’Gelukkig zijt gij wanneer men u vervolgt’
„Gelukkig zijt gij wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad tegen u spreekt om mijnentwil. Verheugt u en springt op van vreugde, want uw beloning is groot in de hemelen.” — Matth. 5:11, 12.
1-4. Welke ervaring zou aanleiding kunnen geven tot vragen die in onze geest opkomen met betrekking tot zich verheugen onder vervolging?
KUNT u werkelijk gelukkig zijn wanneer de mensen leugens over u vertellen en u op allerlei manieren schade proberen te berokkenen? Beschouw eens het geval van een jonge vrouw in Finland die enkele jaren geleden de bijbel met Jehovah’s Getuigen begon te bestuderen. Het duurde niet lang of zij was erg blij met de goede dingen die zij over Jehovah’s voornemen voor de mensheid leerde kennen en zij kreeg een grote waardering voor zijn goedheid en liefde.
2 Maar toen begon haar man zich ertegen te verzetten dat zij de bijbel bestudeerde, en toen zij weigerde ermee op te houden, begon hij geweld tegen haar te gebruiken. Uiteindelijk ging hij naar de rechtbank om scheiding van tafel en bed aan te vragen. Het duurde niet lang of de jonge vrouw werd het huis uitgezet en gedwongen haar drie jonge kinderen, met inbegrip van een baby van iets meer dan een jaar oud, achter te laten, aangezien de rechtbank de kinderen aan de vader toewees. Waarom? Had zij haar plichten tegenover haar kinderen verzuimd? Neen, want haar studie van de bijbel had haar juist geleerd een betere echtgenote en moeder te zijn.
3 Enkele weken later liet haar man haar met geweld weghalen van de plaats waar zij werkte en naar een gezondheidscentrum brengen om haar krankzinnig te laten verklaren en in een psychiatrische inrichting te laten opnemen. Aanvankelijk weigerde de arts die haar onderzocht zo’n medische verklaring te verstrekken, maar later gaf hij onder druk van de echtgenoot wel een verklaring af waarin opname in een psychiatrische inrichting werd voorgeschreven. Tegen deze tijd was de jonge vrouw, die nu was gedoopt en een van Jehovah’s Getuigen was geworden, naar een andere stad gegaan, waar zij een andere arts consulteerde. Na haar onderzocht te hebben, gaf deze arts haar grif een bewijs waarin werd verklaard dat zij gezond van verstand was.
4 Hierdoor werd echter de medische verklaring van de eerste arts niet ongedaan gemaakt. Zij moest derhalve verscheidene weken achtereen onderduiken totdat de machtigingstermijn was verstreken. Hierna weigerde de arts een nieuwe verklaring te verstrekken; daarom kon de zuster naar haar woonplaats terugkeren. Na verloop van tijd liet haar man het huwelijk officieel ontbinden op grond van de scheiding van tafel en bed, waarbij de rechtbank de kinderen aan de vader toewees.
5, 6. (a) Zou deze of een overeenkomstige ervaring een reden tot vreugde vormen? Waarom? (Mark. 10:29, 30) (b) Welke redenen had Job om zich, zoals in de aangehaalde schriftplaatsen wordt aangetoond, na zijn vervolging te verheugen?
5 Zou u zo’n ervaring als een reden voor vreugde beschouwen? Beslist geen enkele echtgenote of moeder zou zich gelukkig voelen wanneer zij haar huis werd uitgezet en van haar jonge kinderen werd beroofd. Ook zou zij zich niet verheugen als geliefde familieleden zouden proberen haar in een psychiatrische inrichting te laten opnemen louter omdat zij de bijbel wilde bestuderen en de voortreffelijke beginselen ervan in haar leven wilde toepassen. Merk echter op welke reden Jezus noemt voor vreugde onder zulke omstandigheden: „Verheugt u en springt op van vreugde, want uw beloning is groot in de hemelen.” — Matth. 5:12.
6 Ja, als de reden voor de vervolging werkelijk „om mijnentwil” is, zoals Jezus in het voorgaande vers 5:11 zei, kunnen wij ons erover verheugen dat wij in de gelegenheid zijn onze rechtschapenheid jegens Jehovah te bewijzen en evenals Jezus een aandeel te hebben aan de rechtvaardiging van zijn naam. Aldus bewijzen wij dat de Duivel een leugenaar is wanneer hij beweert dat hij alle mensen van God kan aftrekken. Het behaagt Jehovah God wanneer wij aldus een standpunt innemen aan zijn zijde, en zoals in het geval van Job wordt geïllustreerd, zal dit niet onbeloond blijven. — Job 1:9, 10; 42:10-16; 1 Petr. 2:19, 20.
Vervolging verwachten
7. (a) Waarom kunnen christenen verwachten vervolgd te worden? (b) Is dit van toepassing op alle christenen, of slechts op enkelen van hen?
