Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w82 15/1 blz. 27-30
  • Volharden na een tragisch verlies

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Volharden na een tragisch verlies
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1982
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • ARRESTATIE EN EXECUTIE
  • ERVOOR ZORGEN NIET VERBITTERD TE RAKEN
  • GETROOST — NIET DOOR MENSEN MAAR DOOR GOD
  • DE OPWINDENDE NAOORLOGSE JAREN
  • VOLHARDEN SCHENKT GELUK
  • Waarom niet bang om hun stem te laten horen
    Ontwaakt! 1995
  • Door dicht tot God te naderen kon ik mijn problemen aan
    Ontwaakt! 1993
  • Van donkere kerkers naar de Zwitserse Alpen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2004
  • Vervolging overleefd in nazi-Duitsland
    Ontwaakt! 1988
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1982
w82 15/1 blz. 27-30

Volharden na een tragisch verlies

Zoals verteld door Elise Harms

EENENVEERTIG jaar geleden, op 8 januari 1941, werd mijn man, Johannes Harms, door de nazi’s terechtgesteld. Waarom? Omdat zijn geweten hem niet toestond aan de oorlog deel te nemen en zijn medemensen aan de andere kant van de nazi-gevechtslinies af te slachten. Hij had standvastig geweigerd de Hitler-groet te brengen. Johannes schrok er niet voor terug deze christelijke neutraliteit zelfs ten koste van zijn eigen leven te bewaren.

Nooit zal ik de aangrijpende brief vergeten die hij vlak voor zijn executie aan zijn vader, Martin, stuurde. Mijn man schreef:

„Nu heb ook ik de gelegenheid gekregen mijn trouw aan de Heer te bewijzen tot de dood, niet alleen tot aan de dood, maar zelfs tot in de dood. Mijn doodvonnis is al geveld en ik ben dag en nacht geketend — de plekken (op het papier) zijn van de handboeien — maar ik heb nog niet ten volle overwonnen. Het wordt Jehovah’s Getuigen niet gemakkelijk gemaakt trouw te blijven. Ik heb nog steeds de mogelijkheid mijn aardse leven te redden, maar alleen om daarmee het werkelijke leven te verspelen. Ja, als je een van Jehovah’s Getuigen bent, krijg je zelfs als je voor de galg staat nog een gelegenheid je verbond te verbreken. Ik sta daarom nog midden in de strijd en ik heb nog heel wat overwinningen te behalen voordat ik kan zeggen dat ’ik de voortreffelijke strijd heb gestreden en het geloof heb bewaard; dat de kroon van rechtvaardigheid voor mij is weggelegd die God, de rechtvaardige rechter, mij zal geven’. De strijd is zwaar, daar is geen twijfel aan, maar ik ben de Heer van ganser harte dankbaar dat hij mij niet alleen de noodzakelijke kracht heeft gegeven om tot nu toe staande te blijven, oog in oog met de dood, maar dat hij mij een vreugde heeft geschonken die ik met al mijn beminden zou willen delen.

Mijn lieve vader, ook u bent nog een gevangene en of u deze brief ooit zult ontvangen, weet ik niet. Mocht u echter ooit worden vrijgelaten, blijf dan net zo trouw als nu, want u weet dat al wie zijn hand aan de ploeg heeft geslagen en omkijkt, het koninkrijk Gods niet waardig is. . . .

Als u, lieve vader, weer thuis bent, zorg dan vooral goed voor mijn lieve Lieschen, want zij zal het bijzonder moeilijk hebben als zij weet dat haar geliefde niet terugkomt. Ik weet dat u dit zult doen en ik dank u daar bij voorbaat voor. Mijn lieve vader, in de geest roep ik u toe getrouw te blijven, zoals ik heb getracht trouw te blijven, en dan zullen wij elkaar weerzien. Ik zal tot het allerlaatst aan u denken.”

Misschien vraagt u zich af wat er na Johannes’ terechtstelling met zijn vader en mij is gebeurd. Hebben wij volhard, zijn wij Jehovah trouw gebleven, zoals Johannes ons aanmoedigde?

Nu, Johannes’ vader, Martin, zat in het concentratiekamp Sachsenhausen toen Johannes werd geëxecuteerd en hij is daar tot het einde van de oorlog geïnterneerd gebleven. Toen is hij teruggekeerd naar Wilhelmshaven, waar hij heeft meegeholpen aan de wederopbouw van de gemeente van Jehovah’s Getuigen aldaar. Hij heeft Jehovah trouw gediend tot aan zijn dood in 1976, op de hoge leeftijd van negentig jaar.

