Vooruitgang in Ecuador
HOOG ontmoet laag in Ecuador. Hier, in dit kleinste land van de Zuidamerikaanse landen aan de Grote Oceaan, ontmoeten het noordelijke en het zuidelijke halfrond elkaar bij de equator (evenaar). Het ’hoge noorden’ ligt hier slechts enkele stappen verwijderd van het ’lage zuiden’.
Wanneer iemand de omtrek van Ecuador op een kaart ziet, doet deze hem misschien denken aan het palet van een schilder, met de Baai van Guayaquil als inkeping voor de duim. Groene jungles, witgekopte oceaangolven, kortgemaaide grasvelden in de dalen en slingerende rivieren en delta-armen buigen onder een baldakijn van blauwe luchten voor de torenhoge, met sneeuw bedekte toppen van het Andes Gebergte. Het gehele jaar door kan men zowel van vochtige tropische temperaturen als van verkwikkende lenteachtige klimaten genieten. Voeg hierbij de talloze tinten van weelderig groeiende gewassen als koffie, cacao, bananen, rijst, katoen, meloenen, appels, druiven, ananassen, papaya’s en de karakteristieke naranjilla, en de mogelijkheden voor kunstuitingen zijn onbeperkt.
Ecuadors bevolking is even interessant en gevarieerd als zijn topografie. Blanke Spanjaarden, inheemse groepen in hun kleurige kledij, zwarten uit Afrika en Jamaica, een behoorlijk grote oosterse kolonie en een verscheidenheid van mensen van Europese afkomst kan men duidelijk van elkaar onderscheiden. Maar de meerderheid van de ruim 8.644.000 bewoners, die door een gastvrije aard en een bereidwillige glimlach worden gekenmerkt, bestaat uit een mengsel van verschillende rassen.
In Ecuador had een driehonderdjarig monopolie van de katholieke Kerk in religieus opzicht een onveranderde status-quo geschapen. Maar zo’n veertig jaar geleden begonnen er winden van verandering te waaien, met als resultaat dat tijden van op de bijbel gebaseerde verkwikking tot op de huidige dag voortduren. Jehovah’s Getuigen hebben een belangrijk aandeel aan deze verandering gehad en hun verhaal wordt gekenmerkt door toewijding en vasthoudendheid. Ja, hoewel bepaalde religieuze invloeden duidelijk achteruitgaan, beleeft het ware christendom een enorme vooruitgang in Ecuador.
Vroege krachtsinspanningen beloond
Laten wij eens teruggaan naar 1935. In dat jaar, midden in de economische depressie, brachten Theodore Laguna en zijn partner de boodschap van Gods koninkrijk naar Ecuador. Gedurende hun verblijf van tien maanden besteedden zij 1432 uur aan de predikingsactiviteit, en sommige waarheidszaadjes die toen werden gezaaid, vielen op voortreffelijke aarde en brachten veertig jaar later schitterende vruchten voort.
Wij gaan verder naar 1946. Op de Wachttoren-Bijbelschool Gilead werden honderden enthousiaste zendelingen opgeleid. In september van dat jaar kwamen de afgestudeerden Thomas en Mary Klingensmith, samen met Walter en Willmetta Pemberton, in de Ecuadoriaanse hoofdstad Quito aan, vol ijver om met de getuigenisactiviteit te beginnen. Het bleek voor hen een hele uitdaging te zijn om met hun beperkte kennis van het Spaans drie eeuwen van traditie te overwinnen. Getuigeniskaarten, grammofoonopnamen van bijbelse lezingen en een heleboel gebarentaal droegen ertoe bij dat in oktober 1946 de eerste georganiseerde vergadering van Jehovah’s Getuigen in Quito werd gehouden. De krachtsinspanningen van de zendelingen werden gezegend met een bezoekersaantal van acht personen, met inbegrip van één Ecuadoriaan. De volgende maand reeds predikten zeven Ecuadorianen en de vier zendelingen in Quito’s stadswijk Magdalena.
Ramón Redín en Pedro Tules behoorden tot de zeven personen die in augustus 1947 hun opdracht aan Jehovah symboliseerden door zich in water te laten dopen. Op tweeëntachtigjarige leeftijd verricht broeder Redín nog steeds dienst als een speciale pionier of volle-tijd Koninkrijksbekendmaker. Broeder Tules, die nu reeds meer dan vierendertig jaar in de volle-tijddienst werkzaam is, was de eerste Ecuadoriaan die de Gileadschool bezocht (in 1951).
Lonend werk in Quito en Guayaquil
Wij gaan op de kalender nu verder naar 1948. Er kwamen nog zes op Gilead opgeleide zendelingen in Quito aan, terwijl een zelfde aantal zich in de havenstad Guayaquil vestigde.
Lotti Foster, die nu in de tachtig is, kwam met het groepje dat in 1948 arriveerde, in Ecuador aan en woont er nog steeds. „Ik heb gezaaid en water gegeven”, zegt zuster Foster over de drieëndertig jaar dat zij in de zendingsdienst is, waaraan zij toevoegt: „Ik heb beslist velen tot het punt van opdracht aan God mogen helpen. Maar vaak heb ik lectuur verspreid en ben ik studies begonnen, terwijl de mensen later verhuisden. Later ontmoette ik hen dan weer op onze grotere vergaderingen, gedoopt en sterk in de waarheid. . . . Jehovah is beslist degene die zijn veld produktief maakt.” — 1 Kor. 3:6-9.
Fern Noboa kwam ook in 1948 in Ecuador aan. Zuster Noboa verricht thans nog steeds met haar gezin dienst in een land dat zij tot haar tehuis heeft gemaakt. Wanneer zij terugkijkt, herinnert zij zich: „In Quito’s stadswijk Magdalena reed de priester vaak op zijn fiets de straten door en trommelde het gepeupel op om ons weg te jagen. Op zijn minst één keer werden wij door een spervuur van stenen het gebied uitgejaagd.”
De vervolging miste echter haar uitwerking en Jehovah zegende het Koninkrijkspredikingswerk. Thans zijn er dan ook veertien gemeenten in Quito.
In datzelfde jaar, 1948, werd de bijbelse waarheid voor het eerst in Guayaquil, de handelshaven aan de Grote Oceaan, gepredikt. Albert en Zola Hoffman behoorden tot de eerste pioniers die in deze stad predikten. Zuster Hoffman heeft haar aardse loopbaan in 1975 getrouw geëindigd, maar Albert zegt over die eerste vruchtbare krachtsinspanningen:
„Wij werkten met zijn tweeën, om elkaar te helpen met Spaans. Wij kondigden eenvoudig aan dat wij een schitterende en belangrijke boodschap hadden en zetten dan de grammofoon aan. Er verzamelde zich een groep mensen en wij boden de lectuur aan, vooral het boek ’De waarheid zal u vrij maken’, dat in de stad een van de populairste publikaties werd. . . . Vier geïnteresseerden bezochten onze eerste bijeenkomst.”
In maart 1949 bracht N. H. Knorr (destijds president van het Wachttorengenootschap) zijn eerste bezoek aan Ecuador. In Quito luisterden 82 personen naar de toespraak die hij bij kaarslicht hield. In Guayaquil, waar de zendelingen slechts twee en een halve maand actief waren geweest, kwam een groep van 280 personen bijeen om naar de toespraak van broeder Knorr te luisteren.
Tot op die tijd had het bureau van het Genootschap in New York het Koninkrijkspredikingswerk in Ecuador geleid. Nu er 53 actieve Koninkrijksbekendmakers waren en er goede vooruitzichten waren op expansie, werd er echter een bijkantoor geopend in Guayaquil.
Aangevallen
De ijverige getuigenisactiviteit over het Koninkrijk bleef niet onopgemerkt. Andere religieuze elementen begonnen zich hier zorgen over te maken. Vreemd genoeg kwam deze aanvankelijke onrust niet van de zijde van de katholieke Kerk, die beweert 95 procent van de bevolking te vertegenwoordigen, maar van een protestantse evangelische groepering. De aanvallen die in het officiële evangelische tijdschrift op de Getuigen werden gedaan, wekten echter de belangstelling op van nadenkende mensen, van wie velen uiteindelijk het ware christendom aanvaardden.
De Rooms-Katholieke Kerk zou niet afzijdig blijven. In 1951 bood het gepeupel in Quito gewelddadige tegenstand. Jehovah’s volk deed echter onmiddellijk stappen om ’het goede nieuws te verdedigen en wettelijk te bevestigen’ (Fil. 1:7). Artikel 168 van Ecuadors grondwet waarborgt vrijheid van geweten op elk terrein, met inbegrip van de vrije uitoefening van de religie van iemands keuze.
Quito’s belangrijkste dagblad verdedigde het recht van de Getuigen op vrijheid van aanbidding. De regeringsautoriteiten waarschuwden de geestelijkheid, en de geestelijke die voor het optreden van het gepeupel verantwoordelijk was, werd vernederd doordat hij moest zeggen dat hij erop zou toezien dat een dergelijk optreden zich niet meer zou voordoen.
Sommige priesters waren klaarblijkelijk van mening dat zij persoonlijk het gezag vertegenwoordigden, en het duurde niet lang of het gepeupel begon opnieuw tegen Jehovah’s Getuigen op te treden. Verdere verzoeken die tot de competente regeringsautoriteiten werden gericht, hadden tot gevolg dat de regering op 3 december 1952 een telegram naar alle regeringsafdelingen in het land zond. Hierin werd gedetailleerd meegedeeld dat de zendelingen onder de Getuigen „passende bescherming” tegen gewelddadige aanvallen dienden te ontvangen. Dit telegram, dat in de archieven van alle provinciale bestuurders in het land werd opgeborgen, vertegenwoordigt tot op de huidige dag het officiële standpunt met betrekking tot de wettelijke positie van Jehovah’s Getuigen.
Het naleven van de wet is echter een andere kwestie. Binnen twee jaar tijd viel gepeupel bestaande uit tweehonderd personen een grote vergadering van Jehovah’s Getuigen in Riobamba aan. Opnieuw kwamen de krachtsinspanningen van de geestelijkheid echter op hun eigen hoofd terug, want in het gehele land verdedigden de kranten het recht dat de Getuigen hadden op vrijheid van aanbidding.
Vreedzame expansie
Het decennium van de jaren vijftig was een tijd van groei en consolidatie. De broeders N. H. Knorr en M. G. Henschel bezochten Ecuador en er werden nieuwe zendelingenhuizen opgericht. De vijf gemeenten kregen vervolgens geregeld bezoek van een reizende opziener. Op het ogenblik zijn er zes kringen in het land.
De ruimte voor vergaderingen en bijkantoorwerkzaamheden was beperkt. In 1955 werd er derhalve land gekocht waarop faciliteiten voor een bijkantoor gebouwd konden worden. In oktober 1956 werd met de graafwerkzaamheden begonnen en in mei 1957 was er een prachtig, sterk gebouw voltooid dat ruimte bood voor groei, terwijl in de Koninkrijkszaal voor driehonderd mensen een gerieflijke zitplaats werd verschaft. Tegen het begin van de jaren zeventig bleek er duidelijk behoefte te bestaan aan uitbreiding. In december 1974 kwam er een bouwproject gereed waarin de opslagruimte verviervoudigd was, terwijl er aan 24 zendelingen huisvesting verleend kon worden. En even buiten Guayaquil konden wij in 1981 grond kopen voor een kringhal, een opslagplaats, en misschien nog andere faciliteiten.
„Het kleine Vaticaan” stort in
In 1953 werden er zendelingen gestuurd naar Cuenca, de op twee na grootste stad van Ecuador, soms „het kleine Vaticaan” genoemd. Er werden slechts langzaam vorderingen gemaakt en de zendelingen werden in 1955 overgeplaatst. Maar in het geval van sommigen was het zaad op goede aarde gevallen. Een jongeman, Carlos Sanchez, aanvaardde bijvoorbeeld de waarheid. „Toen ik voor het eerst de vergaderingen bezocht”, herinnert hij zich, „was ik zo verlegen en bedeesd dat ik de muts die ik droeg, wel over mijn gezicht wilde trekken zodat anderen mij niet zouden zien.” Nu straalt zijn gezicht van vreugde over de waarheid die zijn leven heeft veranderd. Hoewel broeder Sanchez vanaf zijn middel verlamd is als gevolg van een ernstig auto-ongeluk, blijft hij ijverig zijn best doen om andere waarheidszoekers te vinden.
Cuenca — het „kleine Vaticaan” — veranderde, en een geestelijke heeft hierin een aandeel gehad. Harley Harris, nu bijkantoorcoördinator in Ecuador, herinnert zich hoe drie andere zendelingen, een speciale pionier en hij zich in 1966 gezamenlijk inspanden om daar een gemeente te kunnen oprichten. Hij zegt:
„Tijdens ons van-huis-tot-huiswerk hoorden wij dat een Spaanse priester . . . in de kerk had bekendgemaakt dat als mensen over de bijbel spraken, men naar hen moest luisteren, aangezien de bijbel de waarheid bevatte. . . . Ik heb in het zendelingenhuis twee uur met hem gesproken. Hij vroeg om een bijbel en legde een bijzonder ontvankelijke houding aan de dag. Aangezien hij erop tegen was mensen naar draagkracht geld te laten betalen voor kerkdiensten, omdat hij vond dat een mis een mis was, die voor iedereen hetzelfde kostte, haalde deze priester zich de gramschap van de bisschop op de hals en werd hij naar zijn geboorteland Spanje teruggestuurd. Toch hadden zijn opmerkingen de geestelijke boeien van velen losgemaakt en werd onze predikingsactiviteit bijzonder produktief. Nu, in 1982, zijn er drie actieve gemeenten van Jehovah’s volk in Cuenca.”
Het werk breidt zich uit naar het zuiden
Vanaf 1 oktober 1956 werden Carl Dochow en Nicolas Wesley toegewezen aan de gehele zuidelijke provincie El Oro. In het opkomende landbouwcentrum Machala werkten zij anderhalf jaar voordat zij één nieuwe Koninkrijksverkondiger in het veld zagen. „Toen nam het werk een hoge vlucht”, herinnert broeder Dochow zich. „In 1960 werd er een reusachtige stap voorwaarts gedaan met het verkrijgen van de allereerste Koninkrijkszaal die het eigendom was van een gemeente van Jehovah’s Getuigen [dus geen huurzaal, zoals in dit land voorheen altijd het geval was] . . . Deze zaal is sindsdien vergroot en veranderd en strekt de ware aanbidding beslist tot eer.”
In Machala zijn nu drie gemeenten, terwijl er in de rest van de provincie nog zes gemeenten zijn. En op het ogenblik zijn de meeste Koninkrijkszalen in Ecuador het eigendom van de plaatselijke gemeenten.
Hulp vanuit het buitenland
Tijdens het internationale congres van Jehovah’s Getuigen dat in 1958 in de stad New York (VS) werd gehouden, werd aan gezinnen de uitnodiging gericht in landen te gaan dienen waar de behoefte aan Koninkrijksverkondigers sterker werd gevoeld. Ecuador heeft vermoedelijk meer van dergelijke hulp ontvangen dan welk ander Zuidamerikaans land maar ook. In 1959 sprak broeder Knorr 120 personen toe die hier waren gekomen. Verscheidene van deze gezinnen verrichten nog steeds dienst in het Ecuadoriaanse veld.
Meer werk in het verschiet
Vanaf 1966, toen de eenenveertigste klas van de Gileadschool gradueerde, zijn tientallen zendelingen hier in Ecuador dienst gaan verrichten. De resultaten zijn bijzonder bevredigend.
Op het ogenblik zijn er 112 gemeenten in Ecuador. Hoewel sommige gebieden van het land nog steeds de Koninkrijksboodschap moeten horen, worden er krachtsinspanningen gedaan om dit niet-toegewezen gebied te bewerken. Dat er nog steeds groei mogelijk is, wordt duidelijk te kennen gegeven door het in het oog springende bezoekersaantal tijdens het Avondmaal des Heren. Terwijl in 1981 een hoogtepunt van 5666 Koninkrijksverkondigers werd bereikt, woonden in dat jaar 26.576 personen de Gedachtenisviering bij.
Uit alles blijkt dat Jehovah de Koninkrijksprediking in dit land zegent. De invloed van de christenheid neemt in Ecuador sterk af, maar wij verheugen ons erover dat het ware christendom vooruitgaat, tot eeuwige lof van Jehovah.
[Kaart op blz. 28]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
Quito
Riobamba
Guayaquil
Cuenca
Machala
Baai van Guayaquil