7 Maar waarom zou iemand vervolgd worden louter omdat hij Gods Woord de bijbel wil bestuderen en een christen wil zijn? Jezus verschafte het volgende antwoord op deze vraag: „Indien de wereld u haat, gij weet dat ze mij eerder dan u heeft gehaat. Als gij een deel van de wereld zoudt zijn, zou de wereld ten zeerste gesteld zijn op wat haar toebehoort. Daar gij echter geen deel van de wereld zijt, maar ik u uit de wereld heb uitgekozen, daarom haat de wereld u. Denkt aan het woord dat ik tot u heb gezegd: Een slaaf is niet groter dan zijn meester. Indien zij mij hebben vervolgd, zullen zij ook u vervolgen; indien zij mijn woord hebben onderhouden, zullen zij ook het uwe onderhouden. Maar zij zullen u al deze dingen aandoen wegens mijn naam, omdat zij hem niet kennen die mij heeft gezonden” (Joh. 15:18-21). Zoals de apostel Paulus in zijn tweede geïnspireerde brief aan Timótheüs uiteenzette, dienen christenen vervolging te verwachten. Hij schreef: „Allen die met godvruchtige toewijding in vereniging met Christus Jezus wensen te leven, zullen ook vervolgd worden.” — 2 Tim. 3:12.
8. Wie schuilt in werkelijkheid achter de vervolging van christenen, en wat is zijn doel?
8 Laten wij niet vergeten dat degene die achter de vervolging schuilt, niemand minder is dan de grote tegenstander, Satan de Duivel. Het krachtige standpunt dat u als christen inneemt en uw liefde voor Jehovah God vormen het bewijs dat de Duivel een leugenaar is, aangezien hij beweert dat niemand God werkelijk liefheeft en dat als iemand Hem toch dient, hij dit alleen doet om er zelf beter van te worden. Satan pochte dat hij, als hij zijn gang mocht gaan, Job en dientengevolge ook alle andere mensen van God kon aftrekken (Job 1:8-11; 2:3-5). Hoewel hij er niet in slaagde Jobs rechtschapenheid te verbreken, heeft de Duivel zijn pogingen nooit opgegeven. — 2 Kor. 4:4.
Vroege christenen vervolgd
9. Geef voorbeelden uit de Schrift waaruit blijkt welke soorten van vervolging de vroege christenen moesten verduren.
9 In overeenstemming met Jezus’ waarschuwing kregen de vroege christenen inderdaad vervolging te verduren, die af en toe heel zwaar was. Velen werden uit hun huis verdreven en gedwongen naar andere gebieden te vluchten, zoals in het geval van de gemeente in Jeruzalem (Hand. 8:1). Anderen, zoals de apostel Johannes, werden verbannen (Openb. 1:9). De apostel Paulus en degenen die in de openbare bediening met hem samenwerkten, werden gestenigd en geslagen (Hand. 14:19; 16:22). Velen van de vroege christenen werden gevangengezet, sommigen werden van hun bezittingen beroofd en sommigen werden zelfs gedood (Kol. 4:3; Filem. 9, 10; Hebr. 10:34; 13:3; Hand. 12:1, 2). Maar zij konden zich verheugen, omdat zij ten volle begrepen waarom zij werden vervolgd.
10. Waaruit blijkt dat de volgelingen van Christus in de eerste eeuw niet door vervolging werden geïntimideerd?
10 Leidde deze vervolging ertoe dat het werk dat erin bestond ’over God te spreken en getuigenis af te leggen van Jezus’, een halt werd toegeroepen of zelfs maar langzamer aan werd gedaan? Neen, want de vroege christenen weigerden zich te laten intimideren. Het verslag in Handelingen 5:40-42 licht ons erover in dat de functionarissen van het joodse Sanhedrin ’de apostelen riepen, hen geselden en hun het bevel gaven niet meer op basis van Jezus’ naam te spreken’, waarna zij ’hen lieten gaan’. Wat deden deze christenen vervolgens? „Zij dan gingen van het Sanhedrin vandaan, verheugd dat zij waardig gerekend waren ten behoeve van zijn naam oneer te lijden. En zij bleven zonder ophouden elke dag in de tempel en van huis tot huis onderwijzen en het goede nieuws over de Christus, Jezus, bekendmaken.”
11. Hoe reageerden Petrus en Johannes op bedreigingen die tegen hen werden geuit?
11 Voordien hadden de apostelen Petrus en Johannes zich voor het Sanhedrin moeten verantwoorden omdat zij een lamme man hadden genezen en op basis van Jezus’ naam onderwijs hadden gegeven. Wij lezen in het verslag: „Daarop riepen zij [de regeerders en oudere mannen] hen en gelastten hun nergens meer iets te zeggen of te leren op basis van de naam van Jezus. Petrus en Johannes gaven hun echter ten antwoord: ’Oordeelt zelf of het in Gods ogen rechtvaardig is meer naar u te luisteren dan naar God. Maar wat ons betreft, wij kunnen niet ophouden te spreken over de dingen die wij gezien en gehoord hebben.’ Nadat zij hun dan nog meer dreigementen hadden toegevoegd, lieten zij hen vrij, daar zij geen enkele grond konden vinden om hen te straffen, en ter wille van het volk.” — Hand. 4:18-21.
12. Om welke hulp van Jehovah baden de apostelen en discipelen terwijl zij vervolgd werden?
12 De dreigementen hadden hun geen angst aangejaagd. Het verslag toont aan dat de apostelen en discipelen terecht tot Jehovah baden of hij, in plaats van de vervolging weg te nemen, hun door middel van zijn geest de kracht wilde geven om zijn woord met vrijmoedigheid te blijven spreken. En dat deed hij ook. — Hand. 4:29, 31.
13. Welke voordelen had Paulus’ gevangenzetting in Rome, volgens hetgeen Paulus aan de Filippenzen schreef?
13 Paulus’ gevangenzetting in Rome had heilzame resultaten, zoals hij in zijn brief aan de Filippenzen uitlegt: „Nu wil ik dat gij weet, broeders, dat mijn aangelegenheden veeleer tot de vooruitgang van het goede nieuws hebben bijgedragen, zodat mijn gevangenisboeien algemeen bekend zijn geworden in verband met Christus, onder de gehele pretoriaanse lijfwacht en alle overigen; en de meeste broeders in de Heer tonen, doordat zij wegens mijn gevangenisboeien vertrouwen hebben gekregen, des te meer moed om het woord van God onbevreesd te spreken” (Fil. 1:12-14). Ja, de vervolging van Paulus leidde ertoe dat er een groter getuigenis werd gegeven, niet alleen wegens de publiciteit en de gelegenheden die hij had om getuigenis te geven aan rechtbankautoriteiten, maar ook omdat andere christenen er daardoor toe werden aangemoedigd hun activiteit te vergroten.
Vervolging in de „laatste dagen”
14. Welke reden gaf Jezus voor de vervolging die wij in deze tijd ondergaan?
14 Evenals Gods profeten in de oudheid en evenals Jezus Christus en zijn apostelen en discipelen in de eerste eeuw vervolging ondergingen, kunnen christenen in de „laatste dagen” van dit samenstel van dingen verwachten dat zij vervolging moeten ondergaan. Jezus voorzei dit als een onderdeel van het samengestelde „teken” van het einde van dit samenstel van dingen. Hij zei: „Dan zal men u overleveren aan verdrukking en u doden, en gij zult ter wille van mijn naam voor alle natiën voorwerpen van haat zijn.” — Matth. 24:9.
15, 16. (a) Welke verdere profetie betreffende onze tijd toont aan dat wij vervolging kunnen verwachten als gevolg van ons getuigeniswerk? (b) Welke vragen worden nu opgeworpen om verder door ons beschouwd te worden?
15 Later gaf Jezus tegenover de apostel Johannes te kennen wat Zijn volgelingen op aarde na de geboorte van het hemelse koninkrijk konden verwachten. Hij sprak in figuurlijke taal en zei: „Toen nu de draak [die in Opb 12 vers 9 is geïdentificeerd als „de oorspronkelijke slang, die Duivel en Satan wordt genoemd”] zag dat hij neergeslingerd was naar de aarde, vervolgde hij de vrouw [Gods universele organisatie] die het manlijke kind [het koninkrijk met Christus als Koning] had gebaard. . . . En de draak werd toornig op de vrouw en ging heen om oorlog te voeren tegen de overgeblevenen van haar zaad, die de geboden van God onderhouden en het werk hebben dat bestaat in het getuigenis afleggen omtrent Jezus.” — Openb. 12:13, 15-17.
16 Is dit in deze „laatste dagen” gebeurd? Op welke manieren hebben ware christenen in onze tijd vervolging moeten verduren, en hoe hebben zij zich ondanks vervolging kunnen verheugen? Welke uitwerking heeft de vervolging gehad op hen en op velen van degenen die dit hebben waargenomen? Deze vragen zullen in het volgende artikel worden beschouwd.
[Illustratie op blz. 17]
Degenen die evenals Job bewijzen dat de Duivel een leugenaar is, zullen niet onbeloond blijven
[Illustratie op blz. 19]
Petrus, Johannes en andere vroege christenen weigerden zich te laten intimideren door functionarissen die hun door God opgedragen werk tegenstonden
[Illustratie op blz. 20]
’De draak werd toornig en ging heen om oorlog te voeren tegen degenen die het werk hebben dat bestaat in het getuigenis afleggen omtrent Jezus.’ — Openb. 12:15-17