet groot genoeg meer. Dus werd er een kamer in het Sommerset House gehuurd, en die heeft 45 jaar — van 1913 tot 1958 — als vergaderplaats van de gemeente dienst gedaan. In 1914, het jaar waarin de Eerste Wereldoorlog uitbrak, werd er een bijkantoor van het Wachttorengenootschap gevestigd. Het werd ondergebracht in het huis van broeder Phillips.
Toen de natiën in de wereldoorlog gedompeld werden, raakte Brits Guiana in de greep van de oorlogshysterie doordat het toen deel uitmaakte van het Britse Rijk. De geestelijkheid drong aan op het opzenden van gebeden voor de Britten en hun bondgenoten. In 1917 was broeder Coward in het land teruggekeerd en in een brief aan de pers gaf hij een overzicht van de wereldsituatie in het licht van de bijbelprofetieën. Bovendien hield hij in de stadsgehoorzaal in Georgetown een krachtige uiteenzetting met als titel „De muren van Babylon neerhalen”.
De geestelijken waren zo woedend dat zij de autoriteiten ertoe overhaalden broeder Coward het land uit te zetten en een aantal van onze publikaties te verbieden, een verbod dat tot 1922 van kracht bleef. Hij stond in hoog aanzien en toen hij vertrok, stonden er heel wat mensen langs de kade te roepen: „Hij was de enige die de waarheid predikte.” Stuwadoors dreigden met een proteststaking, maar de Bijbelonderzoekers (nu bekend als Jehovah’s Getuigen) adviseerden hun dat niet te doen.
In de jaren na de Eerste Wereldoorlog werd de verbreiding van de Koninkrijkswaarheid verder belemmerd door de invloed van P. S. L. Johnson, een vroeger lid van de staf op het hoofdbureau in Brooklyn die van de waarheid was afgeweken. Hij bracht verscheidene malen een bezoek aan Brits Guiana. Een tijdlang waren de Bijbelonderzoekers in het land in drie groepen verdeeld, een groep die loyaal was aan de organisatie, een oppositiegroep en een derde groep die niet wist wat te doen. Jehovah’s zegen rustte echter alleen op de loyale groep en die begon uiteindelijk te gedijen.
Tot degenen die standvastig bleven en de Koninkrijkswaarheid loyaal verbreidden, behoort Felix Powlett, nu 90 jaar oud. Hij werd in 1916 gedoopt en dient nog steeds als ouderling in de gemeente Newtown-Kitty in Georgetown. Dan is er ook Malcolm Hall, nu 92, die in 1915 werd gedoopt. De afgelopen 31 jaar heeft hij als pionier op het in de Essequibo gelegen Leguan Island gewerkt.
Tweede Wereldoorlog en naoorlogse activiteit
Ook de Tweede Wereldoorlog miste zijn uitwerking op het verbreiden van de Koninkrijkswaarheid niet. In 1941, toen er 52 Koninkrijksverkondigers actief waren, werden De Wachttoren en Vertroosting (nu Ontwaakt! genoemd) verboden. In 1944 werd dat verbod uitgebreid tot alle door het Wachttorengenootschap uitgegeven lectuur. Toch ging de Koninkrijksprediking ondanks de tegenstand verder.
Begin 1946, nog geen jaar na het einde van de oorlog, werden in een grootscheepse campagne 31.370 handtekeningen verzameld onder een petitie waarin bezwaar werd gemaakt tegen het optreden van de regering tegen Jehovah’s Getuigen. In april bracht de president van het Wachttorengenootschap, N. H. Knorr, een bezoek aan Brits Guiana en had een ontmoeting met de minister van koloniën om de opheffing van het verbod te bewerkstelligen. Ten slotte, op 12 juni 1946, werd het verbod opgeheven.
In de nu volgende tien weken gaven de 70 Koninkrijksverkondigers uiting aan hun vreugde door 11.798 boeken en brochures te verspreiden die twee jaar lang verboden waren geweest. Zij besteedden in totaal 20.547 uur aan het verbreiden van de Koninkrijkswaarheden die deze lectuur bevatte. Toen men hier voor het eerst, in augustus 1946, met het getuigeniswerk op straat begon, werden de tijdschriften bijna net zo snel verspreid als de plaatselijke kranten werden verkocht. En in 1946 arriveerde Gilead-zendeling William Tracy om te helpen bij de prediking.
Het bereiken van afgelegen streken
Georgetown en New Amsterdam bestrijken slechts 930 ha; toch woont daar 27 procent van de bevolking van Guyana. In de eerste jaren al probeerden de verkondigers afgelegen streken met de Koninkrijksboodschap te bereiken. Toen broeder W. Tracy arriveerde, waren er nog maar drie gemeenten in het land. Hij vertelt: „Ik verkende het land en maakte wat tochten langs de kust en langs de rivieren om contact te leggen met geïsoleerde geïnteresseerden en nieuwe belangstelling te wekken. Ik reisde met de kusttrein, per bus, op de fiets, op grote rivierschepen, kleine boten en zelfs per kano.”
Een andere Gilead-zendeling, John Ponting, die in 1950 bijkantoordienaar werd, vertelt hoe het gebied langs de oevers van Guyana’s vele rivieren werd bewerkt. „Wij namen de gewone vrachtschepen. Als dorpelingen onderweg in hun kano’s aan kwamen peddelen om post uit te wisselen met dit reizende postkantoor, vroegen wij hun om een lift en gingen aan wal, erop vertrouwend dat iemand ons wel van voedsel en onderdak zou voorzien. Wij predikten dan in het dorp en ’s nachts werd er altijd voor een slaapplaats gezorgd. De volgende dag peddelde iemand ons dan de rivier op en predikten wij de Koninkrijksboodschap in het volgende dorp. Toen wij op een middag een bezoek brachten aan een houtzagerij legde de bedrijfsleider het werk stil en riep de mannen bijeen voor een lezing van een kwartier; iedereen nam lectuur.”
In 1951 verbreidden elke maand gemiddeld 279 personen de Koninkrijkswaarheid, viermaal zoveel als slechts vijf jaar daarvoor! In recentere jaren hebben de broeders hun eigen boten, de Kingdom Proclaimer I en Kingdom Proclaimer II, gebruikt om nederzettingen langs de rivieren en kanalen te bereiken. Dit werk is echter niet zonder gevaar, zoals Frederick McAlman, een in Guyana geboren Getuige die in 1970 de Gileadschool doorliep, vertelt:
„Op een zaterdagmiddag was ik op weg naar huis na langs de Pomeroon gepredikt te hebben, toen een grote vrachtboot in volle vaart tegen me op voer. Niemand aan boord lette op omdat kapitein en bemanning zichzelf op een rumfuif hadden getrakteerd. Ik werd uit de Kingdom Proclaimer I geslagen en kwam onder de boot in de rivier terecht. Ik zonk, vocht voor m’n leven in het duister en stootte voortdurend met m’n hoofd tegen de bodem van de boot. Ik bevond mij vlak bij de krachtige schroef. Een jongeman op het schip zag mijn worsteling, sprong de rivier in en redde me. Verscheidene weken had ik voortdurend pijn door de opgelopen verwondingen, maar ik was dankbaar dat ik het er levend had afgebracht!”
Die ervaring schrikte broeder McAlman echter niet af. Hij verklaart: „Ik was vastbesloten door te gaan wegens de belangstelling voor de bijbel die mensen langs de rivier toonden. Elf kilometer van Charity in Sirika is een gemeenteboekstudiegroep en zij rekenen op me.”
Het overwinnen van allerlei obstakels
Toen Gilead-afgestudeerde Joy Strom in 1959 in Brits Guiana kwam, was het aantal Koninkrijksverkondigers tot 603 gestegen. Zij verspreidt nog steeds het goede nieuws in haar toewijzing, ondanks het feit dat zij bedlegerig is; zij is het slachtoffer van multiple sclerose. Haar bijbelstudies komen bij haar thuis voor het onderwijs. Vorig jaar besteedde Joy 365 uur aan de bediening en leidde maandelijks gemiddeld drie bijbelstudies. Blij verklaart zij: „Ik heb de ’Koninkrijkswaarheid’-districtsvergadering kunnen bijwonen. Ik lag in een caravan vóór het podium en kon zo de drama’s zien, de lezingen horen en met de broeders spreken die me kwamen opzoeken.”
Een veel voorkomende belemmering in Guyana is dat veel echtparen niet wettig gehuwd zijn, en wanneer zij de Koninkrijkswaarheden leren kennen, moeten zij dus veranderingen in hun leven aanbrengen om aan de bijbelse maatstaven te voldoen. Dit was ook het geval met Gordon Chase. Al in 1971 bestelde hij „Vergewist u van alles, houdt vast aan dat wat voortreffelijk is”. In plaats van het boek per post te verzenden, ging James Thompson, die op het bijkantoor werkte, het persoonlijk brengen. Thompson bracht hem verscheidene bezoeken om te proberen een studie op te richten, maar tevergeefs. Uiteindelijk ging het contact verloren.
Toch had de bijbelkennis effect. Gordon liet de verbintenis met zijn partner wettigen en hij at geen zwarte pudding meer, een plaatselijke lekkernij die van bloed wordt gemaakt. Jaren later, in 1979, nam hij een uitnodiging aan voor een bijbellezing die door James Thompson werd gehouden. „Ik verstopte me op de achterste stoel van de zaal”, vertelt Gordon. „Ik wilde niet dat hij me zag, maar hij zag me wel. Na de vergadering kwam hij op me af, gaf me een hand en zei: ’Wanneer kunnen we met de bijbelstudie beginnen?’ (alsof hij er zeker van was dat ik wilde beginnen.) Dus zei ik: ’Zaterdag.’ De zaterdag daarop kwam hij en mijn vrouw deed aan de studie mee.”
Gordon ging in augustus 1979 voor het eerst mee in de velddienst, werd samen met zijn vrouw in november van hetzelfde jaar gedoopt, ging in juni daarop in de hulppioniersdienst en werd in september 1982 gewone pionier. Het is een genoegen zovelen nu zo positief op de Koninkrijkswaarheid te zien reageren.
Vooruitzichten voor de toekomst
Hoewel het Koninkrijkswerk rond de eeuwwisseling begon, had tot 1958 geen enkele gemeente een eigen Koninkrijkszaal. In 1969 kwam de tweede zaal en de afgelopen 13 jaar is er gemiddeld elk jaar een nieuwe Koninkrijkszaal gebouwd. En de bouw van andere is nog aan de gang.
De vooruitzichten op expansie zijn rooskleurig. In maart van het afgelopen jaar waren er 3874 aanwezigen op de Gedachtenisviering. In 1982 woonden 2505 personen de „Koninkrijkswaarheid”-districtsvergadering bij. En er waren 1235 personen op een recente kringvergadering, terwijl de kring slechts 709 verkondigers telt. Sommige gemeenten rapporteren bijna het dubbele van hun verkondigersaantal op de vergaderingen op zondag. Heel wat jongeren hebben zich de pioniersdienst ten doel gesteld.
De Koninkrijkswaarheid die allereerst haar weg vond naar een houthakkerskamp, heeft zich nu tot 34 plaatsen in Guyana uitgebreid. De 29 gemeenten en 6 geïsoleerde groepen zijn over 2 kringen verdeeld. En ongeveer 140 van de ruim 1100 verkondigers die elke maand een aandeel hebben aan de prediking, doen dit als pioniers. Er zijn nog wat obstakels voor de verbreiding van de Koninkrijkswaarheid in dit land, maar met Jehovah’s voortdurende zegen zien wij uit naar een periode van ongeëvenaarde expansie in de toekomst.
[Kaarten op blz. 23]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
GUYANA
GEORGETOWN
NEW AMSTERDAM
CORANTIJN
[Kaart]
ZUID-AMERIKA
GUYANA
[Illustratie op blz. 25]
Fred Phillips (zoon van Edward Phillips), Nathan Knorr en William Tracy in 1946