Op zoek naar succes
HET was 20 juli 1969. Het ruimteschip Apollo 11 en het maanlandingsvoertuig Eagle cirkelden om de maan, terwijl de bemanning de allerlaatste voorbereidingen trof voor de eerste gedenkwaardige landing van de mens op de maan. Ik bevond mij in het vluchtbegeleidingsvertrek van het Centrum voor Bemande Ruimtevaart in Houston, Texas, terwijl tientallen gedachten mij door de geest schoten: Zal het een veilige landing zijn? Zal het systeem waarvoor ik verantwoordelijk was, goed functioneren en zijn noodzakelijke verrichtingen uitvoeren?
Met mij waren daar nog vele anderen die jarenlang ijverig naar dit moment toe hadden gewerkt, en wij wachtten en luisterden gespannen. Plotseling zei een stem van 384.000 kilometer uit de ruimte: „Houston, de Eagle is geland.” Wat was ik opgewonden en opgetogen bij het horen van die woorden!
En toch, hoewel ik had geholpen bij het ontwerpen, bouwen en uittesten van het ruimteschip dat de mens naar de oppervlakte van de maan bracht, kwam ik al spoedig tot het besef dat ik geen succes — werkelijk succes — en geluk in het leven had gevonden. Maar voor ik u daarover meer vertel, zal ik eerst verklaren hoe ik bij het ruimtevaartprogramma betrokken ben geraakt en welke uitwerking dat op mijn leven had.
Vroege invloeden
Ik ben opgegroeid op een boerderij in Oklahoma, waar harde lichamelijke arbeid de gewone manier van leven was. Hoewel wij voldoende voedsel, kleding en onderdak hadden, waren er tijden dat wij niet genoeg geld hadden om een postzegel te betalen, in die tijd drie dollarcent.
Mijn vader was grootgebracht in een heel arm gezin en had slechts enkele jaren school gehad. Daarom prentte hij zijn kinderen de noodzaak in van een goede universitaire opleiding om succes te kunnen hebben. Daar besloot ik dan ook voor te zorgen. Tijdens de zomermaanden maakte ik extra lange werkdagen en tijdens de schoolmaanden had ik part-time baantjes. De hele dag liep ik college en ik studeerde elke avond door tot in de vroege ochtenduren. In 1961 kwam ik van de universiteit van Oklahoma met een graad in elektrotechniek.
In de vier jaar dat ik aan de universiteit had gestudeerd, was het ruimtevaartprogramma op gang gekomen, en vele bedrijven schreeuwden om academisch gevormde technici. Dat trok mij beslist aan, omdat het een enorme stap vooruit leek ten opzichte van het leven op de boerderij. Aangezien ik aan de universiteit goede resultaten had behaald, kreeg ik aanbiedingen uit heel de Verenigde Staten. Ik nam een betrekking aan op Cape Canaveral in Florida, de lanceerbasis voor alle bemande ruimtevluchten.
Mijn streven naar succes
Het duurde niet lang of ik was helemaal thuis in de sfeer van het ruimteprogramma. Slechts drie weken nadat ik in die baan begonnen was, werd het eerste Amerikaanse bemande ruimteschip in een omloopbaan om de aarde gebracht. Ook al had ik aan dat speciale project niet meegewerkt, ik voelde mij er toch een deel van. De geest van nationalisme was in die dagen heel sterk, aangezien de president van de Verenigde Staten in het openbaar had verklaard dat zijn land voor het einde van het decennium (de jaren zestig) een man op de maan zou laten landen en hem veilig naar de aarde terug zou halen. De Sovjet-Unie scheen een soortgelijk doel na te streven, zodat het in feite beschouwd werd als een „ruimterace”. Ik popelde om mijn patriottische plicht te doen en te helpen deze race te winnen.
Ik was er bijzonder op gebrand in mijn beroep te slagen. Om dat te bereiken zorgde ik ervoor dat ik mijn voordeel deed met elke gelegenheid om vooruit te komen. Ik maakte regelmatig overuren (waarvoor ik niet werd betaald) en nam bereidwillig dienstreizen buiten de stad op me die anderen weigerden omdat zij niet bij hun gezin vandaan wilden zijn. Ik schreef in voor avondcursussen en behaalde mijn ingenieurstitel, omdat mijn chef daartoe had aangemoedigd als een middel om promotie te maken. Omdat mijn directe chef graag pokerde, deed ik mee, aangezien ik ook dat zag als een gelegenheid om mijn succes te bevorderen.
Binnen twee jaar werd ik bevorderd tot chef over een groep van vijf tot zeven ingenieurs, en hoewel het een kleine groep was, betrof het hier een grote verantwoordelijkheid. Tegen die tijd had ik enkelen van de astronauten leren kennen, en een deel van mijn werk hield in dat ik hen op de hoogte hield van de vluchtparaatheid van het traagheidsgeleidingssysteem van het ruimtevaartuig. Ik genoot niet alleen van mijn werk, maar ook van de roem die afstraalde van het feit dat ik de astronauten kende en regelmatig contact met hen had.
Korte tijd later kreeg ik de leiding over de activiteiten van 10 tot 12 ingenieurs tijdens tests met het ruimteschip op het lanceerplatform. Aangezien wij voor een van de voornaamste systemen van het ruimteschip verantwoordelijk waren en ik de rapporteur van de groep was, voelde ik mij werkelijk uitermate belangrijk. Volgens mijn opvattingen in die tijd had ik het succes bereikt.
Toen het Gemini-programma (tweepersoonsvluchten) werd afgesloten, werd mij de gelegenheid geboden om van het Kennedy Ruimtevaartcentrum in Florida te verhuizen naar het Centrum voor Bemande Ruimtevaart in Houston, Texas, om te werken aan het maanlandingsproject van het driepersoons Apollo-maanschip. Daar dit een goed middel leek om verder vooruit te komen, nam ik het aanbod met beide handen aan.
De eerstvolgende jaren werden doorgebracht met hard werken aan de eerste maanlandingsvlucht, het ontwikkelen van computerprogrammatuur voor de besturings- en navigatiesystemen, het plannen van technieken voor het opdrachtenschema en vluchtsimulaties op een computer op aarde. Ik weet nog hoe een van mijn superieuren tegen mij zei: „Niets is belangrijker dan deze vlucht tot een succes maken.”
Het gevolg was, dat ik aan mijn werk verslaafd raakte. Mijn hele leven draaide erom dat ik een bijdrage wilde leveren aan een succesvol maanlandingsproject en ook voor mijzelf naam wilde maken bij mijn superieuren. Mijn gezin kreeg erg weinig aandacht. Ik was beslist zichtbaar van trots vervuld toen op 20 juli 1969, voor het eerst in de geschiedenis, iemand die ik had gekend en met wie ik had gewerkt, de oppervlakte van de maan betrad vanuit een ruimteschip dat ik had helpen ontwerpen en bouwen.
Een verandering in denken
Gedurende de twee jaar na deze eerste maanlandingsvlucht begon ik ernstig na te denken over mijn beroep en wat de toekomst voor mij inhield. Zo te zien had ik toch een zekere mate van succes bereikt — een goedbetaalde baan, aanwijsbare financiële zekerheid, een huis, een gezin en gerespecteerde kennissen. Maar ik begon steeds duidelijker te zien hoe ik gevangen zat in een stelsel dat in werkelijkheid tot niets leidde. Hoe meer ik presteerde, des te meer moest ik presteren en een rustpunt was er niet. Wat ik in feite had bereikt, was een vals gevoel van zekerheid. Werkelijk succes en waar geluk kwamen niet voort uit hetgeen ik tot stand had gebracht.
Toen kwam in de zomer van 1973 een familielid van mijn vrouw bij ons op bezoek. Hij en zijn vrouw hadden de bijbel bestudeerd met Jehovah’s Getuigen en zij waren van plan een congres van de Getuigen te bezoeken dat in Houston, Texas, werd gehouden. Aangezien wij dat weekeind niets anders te doen hadden, gingen mijn gezin en ik met hen mee naar het congres. Ik was zeer diep onder de indruk van de eerlijkheid en de geduldige, beleefde houding die de mensen aan de dag legden bij het in de rij staan voor maaltijden.
Kort na dat congres begonnen mijn gezin en ik de vergaderingen in de plaatselijke Koninkrijkszaal van Jehovah’s Getuigen bij te wonen, en er werden regelingen getroffen voor een wekelijkse bijbelstudie met ons. Het eerste dat diepe indruk op mij maakte in wat ik leerde, was het vooruitzicht te leven op een aarde die gereinigd was van hebzucht, goddeloosheid en onrecht (Ps. 37:10, 11, 29; Spr. 2:21, 22; 2 Petr. 3:13). Dit stond beslist in sterke tegenstelling tot de zelfzuchtige geest van wedijver die ik zo vele jaren lang had gezien en tot de mijne had gemaakt.
Naarmate ik vorderingen maakte in mijn studie van de bijbel, ging ik inzien hoe waardevol het was dat ik mijn eigen levenssituatie kon terugvinden in wat ik leerde. Zo verplaatste ik mij bijvoorbeeld in de positie van koning Salomo, toen ik zijn woorden las die staan opgetekend in Prediker 4:4: „Ikzelf heb al het harde werk en al de bekwaamheid in het werk gezien, dat het de wedijver betekent van de een tegenover de ander; ook dit is ijdelheid en een najagen van de wind.” Hoe waar was dit in mijn eigen geval! Ik had hard gewerkt en was uitermate bekwaam geworden in wat ik deed. Toch was het van nul en gener waarde gebleken om mij van blijvend geluk en vrede des geestes te verzekeren.
Veranderingen in mijn leven aanbrengen
Op grond van de kennis die ik mij eigen maakte, besloot ik dat ik enige veranderingen in mijn leven zou moeten aanbrengen. Uit Galáten 5:26 leerde ik bijvoorbeeld dat christenen „niet egotistisch [moeten] worden, onderlinge wedijver aanwakkerend, elkaar benijdend”. Hoewel ik er al over had gedacht te breken met mijn beroep waar zoveel wedijver heerste, raakte ik nu overtuigd van de noodzaak daartoe.
’Maar hoe zal ik dat kunnen en toch mijn gezin blijven onderhouden op de wijze waaraan wij gewend waren geraakt?’ vroeg ik mij af. Ik putte moed uit de geruststellende woorden van Jezus in Matthéüs 6:33, waar hij zei: „Blijft dan eerst het koninkrijk en Zijn rechtvaardigheid zoeken, en al deze andere dingen [noodzakelijke levensbehoeften] zullen u worden toegevoegd.”
’Wat zullen mijn vroegere kennissen denken, als ik een baan laat schieten die zekerheid lijkt te bieden en uitstekend betaalt?’ vroeg ik mij bovendien af. Maar mijn vrouw en ik kwamen tot het vaste besluit om die beslissing te nemen die goed voor ons zou zijn, ongeacht wat vroegere kennissen er ook van mochten denken.
Enkele jaren voordat wij de bijbel bestudeerden met Jehovah’s Getuigen, hadden wij een huis en een kleine vijftig hectare grond gekocht in de omgeving waar ik was opgegroeid in Oklahoma. Wij hadden er wel dikwijls over gesproken daarheen te verhuizen, maar het was er niet van gekomen. Nu waren wij er echter van overtuigd dat het het beste was wat wij konden doen. Ongeveer zes maanden nadat ik dat congres van Jehovah’s Getuigen in 1973 had bijgewoond, gaf ik mijn baan aan het ruimtevaartprogramma dan ook op en verhuisde mijn gezin naar onze nieuwe woonplaats in Oklahoma.
Om „brood op de plank” te krijgen nadat ik het ruimtevaartprogramma verlaten had, ging ik werken bij een klein elektrotechnisch bedrijf, waar ik ongeveer de helft verdiende van het salaris dat ik voorheen had gehad. Het duurde echter niet lang of ik kwam voor een andere grote beslissing te staan.
Het begon tot mij door te dringen dat het werk waar ik mij nu mee bezig hield, rechtstreeks te maken had met de fabricage van militaire apparatuur. Ik kon het eenvoudig niet met mijn geweten in overeenstemming brengen daaraan mee te werken en toch in harmonie te leven met wat de bijbel in Jesaja 2:4 en 1 Johannes 3:11, 12 zegt. Dus besloot ik een eind te maken aan deze bron van inkomsten. Dat vereiste moed en vertrouwen in Jehovah’s vermogen ons de noodzakelijke levensbehoeften te verschaffen. Maar wanneer ik terugkijk, kan ik in alle eerlijkheid zeggen dat het mijn gezin en mij nooit aan voldoende voedsel, onderdak en kleding heeft ontbroken.
Er zijn nu acht jaar verstreken sedert ik het besluit nam het ruimtevaartprogramma te verlaten. Mijn gezin en ik hebben beslist de waarheid ondervonden van hetgeen de bijbel zegt in 1 Timótheüs 4:8: „Godvruchtige toewijding is nuttig voor alle dingen, daar ze een belofte inhoudt voor het tegenwoordige en het toekomende leven.” En inderdaad is door het dienen van Jehovah ons tegenwoordige leven beter geworden.
Ook in economisch opzicht zijn wij er wel bij gevaren, doordat wij hebben geleerd tevreden te zijn met de noodzakelijke levensbehoeften (1 Tim. 6:8). In tegenstelling tot de zeer aantrekkelijke positie die ik eerst bekleedde, bezit ik nu een terreinveger, waarmee ik ongeveer twee dagen per week parkeerterreinen schoonmaak. Dat laat mij voldoende tijd om regelmatig deel te nemen aan de openbare predikingsactiviteit, en ook kan ik hierdoor meer tijd doorbrengen met mijn gezin, dat in de tijd dat ik aan het ruimtevaartprogramma verbonden was, jarenlang is verwaarloosd.
Natuurlijk zijn door Jehovah te dienen onze problemen niet volledig uit de weg geruimd. Maar wij zijn er wel beter door toegerust om er het hoofd aan te bieden. Ik maak mij niet langer druk om te slagen of vooruit te komen in deze wereld, aangezien ik nu weet dat dit samenstel van dingen voorbestemd is om te verdwijnen en plaats te maken voor een rechtvaardige nieuwe ordening, die door God wordt ingesteld. — 1 Joh. 2:17; 2 Petr. 3:11-13.
Wanneer ik terugblik op de veranderingen die ik in mijn leven heb aangebracht, ben ik het van harte eens met de woorden van de apostel Paulus die staan opgetekend in Filippenzen 3:8. Prestige en aanzien in de wereld zijn als afval in vergelijking met een nauwkeurige kennis van God en Christus en de schitterende hoop op eeuwig leven in een aards paradijs. — Ingezonden door Wendell Marley.
[Inzet op blz. 4]
’„De Eagle is geland!” Ik had geholpen met het ontwerpen van het besturingssysteem dat de eerste man op de maan zette’
[Illustratie op blz. 5]
’Mijn gezin en ik hebben beslist ondervonden dat door het dienen van Jehovah het tegenwoordige leven beter wordt’