Het gelukkige Trinidad heeft werkelijk reden zich te verheugen
ALS u de naam Trinidad hoort, wat komt u dan voor de geest? De steelband met zijn uit olievaten vervaardigde slaginstrumenten? Calypso-melodieën? Ja, dit Caribische eiland is het land van herkomst voor allebei. Ook herbergt dit eiland een vriendelijk, gastvrij volk dat geniet van het leven en graag feestviert. Hun voornaamste feest — het carnaval, dat twee dagen voor het begin van de vastentijd wordt gehouden — trekt jaarlijks duizenden bezoekers.
Trinidad is een klein, prachtig eiland, het laatste van een tropische keten die zich uitstrekt van Porto Rico tot vlak voor de kust van Venezuela. Jarenlang stonden de meeste van deze eilanden bekend onder de benaming Brits West-Indië. Onze Venezolaanse buren noemen Trinidad La Isla Bella, of „Het mooie eiland”, terwijl anderen het het land van de kolibrie noemen.
Er zijn hier bergen, dalen en vlakten, allemaal overdekt met weelderig groen. Er zijn glinsterende stromen in de dalen, waar u kokosplantages vindt. Mijlenver zijn de stranden aan de oostkant van het eiland omzoomd door kokospalmen, en grote suikerplantages bedekken de vlakten in het hart van het eiland. Ook zijn hier tropische vogels: de scharlakenrode ibis, zilverreigers, kolibries, papegaaien en vele andere. Er leven hier niet veel wilde dieren, hoewel er op de suikerplantages wel grote kudden tamme waterbuffels te zien zijn.
Op dit eiland van aangename tegenstellingen is een bevolking te vinden die al bijna even gevarieerd is als het landschap. Deze gemengde en veeltalige bevolking is een goede weerspiegeling van de geschiedenis van Trinidad. Na de ontdekking van dit eiland door Columbus werd het geregeerd of beïnvloed door een opeenvolging van naties — Spanje, Frankrijk en Engeland. Vele jaren lang heerste er slavernij, en toen die werd afgeschaft, werden er duizenden Oostindiërs hierheen gebracht om in plaats van de bevrijde negers op de suikerplantages te komen werken. Dezen vormen de beide voornaamste rassen op Trinidad, maar er is tevens een aantal Europese naties vertegenwoordigd, terwijl er ook een behoorlijk aantal Chinezen woont. De vermenging van deze verschillende groepen door het huwelijk heeft geleid tot een melange van knappe en vriendelijke mensen. Vele religies vinden hier een bloeiend bestaan, met als grootste groeperingen de rooms-katholieken, de anglicanen, de hindoes en de moslems.
De geestelijke vreugde begint
„Jehovah zelf is koning geworden! . . . Laten de vele eilanden zich verheugen”, zegt Psalm 97:1. En de christelijke apostel Paulus spoorde zijn medegelovigen aan ’zich te verheugen in de Heer’ (Fil. 4:4). In het jaar 1912 begon voor personen in vele delen van Trinidad en Tobago de geestelijke verheuging. Toen gaf het Wachttorengenootschap Evander J. Coward namelijk de toewijzing op deze eilanden evangelisatiewerk te verrichten.
Een bejaarde getuige van Jehovah met een Oostindische afkomst en een hindoe-achtergrond herinnert zich: „Op het podium bood broeder Coward een heel indrukwekkende aanblik in zijn zwarte geklede jas, de kledij van de sprekers in die dagen. Hij had een mannelijke stem en bediende zich in ruime mate van klemtoon en modulatie. Hij had de gewoonte zijn rechterhand op te heffen en met zijn vingers te knippen als hij een punt wilde beklemtonen.”
Al vanaf de eerste lezingen die broeder Coward in de steden begon te houden, vonden sommigen vreugde in de schitterende waarheden die hen uit Babylonische gevangenschap bevrijdden (Openb. 18:2, 4). Religieuze tegenstanders brachten de beschuldiging naar voren dat Coward leerde dat er geen hel was. In werkelijkheid toonde hij echter aan dat de hel van de bijbel het gemeenschappelijke graf van de mensheid is (Job 14:13). Zij die het goede nieuws met waardering ontvingen, verheugden zich ook toen zij vernamen dat Jehovah God, Jezus Christus en de heilige geest geen Drieëenheid vormen. Ook andere bijbelse waarheden en hun voortgezette omgang en studie met elkaar schonken hun vreugde.
