Inzicht in het nieuws
Waarom men in het darwinisme gelooft
De kans dat het leven is ontstaan uit een door het toeval samengebracht oermengsel van chemische stoffen is zo „verschrikkelijk klein”, aldus de beroemde Britse astronomen Sir Fred Hoyle en Chandra Wickramasinghe in hun nieuwe boek Evolution From Space (Evolutie uit de wereldruimte), dat deze gedachte, „zelfs al zou het hele universum uit organische soep hebben bestaan”, nog in strijd is met het gezonde verstand. Zij schrijven dat ’het hoogst onwaarschijnlijk is dat volgens de principes van de darwinistische evolutie zelfs maar één polypeptide [een keten van voor het leven noodzakelijke stoffen] de juiste rangschikking zou krijgen, laat staan de duizenden waarvan levende cellen afhankelijk zijn om in leven te blijven. Deze situatie is aan genetici welbekend en toch schijnt niemand de theorie definitief om zeep te willen helpen’.
Waarom hebben de wetenschapsmensen die hiervan op de hoogte zijn, de theorie niet aangepakt? „Indien het darwinisme niet in maatschappelijk opzicht wenselijk werd geacht, . . . zou het natuurlijk anders zijn”, antwoordt het boek. Wanneer een hele samenleving „een bepaald begrippenstelsel tot een dogma verheft, maakt de continuïteit in het onderwijs het buitengewoon moeilijk dat patroon te veranderen”, voegt het eraan toe. „Het is een kwestie van geloven of gebrandmerkt worden als een ketter.” Evolutionisten zijn bang dat elke stap terug ’de sluizen’ van het irrationalisme zou openen. Met andere woorden, al zou de deur maar op een kiertje worden gezet voor het enige mogelijke alternatief — schepping door een hogere intelligentie — dan zou dit hen dwingen alle verdere strijdpunten die zo’n conclusie met zich brengt, onder de ogen te zien.
IQ — Bepaald door erfelijkheid of milieu?
Een nieuw onderzoek door stafleden van het Franse Nationaal Instituut voor Gezondheid en Medisch Onderzoek verschaft aanwijzingen dat erfelijkheid niet de voornaamste factor is die bepaalt hoe hoog kinderen in IQ-tests scoren. Kinderen die waren geadopteerd in gezinnen uit de middenklasse, werden vergeleken met hun broertjes en/of zusjes die door hun natuurlijke ouders waren grootgebracht, ouders die allen in economisch opzicht tot een lagere klasse behoorden. De kinderen waren allemaal geadopteerd voordat zij de leeftijd van zes maanden bereikten.
Beschrijvend welke resultaten de IQ-tests voor de twee groepen kinderen met gelijke ouderlijke achtergrond maar opgegroeid in verschillende milieus opleverden, zei het tijdschrift Scientific American dat „de waargenomen verschillen tussen de geadopteerde kinderen en de kinderen die door hun biologische moeders werden grootgebracht, treffend waren”. De gemiddelde score in de IQ-tests lag voor kinderen die in het middenklassemilieu waren grootgebracht, bijna 15 punten hoger dan die van hun natuurlijke broertjes en zusjes die minder bevoorrecht waren.
Dit Franse onderzoek is weer een bewijs dat mensen, als hun omgeving, hun milieu, maar hetzelfde is, over het algemeen ook dezelfde mogelijkheden bezitten, precies zoals de bijbel te kennen geeft wanneer daarin staat dat God „uit één mens elke natie van mensen [heeft] gemaakt”. — Hand. 17:26.
Hersenbeschadiging
Het feit dat verschillende beroepsboksers onlangs zijn overleden als gevolg van wat tijdens een bokswedstrijd een geheel legale afranseling is, doet in de geest van velen ernstige vragen rijzen over deze sport (in de Verenigde Staten stierven in 1982 vijf boksers in de ring). In een redactioneel schrijven, getiteld „Hersenbeschadiging veroorzaken is geen sport”, zegt The New York Times: „Sommige mensen kijken naar boksen om bekwaamheid te zien, anderen enkel om bloed te zien. Veel erger dan het bloed is de ongeziene schade. Netvliezen raken los, nieren worden gekneusd en de hersenschors loopt na herhaald stompen steeds meer schade op ten aanzien van de hogere hersenfuncties, leidend tot geheugenverlies en een onzekere, schuifelende manier van lopen: de kenmerken van de bokser die ’punch drunk’ is [dronken lijkt door stompen]. Kan een beschaafde samenleving het genoegen dat een dergelijke sport dan misschien schenkt, nog op aannemelijke gronden rechtvaardigen?”