Wat mij betreft, ik woon nu in een kleine flat hier in Wilhelmshaven, waar ik ben opgegroeid en waar ik destijds in 1936 met Johannes in het huwelijk trad. Hoewel mijn gezondheid te wensen overlaat, ben ik toch nog steeds actief als een van Jehovah’s Getuigen.

Ben ik hertrouwd? Nee. Natuurlijk was ik schriftuurlijk vrij om te hertrouwen. Maar de gedachte geluk te vinden in de armen van een andere man nadat Johannes zo’n strijd had gevoerd om getrouw te blijven — nee, mij persoonlijk heeft die gedachte nooit aangetrokken.

Voordat ik uitleg wat mij geholpen heeft de afgelopen eenenveertig jaar verscheidene dingen te verduren, wil ik eerst wat teruggaan in de tijd en u vertellen over de omstandigheden die aan Johannes’ terechtstelling zijn voorafgegaan.

ARRESTATIE EN EXECUTIE

Johannes werd op 3 september 1940 gearresteerd. Dit was reeds de tweede maal na ons huwelijk dat hij in de gevangenis terechtkwam. Mijn zuster en ik konden hem om de drie of vier weken bezoeken. Bij ons tweede bezoek hoorden wij dat hij ter dood was veroordeeld. Het kwam dus niet als een volkomen verrassing voor me toen ik vernam dat hij op 8 januari 1941 was onthoofd, hoewel het nieuws natuurlijk toch als een schok voor mij kwam. Het was een heel zware slag voor me.

Maar ik wist dat Johannes niet was gestorven als een misdadiger. Ik wist ook dat de autoriteiten herhaaldelijk op allerlei manieren hadden geprobeerd hem tot een compromis te brengen. Ik wist wat een moeilijke tijd hij had doorgemaakt. En ik had zo weinig kunnen doen om hem te helpen. Toen ik dus het bericht ontving dat hij was terechtgesteld, was ik opgelucht dat het voorbij was. Op dat moment dacht ik niet aan mijzelf maar alleen: „Nu kunnen ze hem niet tot een compromis brengen. Er is nu geen gevaar meer dat hij ontrouw wordt. Hij heeft getrouw volhard tot de dood.”

Wij waren maar zo’n vier jaar en acht maanden getrouwd geweest. Daar we drie jaar verloofd waren geweest, hadden we eerder kunnen trouwen, maar we stelden het steeds weer uit. Wij wisten voor welke problemen we konden komen te staan. Ook toen waren de tijden in Duitsland al kritiek. De activiteit van Jehovah’s Getuigen was in feite verboden in het land.

Toen Johannes’ vader (die al voor de tweede maal vastzat) onverwacht uit de gevangenis werd vrijgelaten, hadden wij die gelegenheid aangegrepen om te trouwen. Ik kan me nog herinneren dat het een prachtige lentedag was in mei 1936. Wij waren samen gelukkig als echtpaar totdat de nazi’s Johannes arresteerden.

ERVOOR ZORGEN NIET VERBITTERD TE RAKEN

Sommige mensen raken door tegenslag verbitterd. Zij beginnen aan Gods liefde te twijfelen. Zij geven hem de schuld en gaan zelfs zover dat zij zijn bestaan in twijfel trekken. Toen Johannes werd terechtgesteld, wist ik dat daar een reden voor was; hij werd gedood omdat hij zijn rechtschapenheid jegens God had bewaard. Maar net zes maanden nadat ik Johannes had verloren, sloeg de dood weer toe — mijn moeder stierf! Ik moet toegeven dat ik hierdoor bijna verbitterd werd jegens God. Ik vroeg me af: „Waarom moest juist zij, degene op wie ik in mijn verdriet het meeste kon rekenen, nu ook sterven?”

Kort daarna begonnen wij echter de ware verschrikkingen van de oorlog te ervaren — de verschrikkelijke bombardementen bijvoorbeeld waardoor sommige Duitse steden bijna totaal werden verwoest. Aangezien ik moest werken om in mijn onderhoud te voorzien, begon ik te denken: „Wie zou er in deze moeilijke tijd voor moeder hebben gezorgd als zij nog had geleefd? Wie zou zich, daar zij blind was, de tijd hebben gegund om haar naar de schuilkelder te helpen?” Wat zou dat een probleem voor haar zijn geweest! Langzaam herwon ik mijn evenwicht, in het besef dat Jehovah soms dingen toelaat die wij misschien niet begrijpen, maar waaruit in werkelijkheid blijkt dat hij „zeer teder in genegenheid en barmhartig is” (Jak. 5:11). Ik raakte ervan overtuigd dat zolang ik een juiste instelling behield en mij volkomen op hem verliet, de dingen altijd voor mijn bestwil zouden blijken te zijn.