Binnen korte tijd werden er op verscheidene plaatsen studieklassen georganiseerd. De eerste kwam bijeen in het huis van Gilbert L. Talma in Port of Spain. Maar al spoedig werd de groep te groot voor het huis en huurden zij een zaal in een gemeenschapshuis, die 62 jaar lang dienst heeft gedaan als vergaderplaats voor de gemeente. In 1919 waren er 214 personen aanwezig bij het Avondmaal des Heren (1 Kor. 11:20-26). Een aantal van degenen die het ware christendom in de tijd van broeder Coward hebben aanvaard, zijn tot hun dood, vele jaren later, getrouw gebleken.
Tegenstand en verdere hulp
Na de Eerste Wereldoorlog kwamen sommigen in opstand en scheidden zich in groepjes af. Zij hadden kritiek op het werk van het Genootschap en trachtten het tegen te gaan, maar hun pogingen hadden geen succes en de herinnering aan hun inspanningen is nu vrijwel vergaan.
Toen broeder Coward nog op Trinidad was, kreeg hij gezelschap van William R. Brown, die een ijverig bekendmaker van het goede nieuws werd. Uiteindelijk kreeg hij in West-Afrika bekendheid als „Bible Brown”. Ook hij heeft vele jaren in de volle-tijddienst op Trinidad doorgebracht en veel tot stand gebracht in zijn inspanningen om mensen te helpen zich in de waarheid te verheugen. Behalve dat hij lezingen hield en van huis tot huis getuigenis gaf, vertoonde broeder Brown voor grote aantallen toeschouwers het Photo-Drama der Schepping. De herinnering aan het werk dat hij en zijn vrouw hebben verricht om de bijbelse waarheid op Trinidad en Tobago te verbreiden, leeft nog steeds voort.
In de jaren ’20 hebben George Young en John C. Rainbow enige tijd op Trinidad doorgebracht en voortreffelijk werk gedaan door Jehovah’s volk en hun activiteit hier stabiliteit te geven zodat zij pal konden staan tegen de opstandige groep die zich had gemanifesteerd. In een verslag schreef broeder Young: „De waarheid verbreidt zich heel snel op Trinidad. De broeders hier doen goed werk. In sommige opzichten is Trinidad het beste veld van West-Indië voor het verbreiden van de waarheid.” Tijdens de laatste rondreis van broeder Young sprak hij tot een gehoor op de tribune van het Queens Park Savannah. Het zou achtendertig jaar duren voordat Jehovah’s Getuigen daar weer bijeenkwamen.
Dienen onder verbod
In het begin van de jaren ’30 werden geen grote vorderingen gemaakt. Toen werden op 20 augustus 1936 zonder enige waarschuwing de publikaties van het Genootschap, en zelfs de bijbel, verboden. Korte tijd later mochten de bijbel en enkele van onze publikaties weer op het eiland binnenkomen. Maar het verbod zelf bleef negen jaar lang van kracht. Als in die tijd iemand in bezit bleek te zijn van ook maar iets van de lectuur die op de verboden lijst stond, kon hij worden gearresteerd en gevangengezet. Zo kwam het dat verscheidene Getuigen gearresteerd werden en een tijdlang gevangen zaten.
Een broeder die twee maanden in de gevangenis heeft doorgebracht, kreeg vele prachtige gelegenheden om de andere gevangenen getuigenis te geven. Gedurende de zeven zondagen die hij in de gevangenis doorbracht, genoot hij het voorrecht en de vreugde meer dan 200 gevangenen te mogen toespreken. Zij luisterden liever naar hem dan dat zij een of andere dienst in de gevangeniskerk bezochten.