En wat belangrijker is, kan een „sport waarbij men zich uitdrukkelijk ten doel heeft gesteld de tegenstander letsel toe te brengen”, zoals het Times-artikel het formuleert, in overeenstemming zijn met christelijke beginselen? De bijbel vermaant: „’Gij moet uw naaste liefhebben als uzelf.’ De liefde berokkent de naaste geen kwaad.” — Rom. 13:9, 10.
Waarde van disciplinaire maatregelen
Sommige mensen zijn van mening dat het uit de gemeenschap sluiten van kwaaddoeners — ook wel uitsluiting genoemd —zoals dit door Jehovah’s Getuigen wordt gedaan, een te drastische maatregel is. Na aan dit onderwerp een artikel te hebben gewijd, publiceerde de Times van St. Petersburg (Florida, VS) later een reactie van een lezer, gericht tot degenen die „denken dat de praktijken van de Getuigen toch wel wat streng zijn”. De lezer geeft toe: „Ik werd dit jaar [april 1981] uitgesloten. . . . Ik was betrokken bij activiteiten waarvan ik wist dat de bijbel ze veroordeelde, waaronder ook wetsovertredingen. Ik loog over enkele van deze zaken en legde geen berouwvolle geest aan de dag.”
De lezer zette met betrekking tot Jehovah’s Getuigen uiteen: „Personen worden uitgesloten omdat zij niet voldoen aan Gods hoge maatstaven die duidelijk in zijn ’Woord’ staan uiteengezet. De fout ligt bij henzelf.” Hij geeft toe dat dit ook in zijn geval waar was. „Als andere organisaties even ’strikt’ waren als zij, zouden er in deze wereld heel wat minder zelfzuchtige wetsovertreders zijn, en bijgevolg ook heel wat minder leed en problemen.”
Er zijn echter maar weinig religieuze organisaties die de moed hebben om jegens onberouwvolle kwaaddoeners te handelen zoals in de Schrift wordt bevolen: „Verwijdert de goddeloze man uit uw midden” (1 Kor. 5:13). Deze daad zuivert Gods naam van smaad, beschermt de goede omgang van gemeenteleden en zal er hopelijk toe leiden dat de kwaaddoener zich betert. En volkomen tegengesteld aan de bewering van sommigen dat „Christus’ liefde” zo’n persoon wel vol sentimenteel medegevoel zal blijven aanvaarden, was het Jezus zelf die de aanwijzing gaf dat een onberouwvolle persoon ’uitgesloten’ moest worden. — Matth. 18:15-17, The Living Bible.
Aan de andere kant werd in het bovenstaande geval geïllustreerd hoe nuttig een dergelijke krachtige maatregel is. Deze persoon had later berouw en is hersteld als een van Jehovah’s Getuigen.
Hedendaagse evangelisten
December vorig jaar besloot de NCCB (Amerika’s Nationale Conferentie van Katholieke Bisschoppen) een eind te maken aan haar vijf jaar oude programma voor de bevordering van het evangelisatiewerk en het daartoe gevormde comité te ontbinden. „Het verbreiden van het ’goede nieuws’ is niet langer een nationale prioriteit voor de bisschoppenconferentie”, zegt de National Catholic Reporter. „Het is afgeschoven naar het plaatselijke niveau en wordt overgelaten aan het toeval.”
Maar waarom heeft de NCCB haar evangelisatiepogingen opgegeven? „De tijd is nog niet gekomen dat de meeste katholieken aanvaarden dat er van hen wordt gevraagd om als een natuurlijk onderdeel van hun geloof te evangeliseren”, zegt de Reporter, waarna het blad eraan toevoegt dat „men zich er niet erg bewust van was dat evangeliseren de ene, allesoverheersende activiteit was waartoe alles wat de kerk deed zou moeten bijdragen”.
Wat vormt dit een contrast met de vurige evangelisatiegeest van de eerste-eeuwse christenen! Zelfs tegenstanders werden ertoe bewogen te zeggen: ’Ziet! gij hebt Jeruzalem met uw leer vervuld’ (Hand. 5:28). In plaats van het ’aan het toeval over te laten’, verklaarde de apostel Paulus: „Want dit is mijn plicht. Ja, wee mij, zo ik het Evangelie niet zou verkondigen.” — 1 Kor. 9:16, de katholieke Petrus-Canisiusvertaling.
Thans hebben Jehovah’s Getuigen, in antwoord op Jezus’ woorden in Matthéüs 24:14 en 28:19, 20, inderdaad het prediken van het goede nieuws van Gods koninkrijk tot „de ene, allesoverheersende activiteit” in hun leven gemaakt. Hun organisatie houdt zich over de hele wereld actief met evangeliseren bezig.