Nieuwe zendelingen worden ertoe aangemoedigd ’loyaal te blijven’
ZONDAG 12 september 1982 was een warme, vochtige dag in de stad New York. Maar één groep van ongeveer 2000 personen merkte hier nauwelijks iets van. Zij begaven zich vroeg op de dag naar de Congreshal van Jehovah’s Getuigen in de stadswijk Queens om getuige te zijn van de graduatie van de drieënzeventigste klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead.
Precies om 10 uur v.m. vroeg de voorzitter van deze dag, Leo Greenlees, een lid van het Onderwijscomité van het Besturende Lichaam, om aandacht. Het luide geroezemoes van stemmen verstomde, iedereen zocht zijn plaats op en de vergadering werd geopend met een loflied voor Jehovah en een gebed. In zijn inleidende opmerkingen herinnerde broeder Greenlees de studenten eraan dat zij „vissers van mensen” waren (Matth. 4:19). Tot nu toe, zo zei hij, hadden zij voornamelijk in „plaatselijke wateren” gevist. Nu gingen zij naar verafgelegen plaatsen om „op volle zee” te gaan vissen. Gilead had hun de noodzakelijke technieken voor deze soort van visserij onderwezen.
Hierna leidde broeder Greenlees Grant Suiter in, een lid van het Uitgeverscomité. Deze spreker verwees naar de herstellingsprofetie in Hosea hoofdstuk 2, de verzen 21 tot en met 23. De afgestudeerden waren erg gezegend, zo zei hij, dat zij het zendingsveld ingingen in een zaaitijd en in een tijd waarin Jehovah God zijn volk werkelijk ’antwoordt’ en zijn volk daar weer gunstig op reageert.
Vervolgens moedigde Calvin Chyke, van het Drukkerijcomité, de studenten ertoe aan „godvruchtige toewijding” te blijven ontwikkelen (1 Tim. 4:7, 8, 12). „De kracht van jullie godvruchtige toewijding”, zo zei hij, „zal anderen ertoe brengen zich in heilige dienst bij jullie te willen aansluiten.”
Hierna volgde Dan Sydlik als vertegenwoordiger van het Personeelcomité. Hij legde uit dat een hartelijke, persoonlijke verhouding tussen mensen niet toevalligerwijs ontstaat. Je moet eraan werken dat ze tot stand komt. „Zelfs zo iets kleins als een glimlach, die niets kost, kan ertoe bijdragen”, zei hij. — Rom. 12:13.
Het Schrijverscomité werd vertegenwoordigd door Lloyd Barry, die de nieuwe zendelingen ertoe aanmoedigde zich ervan te vergewissen dat zij ook een goede geestelijke gezindheid meenamen wanneer zij hun koffers pakten om naar hun toewijzing te reizen. Hij gaf hun tevens de raad, met de woorden van de profeet Haggaï, om ’sterk te zijn en te werken’. — Hag. 2:4.
Vervolgens werden de twee leraren van de Gileadschool uitgenodigd om laatste raadgevingen te verstrekken. Ex-zendeling Jack Redford waarschuwde de studenten: „Wij hebben allemaal onze ups en downs. Iedereen kan de ’ups’ aan. Door de manier waarop jullie de ’downs’ aanpakken, zal worden bepaald hoe jullie het in de zendingsdienst zullen volhouden.” En het hoofd van de school, Ulysses Glass, spoorde hen ertoe aan de problemen die zij in hun toewijzing zouden tegenkomen, op een rijpe wijze, als volwassen mensen, tegemoet te treden.
Tot slot sprak de president van de school, Frederick Franz, de studenten toe. Deze spreker, die nu zijn negentigste jaar is ingegaan, herinnerde hen eraan dat zij een grote Herder dienen die ook een wereldregeerder is. Hij spoorde hen ertoe aan verenigd en loyaal in de wereldomvattende kudde te blijven dienen en besloot: „Moge de Allerhoogste God jullie door bemiddeling van zijn Herder, Jezus Christus, zegenen en jullie op machtige wijze in jullie toewijzing gebruiken.”
De studenten ontvingen hun diploma en de voorzitter kondigde de pauze aan voor het middageten. Vervolgens, om 2.15 uur n.m., werd de studie van de lopende uitgave van het tijdschrift De Wachttoren geleid door Don Adams, van het Bethelhuiscomité, waarbij de studenten de commentaren gaven. Daarna verzorgden zij een schitterend programma bestaande uit muziek en ervaringen, en tot slot voerden zij een roerend en aanmoedigend bijbels drama op.
’s Middags eindigde het programma omstreeks 4.30 uur. En terwijl deze voortreffelijke raadgevingen hun nog steeds in de oren klonken, bereidden de studenten zich er vervolgens op voor om naar hun verre zendingstoewijzing te vertrekken om daar „vissers van mensen” te zijn.