Wat is tijd?
HOE laat is het? Hoe vaak hebt u die vraag al gesteld? Misschien voelt u onder het lezen van deze bladzijde wel de drang bij u opkomen op uw horloge of naar de klok aan de muur te kijken. Waarom? Omdat de mens zich intens bewust is van het verstrijken van de tijd, alsof hij niet kan leven zonder een mate van tijdsbesef. — Ps. 90:12; Pred. 3:11.
Elke dag worden de meesten van ons door de klok geregeerd. Wij slapen, staan op, eten, werken en ontvangen mensen, niet altijd wanneer wij er zin in hebben, maar wanneer wij daar door de wijzers van de klok toe aangezet worden. En het eigenaardige is dat wanneer wij naar een uurwerk kijken, het ons vaak niet zozeer interesseert hoe laat het is dan wel hoeveel tijd ons nog rest voordat het een of ander gebeuren moet.
Alles wat leeft schijnt een inwendige klok te hebben. Veel planten en dieren bijvoorbeeld hebben een nauwkeurig tijdmechanisme in zich dat, in het geval van planten, de bloei regelt en, bij dieren, het sein geeft voor de trek. Zonder dat wij ons daar bewust van zijn, worden er door het voorttikken van biologische klokken chemische stoffen in ons lichaam afgescheiden en lichaamsfuncties geregeld. Doet dat ons niet denken aan de spreuk: „Voor alles is er een vastgestelde tijd”? — Pred. 3:1.
Hoe zou u uitleggen wat tijd is? Sommigen zullen zeggen dat tijd een manier is om dingen te bezien of dat het de afstand tussen gebeurtenissen is. Daarom zou er, als er nooit iets gebeurde, geen tijd zijn. Toch is het definiëren wat tijd nu precies is, even moeilijk als het uitleggen wat oneindige ruimte is. Bepaalde aspecten van de tijd zijn echter wel bekend.
Feiten over de tijd
Wij weten hoe de tijd zich beweegt — voorwaarts, in slechts één richting. Het verleden is voorbij en kan nooit overgedaan worden. Onze fouten hebben hun sporen nagelaten in het zand van de tijd, en onze goede daden eveneens. Wij leven altijd in het heden en begeven ons naar de toekomst, maar wij kunnen nooit teruggaan in de tijd en onze fouten ongedaan maken. Daarom is het zo belangrijk dat wij in het heden goede beslissingen nemen om ons in een betere toekomst te kunnen verheugen en niet een toekomst waarin wij veel dingen moeten betreuren. — Spr. 3:1, 2.
Wij weten hoe wij de tijd moeten meten. In het verre verleden was de mens er tevreden mee het verstrijken van de tijd door de zon, de maan en de sterren te laten aangeven. Voor velen was het als de zon ’s ochtends opging tijd om aan het werk te gaan en als de zon ’s avonds onderging, tijd om te gaan slapen.
Naarmate de samenleving ingewikkelder en mobieler werd, ging de mens zich meer bezighouden met het meten van de tijd. Door ’s mensen vindingrijkheid volgde er een hele stroom uitvindingen met dat doel — de zonnewijzer, het branden van kaarsen, de zandloper, de mechanische klok en, nu, de atoomklok. Die dienen allemaal als een maat of maatstaf voor het meten van een onzichtbare stroom die tijd heet. Als gevolg van de menselijke obsessie de tijd precies bij te houden, zijn veel mensen de kloof overgestoken van een taak-georiënteerde naar een tijd-georiënteerde samenleving.
Maar waarom schijnt de tijd de ene keer te vliegen en de andere keer voorbij te kruipen? Dit komt doordat de tijd zich naar gebeurtenissen laat afmeten. Een periode van inactiviteit lijkt langer dan een periode van activiteit, en hoe meer belangstelling wij hebben voor wat wij aan het doen zijn, des te sneller schijnt de tijd te verstrijken. Als een taak ons verveelt, schijnt de tijd voorbij te kruipen. Hebt u wel eens op iemand zitten wachten? Een aldus doorgebracht werkeloos uur schijnt eindeloos — één gebeurtenis. Maar stel eens dat u in datzelfde uur achter elkaar allerlei werkjes moest doen, bijvoorbeeld een maaltijd voor onverwachte gasten klaarmaken (de aardappels schillen, het vlees in de oven zetten, de groenten koken, de tafel dekken, vlug een stofdoek door het huis halen en uzelf nog even opknappen voor de visite). Dan zou het lijken alsof dat uur met een supersonische snelheid omvloog omdat het door een groot aantal gebeurtenissen gevuld werd.
Ons besef van het verleden, het heden en de toekomst onderscheidt ons van de dieren. Dieren leven in een voortdurend heden, maar mensen kunnen, terwijl zij in het heden leven, putten uit vroegere ervaringen om toekomstige behoeften te voorzien. En naarmate de jaren verstrijken en wij meer levenservaring opdoen, schijnt de tijd nog sneller aan ons voorbij te gaan. Zouden wij daarom, naarmate wij ouder worden en ons pijnlijk bewust zijn van onze eigen sterfelijkheid, niet wat meer moeten nadenken over het leven en hoe wij het leven? — Ps. 90:10.
Hoe waar zijn de opmerkingen van de Engelse dichter Henry Austin Dobson over de tijd:
„De tijd gaat heen, zegt u? Welnee!
De tijd blijft, maar wij, wij gaan.”
Is dit echter onvermijdelijk? Niet als wij werkelijk weten „hoe laat het is”. Een mens kan de tijd berekenen, over de tijd redeneren, de tijd nauwkeurig meten, maar weet hij hoe laat het van Gods standpunt uit bezien is? Waar bevinden wij ons in de stroom des tijds met betrekking tot Zijn tijdschema voor de gebeurtenissen?