Hier hebt u nog een voorbeeld. Wij hadden een vier-kamerappartement. Toen mijn man werd terechtgesteld, verloor ik daar echter mijn aanspraken op. Ik kreeg het bevel te vertrekken. Maar waar moest ik heen? Als door een wonder trof de vrouw van een officier, die met haar man werd overgeplaatst, er regelingen voor dat ik drie kamers kon overnemen in het appartement dat zij achterlieten. Toch viel het me zwaar te verhuizen uit de woning die Johannes en ik samen hadden gedeeld. Maar wat denkt u dat er ongeveer zes maanden later gebeurde? Het huis werd volkomen verwoest bij een luchtaanval!

GETROOST — NIET DOOR MENSEN MAAR DOOR GOD

In de tijd dat Johannes werd terechtgesteld, werkte ik op een kantoor. Toen mijn collega’s vernamen wat er was gebeurd, trachtten zij elk op hun eigen manier mij te troosten. Zij nodigden mij herhaaldelijk uit voor hun gezellige avondjes. Hoewel ik hun goedbedoelde pogingen waardeerde, vond ik elders ware troost — bij Jehovah God en zijn Woord, de bijbel.

Het kwam helaas voor dat anderen niet altijd zulke aanmoedigende dingen zeiden. Ik herinner me een keer dat een vrouw tegen me zei (en dit was vlak nadat Johannes was terechtgesteld): „Het is jullie eigen schuld; het had niet hoeven gebeuren. Johannes had het aan zichzelf te wijten!”

Was het wreed dat te zeggen? In zekere zin wel, ofschoon — en dat vertelde ik haar ook — zij gelijk had. Het was ’onze eigen schuld’. Johannes had het kunnen voorkomen. En als ik had geprobeerd hem ertoe over te halen een compromis te sluiten, had ook ik het misschien kunnen voorkomen. Maar wat was ik gelukkig dat wij beiden geestelijk sterk waren gebleven en hadden volhard! Ik was blij dat ik ’medeplichtig’ was.

Natuurlijk heb ik ook wel mijn droevige momenten gehad. Maar Jehovah is „zeer teder in genegenheid” en hij heeft altijd troost verschaft, soms op de meest ongewone manieren. Ik herinner me een zondag zo’n drie maanden nadat Johannes was geëxecuteerd. Het was mistroostig weer. Dit, plus alles wat ik had meegemaakt, maakte me echt neerslachtig. Ik huilde bijna de hele dag; ik zwierf van de ene kamer naar de andere, met mijn moeder achter me aan die probeerde me te troosten. Ik vocht tegen mijn tranen maar het hielp niet. Ik herinner me nog dat ik dacht: „Je kreeg ten minste nog één keer per maand een brief, maar nu krijg je zelfs die niet meer — geen regel meer! Als ik nog maar één brief kon krijgen — nog maar eentje!”

Later die dag ging ik naar de kast en begon wat bezittingen van mijn man na te kijken die na zijn terechtstelling naar huis waren gestuurd. Daarbij was een klein leren etui waarin potloden en dergelijke zaten. Plotseling merkte ik op dat één kant ongewoon dik was. Er scheen iets in te zitten. Ik trok het open, stak mijn vingers erin en begon er kleine stukjes papier uit te halen. Ja, het waren brieven die Johannes in heel kleine letters had geschreven, als een dagboek. Er waren in totaal twintig brieven! U kunt zich wel voorstellen hoe ik me voelde. Eén brief zou al een reden tot vreugde zijn geweest. Maar twintig? Ik herinner me dat ik Jehovah beloofde: „Ik zal nooit meer klagen!”

DE OPWINDENDE NAOORLOGSE JAREN

De afgelopen eenenveertig jaar heb ik er nooit aan gedacht het op te geven. Waarom zou ik? Johannes gaf een bijdrage aan Jehovah door zijn rechtschapenheid tot de dood toe te bewaren; ik kan een bijdrage leveren door te volharden zolang ik leef. (Vergelijk Romeinen 12:1.) Natuurlijk was het niet gemakkelijk, en alleen zou ik het nooit hebben gekund. Het gebed is een uitermate belangrijke hulp voor me geweest. En ook was het een ware zegen tot anderen over Gods koninkrijk te prediken. Steeds als ik voelde dat het verdriet me de baas werd, trok ik eropuit om een aandeel te hebben aan de prediking van het „goede nieuws”. Als ik probeerde anderen met de boodschap uit de bijbel te troosten, vergat ik mijn eigen problemen.

Later kon ik mijn wereldse baan opgeven. Daardoor had ik meer tijd voor de prediking van het „goede nieuws” aan anderen. Een Getuige gaf me een autootje, zodat ik in afgelegen gebieden kon prediken, en ik kon een aantal bijbelstudies beginnen met belangstellenden. Een ervan herinner ik me bijzonder goed.

Op een donderdagmiddag bezocht ik een vrouw, en ik weet nog dat ik haar vertelde: „Het zou veel beter zijn als wij deze punten systematisch konden bespreken met behulp van een boek.” Zij stemde daarmee in. Toen voegde ik eraan toe: „En we hebben geweldige vergaderingen. Ik kan u zondag ophalen als u erheen wilt.” Omdat ik geen tijd wilde verspillen, ging ik recht op mijn doel af!

Zij stemde erin toe de vergadering te bezoeken. Dus kwam ik de zondagmiddag daarop bij haar aan de deur en kreeg te horen: „Komt u even binnen. Mijn man is nog niet helemaal klaar.”

„Wàt zegt u?” Ik vermoed dat de verbazing van mijn gezicht te lezen was. „Wil uw man ook mee?”

En inderdaad. Later vertelde ik hun over onze andere vergaderingen en ook die begonnen zij bij te wonen. Al spoedig werden zij gedoopt en er werd een gemeenteboekstudie in hun huis opgericht. Nu, bijna dertig jaar later, wordt die daar nog steeds gehouden.

VOLHARDEN SCHENKT GELUK

Als ik terugblik, kan ik zeggen dat verscheidene dingen me hebben geholpen te volharden. In de eerste plaats probeerden Johannes en ik voorbereid te zijn, te denken aan wat er op het gebied van beproevingen zou kunnen gebeuren. In ons geval werden wij door van tevoren na te denken over de situatie en te beslissen wat wij dan zouden doen, geholpen stand te houden toen de gebeurtenissen zich inderdaad zo ontwikkelden.

Wij hebben het ook vermeden iets te doen waardoor onze beproevingen nog zwaarder zouden worden. Als jong getrouwd paar hebben wij bijvoorbeeld niet nodeloos schulden gemaakt. Dat zou de situatie stellig nog moeilijker hebben gemaakt — voor ons beiden.

In de loop van de jaren heb ik ook geleerd niet te veel van anderen te verwachten. Soms denken wij misschien dat onze christelijke broeders en zusters ons niet vaak genoeg bezoeken of niet voldoende aandacht aan ons schenken. Maar waarom zou ik hen willen beroven van de tijd en de energie die zij voor hun eigen gezin en voor verschillende verantwoordelijkheden in de gemeente nodig hebben? Ik ben gaan beseffen dat als ik niet te veel van anderen verwacht, ik niet gemakkelijk word teleurgesteld. Elke uiting van vriendelijkheid en elke attentie die ik ondervind, betekent dan zoveel meer en geeft mij nog meer reden om Jehovah te danken.

Natuurlijk is het belangrijkste dat mij geholpen heeft te volharden, mijn vertrouwen in Jehovah, de gewoonte al mijn problemen in gebed aan hem voor te leggen.

In de allerlaatste brief die Johannes aan mij heeft geschreven, enkele uren voor zijn executie, bracht hij deze gedachte onder woorden die mij sindsdien steeds is bijgebleven en die mij ook heeft aangemoedigd te volharden: „Wij willen niet trouw aan God zijn ter wille van een beloning, maar om door onze standvastigheid in Zijn dienst te bewijzen dat mensen, net als Job, hun rechtschapenheid onder de moeilijkste beproevingen kunnen bewaren.”

Wat zou Johannes gelukkig zijn geweest als hij toen had geweten wat ik nu weet! Hij zou dolblij zijn te weten dat zijn vader, na zo’n vijftig jaar van dienst voor Jehovah, als een getrouw Getuige is gestorven, en dat ik, zijn „lieve Lieschen”, eenenveertig jaar na zijn executie, nog steeds tot de gelukkigen behoor die zich inspannen om getrouw te volharden.

[Illustratie op blz. 28]

Johannes Harms en zijn doodsbericht, dat van de nazi-autoriteiten werd ontvangen

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen