Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w82 1/9 blz. 16-20
  • Zich loyaal onderwerpen aan theocratische orde

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Zich loyaal onderwerpen aan theocratische orde
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1982
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • De gevolgen van een verkeerde handelwijze
  • In deze tijd op onze hoede zijn
  • Op Jehovah wachten
  • Vreugdevolle onderwerping aan autoriteit
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1994
  • De theocratische organisatie erkennen in het belang van het leven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1954
  • Het volgen van getrouwe herders met leven in het vooruitzicht
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1968
  • Opzieners over Jehovah’s volk
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1957
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1982
w82 1/9 blz. 16-20

Zich loyaal onderwerpen aan theocratische orde

„Zie! Hoe goed en hoe aangenaam is het als broeders in eenheid te zamen wonen! Het is als de dauw van Hermon, die neerdaalt op de bergen van Sion.” — Ps. 133:1, 3.

1. Hoe beschrijft Jehovah’s Woord zijn aardse huisgezin van opgedragen dienstknechten?

WAT is dit een schitterende beschrijving van het huisgezin van degenen die — zij het over de gehele aarde verspreid — hun leven hebben opgedragen aan hun gezamenlijke Ouder, Jehovah God! En hij geeft beslist op een grootse manier leiding aan deze wereldomvattende huishouding. Liefdevol voorziet hij in al onze behoeften. — Ps. 145:16.

2. Wat betekent het zich aan theocratische orde te onderwerpen?

2 Jehovah houdt er echter op krachtige wijze de hand aan dat al zijn toegewijde kinderen vrede en eenheid bewaren (1 Kor. 1:10). En deze goede resultaten worden verkregen wanneer Gods dienstknechten zich loyaal onderwerpen aan theocratische orde. Wat betekent dit? Aangezien Gods heerschappij een theocratie (Godsregering) wordt genoemd, betekent zich onderwerpen aan theocratische orde, dat wij gehoorzaam zijn aan de wetten, rechterlijke beslissingen en beginselen die van God afkomstig zijn. — Jes. 33:22.

3. Hoe bracht Jezus tot uitdrukking hoe hij over onderworpenheid aan Gods heerschappij dacht?

3 Het schitterendste voorbeeld van iemand die zich loyaal onderwierp aan theocratische orde, is dat van Jezus Christus. In de hemel was hij „de eerstgeborene van heel de schepping” (Kol. 1:15). „Jehovah zelf heeft mij voortgebracht als het begin van zijn weg, als het vroegste van zijn werken van lang geleden. Vanaf onbepaalde tijd werd ik aangesteld, van de aanvang af, vanaf tijden vroeger dan de aarde. . . . ik [kwam] als een meesterwerker naast [God] te staan, en ik werd degene op wie hij dag aan dag bijzonder gesteld was, terwijl ik te allen tijde vrolijk was voor zijn aangezicht” (Spr. 8:22, 23, 30). Dat hij er behagen in schepte zich aan Gods heerschappij te onderwerpen, bleek duidelijk toen hij op aarde was, want Jezus legde uit: „Ik ben niet uit de hemel neergedaald om mijn wil te doen, maar de wil van hem die mij heeft gezonden” (Joh. 6:38). Tot het doen van de wil van God behoorde ook dat hij er heel zorgvuldig op toezag Gods gedachten, niet zijn eigen gedachten, te onderwijzen. „Wat ik leer, is niet van mij, maar behoort hem toe die mij heeft gezonden”, zei Jezus (Joh. 7:16). Wat een schitterende houding waaraan al Gods dienstknechten een voorbeeld kunnen nemen!

