Ons bezoek aan de Falkland Eilanden
TOEN ons vliegtuig vierhonderdvijftig kilometer ten oosten van de zuidelijke punt van Zuid-Amerika door het wolkendek dook, lagen daar beneden ons talloze groene eilanden, zowel grote als kleine, met veel meren en sterk ingesneden kusten, vol baaien en inhammen. Dit waren de Falkland Eilanden — onze bestemming.
Het vliegveld was slechts een smalle strook op een kaal, winderig schiereiland. Wij waren ons bijna onmiddellijk bewust van de voortdurend waaiende sterke westenwind en het meedogenloze gebeuk van de onstuimige wateren van de zuidelijke Atlantische Oceaan. Maar de grauwheid verdween toen wij twee hartelijke, glimlachende gezichten zagen — die van Arthur Nutter en de jonge Dorkas Reid, die de helft van het totale aantal gedoopte getuigen van Jehovah op deze afgelegen eilanden vormden. Arthurs vrouw Josie en Dorkas’ moeder vormden de andere helft.
In Port Stanley, de hoofdstad
Een korte rit in een landrover-taxi, die werd bestuurd door de vrouw van het hoofd van politie, bracht ons naar Port Stanley, de hoofdstad en enige stad op de eilanden. Onderweg kregen wij de plaats te zien van een vroegere landingsstrook met een startbaan van metaalplaten. Ze waren door een storm weggewaaid. Wij zagen ook overblijfselen van verongelukte schepen in de haven, die getuigden van de problemen van de vroege kolonisten, van wie velen gewoon hier zijn gebleven nadat zij waren gestrand.
Die avond ontmoetten wij Dorkas’ familie — acht jongere broers en zusters en haar moeder, die haar kinderen op deze geïsoleerde plaats bijna geheel alleen „in het strenge onderricht en de gezaghebbende raad van Jehovah” opvoedt (Ef. 6:4). Alle kleintjes netjes gekleed en rustig op de bijeenkomst te zien zitten, maakte een diepe indruk op ons.
De volgende dag stelde Arthur ons voor aan zijn vrouw Josie. Toen gingen wij, te zamen met hun twee jonge kinderen en Dorkas, op stap om het goede nieuws van Gods koninkrijk aan de inwoners van Port Stanley te prediken. De hevige koude wind en regen schrikte de plaatselijke Getuigen niet af. „Als wij op goed weer zouden moeten wachten, zouden wij nooit iets voor elkaar krijgen”, zei een van hen. Onze paraplu’s werden door de krachtige windstoten binnenstebuiten gekeerd. Wij waren al gauw nat en koud, ook al was het zomer. Maar ons hart werd verwarmd door de bereidwillige luisteraars die wij aantroffen. Toen wij weer thuiskwamen, knapten wij in ieder geval weer op door een warme maaltijd van schapevlees, de hoofdschotel van de Falklanders.
Het enige radiostation op de eilanden verleende medewerking door het speciale „bijbelse landen”-diaprogramma dat wij zouden vertonen, aan te kondigen. Wij waren verrukt toen 23 personen op zaterdagmiddag naar de recreatieruimte in het stadhuis kwamen om de vertoning te zien. Wij vonden dit een behoorlijk goed aantal voor een stad van negenhonderd inwoners.
Een extra trip naar een nederzetting
De Nutters nodigden ons uit hen thuis te bezoeken in de nederzetting Walker Creek. Arthur ging vooruit op zijn motorfiets voor een acht uur durende tocht over een terrein zonder wegen. De overigen van ons zouden maandagochtend per „Beaver”, een vliegtuigje met zeven zitplaatsen, gaan. Ons vertrek werd echter uitgesteld wegens winden met stormkracht en hevige regen. Op dinsdagavond hoorden wij onze namen over de radio afroepen voor de vlucht die de volgende dag zou plaatsvinden. Omstreeks het midden van de ochtend nam de wind af en ging de telefoon. Een half uur later vertrokken wij.
Het was een vlucht van 30 minuten in westelijke richting over een bijzonder interessant terrein. Rechts konden wij de hoogste piek van East Falkland zien — de berg Usborne, 705 meter hoog. Onder ons bevond zich een uitgestrekt, boomloos en struikloos grasland, met lapjes donkergroen moeras. Hier worden schapen gefokt.
De nederzettingen bestaan uit zeer kleine groepjes huizen die het eigendom zijn van de Falkland Islands Company en waar het leven rond schapen is opgebouwd. In Walker Creek zijn vijf huizen en 35.000 schapen.
Een hoogtepunt van ons bezoek bij de Nutters was een bijbelstudievergadering waarbij De Wachttoren werd gebruikt. Hoewel wij slechts met zes personen in de gezinskeuken bijeen waren, was iedereen netjes gekleed, waardoor passend respect werd getoond voor de gelegenheid, in overeenstemming met Jezus’ woorden: „Waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben ik in hun midden” (Matth. 18:20). Deze geest heeft het geïsoleerde gezin geholpen het gevoel van eendracht met de rest van hun wereldomvattende geestelijke familie te behouden.
Op zondag maakten wij een tocht door het land. En wij hebben er beslist van genoten enkele van de in het wild levende dieren te zien, vooral de pinguïns.
Tijd om naar huis te gaan
De „Beaver” vormde het enige transportmiddel waarmee wij weer naar Port Stanley konden terugkeren. Er waren de gebruikelijke onzekerheden in verband met het weer. Toen wij uiteindelijk van Choiseul Sound vertrokken, vestigde de piloot onze aandacht op een storm die in het westen broeide. In een brief die wij later ontvingen, werd ons verteld dat wij nauwelijks aan een midzomer-sneeuwstorm waren ontkomen!
Toen wij weer in Port Stanley waren, hadden wij net even tijd voor een afscheidsbezoek aan de Reids. Tegen deze tijd waren Dorkas en haar 11-jarige broertje Alex naar school op het vasteland gegaan, waardoor hun moeder als enige Getuige in Port Stanley achterbleef. Het viel ons zwaar dit fijne gezinnetje alleen achter te laten.
Toen ons vliegtuig naar het vasteland vertrok, beseften wij dat dit bezoek een diepe indruk op ons had gemaakt. Het was bijzonder geloofversterkend geweest de liefde, de ijver en de toewijding te zien die door deze paar Getuigen op de eilanden ten toon worden gespreid. Zij hebben gunstig gereageerd op de ’Macedonische oproep’ om ’over te komen en hulp te bieden’ op de Falkland Eilanden. — Hand. 16:9.
[Kaarten op blz. 9]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
Falkland Eilanden
Atlantische Oceaan
Zuid-Amerika
[Kaart]
M. Usborne
Port Stanley
Choiseul Sound
Walker Creek