De komst van zendelingen
In maart 1946 werd Alexander Tharp als zendeling naar Trinidad gezonden om op het bijkantoor van het Wachttorengenootschap samen te werken met de bejaarde en ziekelijke Gilbert Talma. De aankomst van broeder Tharp viel samen met het bezoek van N. H. Knorr en F. W. Franz van het hoofdkantoor in New York. Dit was de allereerste keer dat Trinidad bezoek kreeg van een president of een vice-president van het Genootschap. Er werd een congres georganiseerd met de hulp van drie zendelingen die een toewijzing hadden op het buureiland Barbados, dat onder het opzicht van het bijkantoor op Trinidad stond. Dit geweldige congres bleek een mijlpaal te zijn, want er werden 39 personen gedoopt en 1611 personen woonden de openbare lezing van broeder Knorr bij.
Later in dat jaar werden er nog acht zendelingen aan Trinidad toegewezen. Er werd een nieuw bijkantoorgebouw gekocht, dat tevens dienst deed als zendelingenhuis. Zesentwintig jaar lang is in dat gebouw het bijkantoor gevestigd geweest. Uiteindelijk hebben in totaal 30 zendelingen in de loop der jaren op Trinidad gediend en vanuit drie zendelingenhuizen het eiland bewerkt. Na verloop van tijd kregen zij gezelschap van plaatselijke Getuigen die een opleiding kregen aan de Wachttoren-Bijbelschool Gilead en die vervolgens naar Trinidad terugkeerden. Sommige zendelingen hebben hier tot aan hun dood getrouw gediend. Thans is de zendeling die als eerste naar Trinidad werd gestuurd hier nog steeds, te zamen met zes anderen. Hoewel de ouderdom voor hen enige gebreken met zich brengt, schenkt het hun nog steeds vreugde vrucht te dragen en dienst te verrichten tot eer van hun hemelse Vader. — Joh. 15:8.
Een aantal jaren was er een snelle groei. In mei 1946 waren er 325 Koninkrijksverkondigers op Trinidad en Tobago, maar in tien jaar steeg dat aantal tot 1447. Het was niet ongewoon als een zendeling 25 of meer huisbijbelstudies per week leidde. Hoewel vele personen in de loop van de tijd ook weer zijn verdwenen, verrichten sommigen van degenen die in 1946 al studie kregen, thans dienst als aangestelde christelijke ouderlingen.
Reizende opzieners bevorderen het geluk
De gemeenten in die vroegere jaren waren klein, en de meeste hadden geen elektriciteit in hun vergaderplaatsen. De reizende opzieners logeerden in de bescheiden woningen van de plaatselijke Getuigen, aten bij hen en genoten van de omgang met hen. Het was gemakkelijk om mensen bereid te vinden naar een openbare lezing te luisteren. Verscheidene jaren lang is het daarom de gewoonte geweest twee lezingen per week te houden — een in de Koninkrijkszaal en de andere bij het licht van een gaslantaarn in de open lucht onder de luifel van een winkel.
Eens zag een kringopziener die onder zo’n afdak van een winkel stond te spreken, een harige spin (een tarantula) binnen de lichtcirkel komen. Langzaam en weloverwogen kwam de spin naderbij, tot hij het verlichte gedeelte was overgestoken en in het duister verdween. Waar hij heen ging, heeft niemand ooit geweten, maar de kringopziener had gedurende de rest van die lezing de grootste moeite om zich te concentreren.
De bezoeken van kringopzieners hebben de gemeenten gesterkt. Steeds meer mensen vonden vreugde toen zij de waarheid leerden kennen, en de geestelijke vooruitgang duurde voort. Nu dienen plaatselijke Getuigen in het kring- en districtswerk.
Enigen die zich verheugden
Door de jaren heen hebben alle soorten van mensen vreugde gevonden in de waarheid. Een jonge Chinese invalide stelde bijvoorbeeld vele intelligente vragen en doordat er een huisbijbelstudie met hem werd geleid, maakte hij snelle vorderingen. Toen schreef hij naar de Knights of Columbus (een katholieke organisatie), de zevendedagsadventisten en een moslimgroepering om informatie die hij wilde vergelijken met wat hij leerde. Maar geen hiervan wist zijn vragen bevredigend te beantwoorden. Hoewel deze jonge man niet in staat was vergaderingen bij te wonen, had hij er schriftelijk een aandeel aan. Hij werd thuis gedoopt en is bijgebleven met de waarheid tot hij onlangs als een kunstenaar van nationale bekendheid gestorven is.
Er werd contact gelegd met een jong meisje dat onthulde dat zij de toekomst kon voorspellen. Maar zij toonde intense belangstelling voor de bijbel, en er werd een studie afgesproken. Mettertijd ging zij duidelijk zien wat Jehovah’s zienswijze met betrekking tot spiritisme was en vernietigde zij al haar boeken en andere voorwerpen die met occultisme verband hielden (Hand. 19:18-20). Na haar doop is deze jonge vrouw naar de Verenigde Staten verhuisd, waar zij een aantal jaren als Koninkrijksverkondigster in volle-tijddienst heeft gewerkt.
Sommigen die uit andere landen afkomstig waren, hebben de bijbelse waarheid op Trinidad leren kennen. Enkele jaren geleden kwam hier een jonge man, pas afgestudeerd van de universiteit, voor zijn eerste contract in het onderwijs. Hij en zijn vrouw hadden een radicale en atheïstische gezindheid. Hoewel hij iets van de waarheid afwist, had hij vele vragen en belde hij naar het bijkantoor om een onderhoud. Zij kregen enkele van onze publikaties. Een week later ging een Getuigenechtpaar bij hen op bezoek en vroeg: „En wat zijn de vragen die u wilde bespreken?” Het antwoord was: „Geen vragen!” Zij hadden de boeken gelezen en waren ervan overtuigd geraakt dat de evolutie onjuist was en de bijbel gelijk had. Onmiddellijk begonnen zij de vergaderingen te bezoeken en veranderingen aan te brengen in hun kleding en uiterlijk. Weldra namen zij deel aan de velddienst. Nadat zij een jaar op Trinidad hadden doorgebracht, keerden zij naar Engeland terug en slaagden erin enkele familieleden te helpen de bijbelse waarheid te leren kennen.
Vele jonge mensen hebben slechte gewoonten overwonnen en ’dienen Jehovah nu met verheuging’ (Ps. 100:2). Een zekere drugshandelaar bijvoorbeeld verdiende ongeveer 200 Trinidad-dollars per dag. Hij werd een aantal keren gearresteerd en scheen er hopeloos aan toe te zijn. Toen kreeg hij op een dag bezoek van een gewezen vriend en drugsgebruiker, die een getuige van Jehovah was geworden nadat hij in zijn leven orde op zaken had gesteld. Er werd een bijbelstudie opgericht en de voormalige drugshandelaar zegt: „In de twee daaropvolgende weken begon ik te veranderen. Ik begon me te scheren en naar de vergaderingen te gaan. Ik liet mijn haar knippen en ging me kleden zoals de broeders dat deden. Na korte tijd hield ik op met de handel in drugs. Na ongeveer 11 maanden werd ik een geregelde verkondiger. Nu krijg ik het niet meer op mijn zenuwen als ik een politieagent zie.”
Voortdurende reden tot verheuging
In 1972 werd een groter bijkantoor met meer woonruimte en grotere kantoorfaciliteiten verkregen. Later werd hier nog een bijgebouw aan toegevoegd. Deze ontwikkelingen zijn het resultaat van Jehovah’s zegen op ons werk op Trinidad en Tobago. In het bijzonder verheugen wij ons over onze voortschrijdende kennis van God en zijn Zoon, en wij koesteren diepe waardering voor het voorrecht Jehovah te dienen. Hij blijft zijn zegen schenken aan ons werk dat bestaat in het bijeenvergaderen van hen die hem liefhebben. In 1982 bereikten wij een hoogtepunt van 3444 Koninkrijksverkondigers en het aantal aanwezigen bij onze Gedachtenisviering ter herdenking van de dood van Jezus Christus bedroeg 9100.
Wij hebben beslist reden om ons te verheugen in de aanbidding en dienst van God. En het is onze oprechte bede dat wij, samen met onze medegelovigen overal op aarde, veel vrucht mogen blijven dragen tot eer van onze Vader, Jehovah.