4. Beschrijf de theocratische regeling in deze tijd.

4 Wegens zijn loyale onderworpenheid aan theocratische heerschappij, zelfs tot de dood, werd Jezus met onsterfelijk hemels leven beloond. Bovendien ontving hij „alle autoriteit in hemel en op aarde” (Matth. 28:18). Op zijn beurt vertrouwde hij „al zijn bezittingen” op aarde (de aardse belangen van zijn Koninkrijk) aan getrouwe gezalfde christenen toe. Jezus noemde hen een „getrouwe en beleidvolle slaaf” (Matth. 24:45-47). Als beloning zullen zij op zekere dag te zamen met Christus als „priesters” en „koningen” in de hemelse heerschappij van zijn koninkrijk delen (Openb. 14:1, 4; 20:6). In deze tijd leeft nog een overblijfsel van deze ’getrouwe slaaf’ op aarde. Zij hebben onder andere de taak het geestelijke voedsel dat zij te rechter tijd ontvangen, aan al Jehovah’s aardse dienstknechten door te geven. De positie die zij innemen, komt overeen met die van Paulus en zijn medewerkers, want die apostel zei over de schitterende waarheden die God aan zijn volk schenkt: „Aan ons heeft God het geopenbaard door middel van zijn geest” (1 Kor. 2:9, 10). Zij nemen ook de leiding in het werk dat erin bestaat het Koninkrijk „op de gehele bewoonde aarde” te prediken, een werk dat voltooid moet worden voordat het einde van dit ten ondergang gedoemde samenstel van dingen aanbreekt. — Matth. 24:14.

De gevolgen van een verkeerde handelwijze

5, 6. (a) Welke gevolgen had het voor Eva en Adam dat zij onafhankelijk van Jehovah wilden zijn? (b) Hoe handelt Jehovah met ’wolven in schaapsklederen’?

5 Hoe uiterst belangrijk is het voor iedereen die tot Gods gezin behoort, zich loyaal te onderwerpen aan de onderwijzingen en regelingen van de Grote Theocraat, Jehovah, en zijn Koning-Zoon, Christus Jezus, zoals die via de ’getrouwe slaaf’ op aarde worden doorgegeven! Aangezien theocratische orde bij Jehovah zelf begint en zich naar beneden uitstrekt, zullen wij nooit Satan de Duivel willen imiteren door ons onafhankelijk te maken van theocratische heerschappij. Roep u te binnen welke droevige gevolgen het voor Eva had toen zij gehoor gaf aan Satans misleidende aansporing zich niet aan theocratische orde te onderwerpen. Hij zei feitelijk tegen haar: ’Wees onafhankelijk van God. Denk zelf na. Besluit zelf wat goed en kwaad is. Dan zul je als God zijn. Je zult beslist niet sterven’ (Gen. 3:1-5). Dat kan aantrekkelijk hebben geklonken, maar het was een leugen (Joh. 8:44). Toen haar man zich bij haar aansloot door zich eveneens niet meer aan theocratische orde te willen onderwerpen, werden zij uit de hof van Eden en uit Gods gezin van loyale dienstknechten verdreven. Na verloop van tijd werd het doodsoordeel, precies zoals Jehovah had gewaarschuwd, aan hen beiden voltrokken. — Gen. 2:17.

6 Evenzo volgen personen onder Jehovah’s volk die zich in deze tijd bezighouden met onafhankelijke en tegenstrijdige onderwijzingen, niet God na, maar Satan de Duivel. Jehovah ziet echter wat er in zijn gezin gebeurt en neemt er nota van (Spr. 15:3). Hij zal geen met wolven te vergelijken personen tolereren die zijn met schapen te vergelijken dienstknechten zouden willen verslinden, en daarom treedt hij op de juiste tijd beslissend op (Matth. 7:15-23). Als een liefdevolle vader beschermt hij het geestelijke welzijn van zijn gezin. — Ezech. 34:11-16.

7. (a) Wat verzuimden Aäron en Mirjam ter harte te nemen? (b) Met welke gevolgen?

7 Ook uit andere bijbelse voorbeelden blijkt duidelijk hoe gevaarlijk het is zich niet loyaal aan theocratische orde te onderwerpen. Mirjam en Aäron lieten zich bijvoorbeeld voorstaan op hun familieverhouding met Mozes en betwistten zijn positie in de gemeente van het Israël uit de oudheid (Num. 12:1, 2). Zij bleven in gebreke het feit in aanmerking te nemen dat Jehovah zelf speciale autoriteit aan Mozes had verleend, zoals door miraculeuze gebeurtenissen was bevestigd. Jehovah herinnerde hen aan het volgende: „Mijn knecht Mozes . . . wordt mijn gehele huis toevertrouwd. Van mond tot mond spreek ik tot hem. . . . Waarom hebt gij dan niet gevreesd tégen mijn knecht, tégen Mozes te spreken?” Toen ’ontbrandde Jehovah’s toorn tegen hen’. Aäron werd streng berispt, en wat Mirjam betreft, zij werd met melaatsheid geslagen en gedurende een periode van zeven dagen uit het kamp van Israël verwijderd. — Num. 12:7-15.

8. Wat wordt door het geval van koning Saul geïllustreerd?

8 Vervolgens was er koning Saul van het Israël uit de oudheid, die weigerde op Jehovah te wachten. In plaats daarvan matigde hij zich aan slachtoffers te brengen terwijl hij geen priester was. Hij voerde het zwakke excuus aan dat hij gevaar liep zijn leger te verliezen door deserties. Maar wiens leger was het? Van Saul of van Jehovah? De profeet Samuël zei tot hem: „Gij hebt dwaas gehandeld. Gij hebt het gebod van Jehovah, uw God, . . . niet onderhouden . . . En nu zal uw koninkrijk niet bestendig zijn” (1 Sam. 13:13, 14). Het koningschap werd van Saul weggenomen en gegeven aan ’een man aangenaam naar Jehovah’s hart’. Saul betaalde aldus een zware prijs voor zijn gebrek aan onderworpenheid en ook voor zijn gebrek aan oprecht berouw toen de kwestie onder zijn aandacht werd gebracht. Hierdoor wordt geïllustreerd dat Jehovah inderdaad nota neemt van aanmatigende, onafhankelijke, niet-theocratische tendensen onder zijn volk. — Spr. 11:2.

9. Waarom werd koning Uzzía een uitgestotene?

9 Het geval van de Judese koning Uzzía komt hiermee overeen. Hoewel hij koning was over Jehovah’s volk, had hij niet de autoriteit ontvangen in enige priesterlijke hoedanigheid dienst te verrichten. Toch stond hij erop als priester te fungeren. De priesters protesteerden krachtig en zeiden: „Het is niet uw zaak, o Uzzía, om reukwerk te branden voor Jehovah, maar het is de zaak van de priesters, de zonen van Aäron, de geheiligden, om reukwerk te branden. Ga uit het heiligdom vandaan; want gij hebt ontrouw gehandeld.” Uzzía gaf vervolgens geen blijk van berouw, maar werd woedend op de priesters, waardoor hij zijn zonde van overmoed nog verergerde. „Gedurende zijn woede tegen de priesters flitste er melaatsheid op aan zijn voorhoofd . . . omdat Jehovah hem geslagen had.” Tot aan de dag van zijn dood bleef hij een melaatse, een uitgestotene, „afgesneden van het huis van Jehovah”. — 2 Kron. 26:16-21.

10. Hoe beschreef Paulus degenen die zijn aanstelling door Jezus betwistten?

10 De apostel Paulus sprak over sommige personen die zich laatdunkend uitlieten over de speciale aanstelling die hij van het Hoofd van de christelijke gemeente, Jezus Christus, had ontvangen (2 Kor. 11:12). Maar Paulus zei dat zulke mensen „valse apostelen [waren], bedrieglijke werkers, die zich veranderen in apostelen van Christus. En geen wonder, want Satan zelf blijft zich veranderen in een engel des lichts” (2 Kor. 11:13, 14). Die mensen bevorderden hun eigen zelfzuchtige doeleinden. Paulus had voor dergelijke personen gewaarschuwd met de woorden: „Uit uw eigen midden zullen mannen opstaan die verdraaide dingen zullen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken. Blijft daarom wakker” (Hand. 20:30, 31). Paulus smeekte de broeders, met inbegrip van die zogenaamde apostelen, niet toe te laten dat twist en wanorde de eenheid en vruchtbaarheid van de christelijke gemeente bedierven. Mochten sommigen in gebreke blijven deze door de geest geïnspireerde raad ter harte te nemen, dan stond hun beslist rampspoed te wachten. — Gal. 1:7-9.

11. Hoe beschermt Jehovah de harmonie in zijn aardse huisgezin?

11 De geïnspireerde bijbelschrijver Johannes verklaarde: „Een ieder die vooruitdringt en niet blijft in de leer van de Christus, heeft God niet. . . . Als iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem nimmer in uw huis en richt ook geen groet tot hem. Want wie een groet tot hem richt, deelt in zijn goddeloze werken” (2 Joh. 9-11). Ja, Jehovah zal de goede geest en de harmonie in zijn huisgezin beschermen.

In deze tijd op onze hoede zijn

12. Waarin vergadert Jehovah allen die hem liefhebben?

12 Thans, „in het laatst der dagen”, vergadert Jehovah allen die hem liefhebben in één verenigde, harmonieuze organisatie. Mensen uit alle natiën slaan acht op de oproep: „Komt, en laten wij opgaan naar de berg van Jehovah, naar het huis van de God van Jakob; en hij zal ons onderrichten omtrent zijn wegen, en wij zullen stellig zijn paden bewandelen” (Jes. 2:2, 3). Merk op dat Jehovah mensen in zijn wegen onderricht, opdat zij zijn paden kunnen betreden en niet hun eigen wegen en hun eigen paden bewandelen. — Jer. 10:23, 24.

13. (a) Waarom moeten wij thans speciaal op onze hoede zijn? (b) Hoe kunnen wij Satans oogmerken verijdelen?

13 Satan heeft thans echter „grote toorn”. Hij weet dat hij nog slechts „een korte tijdsperiode” heeft voordat hij wordt uitgeschakeld. Daarom gaat hij rond „als een brullende leeuw, op zoek om iemand te verslinden” (Openb. 12:12; 1 Petr. 5:8). Wij moeten dan ook op onze hoede zijn voor alle pogingen die de god van deze wereld, Satan de Duivel, in het werk stelt om twist en tweedracht onder de leden van Jehovah’s gezin te zaaien. „Ziet er daarom nauwlettend op toe hoe gij wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen, de gelegen tijd voor uzelf uitkopend, omdat de dagen goddeloos zijn. Wordt daarom niet langer onredelijk, maar blijft inzien wat de wil van Jehovah is” (Ef. 5:15-17). Door voordeel te trekken van Jehovah’s voorzieningen voor ons geestelijke welzijn, zullen wij worden opgebouwd en gelouterd en op juiste wijze worden bewapend. Aldus zullen wij een tegenwicht kunnen vormen tegen Satans goddeloze plannen en zijn doel kunnen verijdelen. — Ef. 6:10-13.

14. Waarom is het zeer gevaarlijk om een hogere dunk van onszelf te hebben dan gepast is?

14 Een geesteshouding waarvoor wij op onze hoede moeten zijn, is een hogere dunk van onszelf te hebben dan gepast is (Rom. 12:3). Een christen zou daardoor kunnen gaan denken dat hij een speciale missie van God heeft, los van het kanaal dat Jehovah gebruikt om zijn huisgezin zijn waarheden bekend te maken en leiding te verschaffen. Door zo’n houding zou iemand in feite te kennen geven dat hij zich naar zijn mening in een speciale verhouding tot Jehovah verheugt, een verhouding waarin geen enkele andere broeder of zuster in het huisgezin zich verheugt. Een dergelijke afzondering kan echter alleen maar tot dwaasheid leiden: „Wie zich afzondert, zal zijn eigen zelfzuchtige verlangen zoeken; tegen alle praktische wijsheid zal hij losbarsten.” — Spr. 18:1.

Op Jehovah wachten

15. (a) Is het juist om suggesties aan Jehovah’s „slaaf”-klasse te doen? (b) Illustreer de toepassing van theocratische onderworpenheid in de eerste eeuw.

15 Af en toe vestigen sommigen de aandacht van de „slaaf”-klasse op verscheidene leerstellige of organisatorische kwesties die naar hun mening herzien dienen te worden. Suggesties ter verbetering zijn beslist juist, evenals het niet verkeerd is om naar verdere verduidelijking van enkele punten te vragen. Een voorbeeld hiervan deed zich voor toen Paulus, Barnabas en anderen „naar de apostelen en oudere mannen in Jeruzalem” werden gezonden in verband met de besnijdenis. Toen die ouderlingen in Jeruzalem onder leiding van de heilige geest een beslissing namen inzake deze kwestie, zonden zij broeders naar verscheidene steden om „hun daar ter nakoming de verordeningen over [te brengen] waartoe door de apostelen en oudere mannen die zich in Jeruzalem bevonden, was besloten”. Loyale onderworpenheid aan die verordeningen had Jehovah’s zegen tot gevolg. Aldus „werden de gemeenten aanhoudend in het geloof bevestigd en namen ze van dag tot dag voortdurend in aantal toe”. — Hand. 15:1–16:5.

16. (a) Welke juiste geest dient aan de dag gelegd te worden nadat er suggesties zijn gedaan? (b) Welke raad geeft Paulus aan degenen die een verkeerde geest aan de dag leggen?

16 Nadat men suggesties heeft gedaan, dient men er tevreden mee te zijn de zaak aan de gebedsvolle beschouwing over te laten van de rijpe broeders die het werk in Jehovah’s organisatie leiden. Hierdoor legt men een juiste geest aan de dag. Maar als degenen die de suggesties doen, daar niet tevreden mee zijn en het onderwerp in de gemeenten tot een geschilpunt blijven maken ten einde anderen ertoe te brengen hen te ondersteunen, wat dan? Dat zou verdeeldheid scheppen en het geloof van sommigen kunnen ondermijnen. Paulus geeft derhalve de raad „hen in het oog te houden die, in strijd met de leer welke gij hebt geleerd, verdeeldheid veroorzaken en aanleiding tot struikelen geven, en mijdt hen”. Paulus gaf Titus ook de raad „de tegensprekers terecht te wijzen”, waaraan hij toevoegde: „Het is noodzakelijk hun de mond te snoeren, daar deze mensen voortdurend hele huisgezinnen ondersteboven keren door . . . dingen te leren die zij niet behoren te leren. . . . Blijf hen juist om die reden streng terechtwijzen.” — Rom. 16:17, 18; Tit. 1:9-13.

17. Hoe kunnen wij in deze tijd Davids voortreffelijke houding navolgen?

17 Gods Woord verklaart: „Kennis blaast op, maar liefde bouwt op” (1 Kor. 8:1). Hoeveel beter is het derhalve om druk bezig te blijven in het belangrijkste werk dat erin bestaat Gods schitterende koninkrijk bekend te maken, opbouwende dingen te spreken en het geloof van anderen en onszelf te versterken, terwijl wij geduldig wachten totdat Jehovah via zijn aangestelde kanaal zijn wil ten uitvoer zal brengen! (Rom. 14:19; Fil. 4:8, 9) Volg David na toen hij zei: „Want op u, o Jehovah, wachtte ik; gijzelf hebt voorts geantwoord, o Jehovah, mijn God” (Ps. 38:15). Vergeet nooit de belangrijke gedachte die door Paulus onder woorden werd gebracht, namelijk „dat gij allen in overeenstemming met elkaar spreekt en dat er geen verdeeldheid onder u is, maar dat gij nauw verenigd zijt in dezelfde geest en in dezelfde gedachtengang” (1 Kor. 1:10). Aangezien dit beginsel in Jehovah’s gezin over de gehele wereld wordt toegepast, zien wij wonderbare resultaten. Ja, „hoe goed en hoe aangenaam is het als broeders in eenheid te zamen wonen”! — Ps. 133:1.

Kunt u de volgende vragen beantwoorden:

□ Hoe gaf Jezus een schitterend voorbeeld in onderworpenheid aan theocratische orde?

□ Wat kan een gebrek aan onderworpenheid aan theocratische orde tot gevolg hebben?

□ Waarom moeten wij in deze tijd speciaal op onze hoede zijn voor Satan?

□ Van welke houding dienen wij blijk te geven als wij suggesties doen?

[Illustratie op blz. 18]

Omdat koning Uzzía zich niet aan theocratische orde onderwierp, werd hij door melaatsheid getroffen

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen