Jehovah is mijn vesting
— zoals verteld door Albert Olih
HOEWEL het een warme novembernacht was, maakte een zwak briesje de temperatuur aangenaam, zodat ik in slaap viel. Ik werd echter plotseling wakker en hoorde een barse stem zeggen: „Wat voer jij hier uit?” Een politieagent had mij op zijn nachtelijke ronde ontdekt.
De schrik sloeg me om het hart. Ik stond op en legde langzaam uit hoe het kwam dat ik vlak bij het schoolterrein onder een mangoboom sliep. Hierop zei hij: „O.K., maar als er hier in de buurt onraad is, kijk ik jou ervoor aan.” Toen hij wegging, ging ik weer liggen en dacht na over de gebeurtenissen die ertoe hadden geleid dat ik hier was terechtgekomen.
JONG, MAAR GEÏNTERESSEERD IN RELIGIE
Het begon op het erf van het huis van mijn broer. Het jaar 1946 was aangebroken, en ik was toen vijftien jaar oud. Ik had mijn dorp aan de oever van de rivier de Niger verlaten en was naar mijn broer in Lagos gegaan om verder te studeren. Een andere huurder, Young Umoh genoemd, trok mijn belangstelling, want hij werd vaak door mensen bezocht die elkaar met „broeder” en „zuster” aanspraken. Ik vroeg mij af wie zij waren en ging naar mijnheer Umohs kamer om hem dit te vragen. Al gauw was ik in een bijzonder interessant gesprek gewikkeld.
Toen hij zei dat zij Jehovah’s Getuigen waren, nam mijn belangstelling nog toe. Een jonge jongen en zijn zuster bij mij op school werden Jehovah’s Getuigen genoemd. Zij gedroegen zich zo keurig dat ik mij vaak had afgevraagd wat voor religie zij aanhingen. Daarom had ik er extra belangstelling voor om meer over deze mensen te vernemen.
Mijnheer Umoh vroeg mij of ik in de bijbel geloofde, en ik zei hem dat ik op school altijd goed was geweest in godsdienstkennis. Ik dacht dat ik de bijbel kende. Toen hij mij echter begon te vertellen over Gods koninkrijk en de zegeningen die dit koninkrijk de mensheid zou brengen, werd de bijbel als een nieuw boek voor mij.
Ik luisterde aandachtig toen hij uitlegde hoe de aarde onder de heerschappij van Gods koninkrijk in een paradijs zal veranderen, hoe Gods wil in dit paradijs zal worden gedaan en hoe de zachtmoedigen eeuwig leven zullen ontvangen (Matth. 6:9, 10; Luk. 23:43; Openb. 20:5). Deze dingen maakten mij erg gelukkig, en ik besloot mijnheer Umoh opnieuw te bezoeken om nog meer van hem te leren.
Het is waar dat ik in het begin niet alles aanvaardde wat hij zei. Ik was bang dat hij misschien een van de valse discipelen was voor wie wij in de kerk gewaarschuwd werden. Maar ook al redetwistte ik met hem, toch had ik een diepe waardering voor de vele dingen die hij mij uit de bijbel leerde.
Toen vertelde hij mij op zekere dag dat hij niet in de Drieëenheid geloofde. Ik was geschokt en wilde zijn kamer uit gaan. Maar hij zei tegen mij: „Je hebt me niet gevraagd waarom ik niet in de Drieëenheid geloof.” Ik vroeg het hem dus, en zijn antwoord zette het proces in werking waardoor er een totale verandering in mijn religieuze leven kwam.
Hij begon met te vragen: „Ben jij in alles aan je vader gelijk, ook wat jullie geboortedatum betreft?” Toen opende hij de bijbel en toonde hij me waar Jezus zegt dat hij door zijn Vader was gezonden en dat zijn Vader groter is dan hij (Joh. 14:24, 28). Vervolgens sloeg hij het verslag van Jezus’ doop op en toonde hij me hoe onredelijk het is te geloven dat Jezus God is, aangezien de stem uit de hemel, die erkende dat Jezus Gods zoon was, van God afkomstig was (Matth. 3:16, 17). Mijnheer Umoh zette ook uiteen dat het woord „drieëenheid” niet in de bijbel voorkomt. Ik aanvaardde deze uitleg, omdat het bewijs uit de bijbel deugdelijk was.
Die avond knielde ik neer om te bidden, maar ik merkte dat ik het niet kon. Vanaf mijn vroegste kinderjaren had ik geleerd mijn gebed te beginnen met de woorden: „In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.” Maar aangezien ik er nu van overtuigd was dat er geen Drieëenheid is, merkte ik dat ik geen inleiding had voor mijn gebed.
De volgende dag voelde ik mij erg ongelukkig en besloot ik de bijbel vanaf Matthéüs te lezen. Ik was hier verscheidene dagen mee bezig en las door tot en met Openbaring. Hoe meer ik las, des te meer ik ervan overtuigd raakte dat wat mijnheer Umoh mij leerde, in overeenstemming was met de bijbel. Het was de waarheid!
Ik ging terug naar mijn vriend, vertelde hem wat er was gebeurd en vroeg hem mij te leren bidden. Hij was aangenaam verrast te horen dat ik de christelijke Griekse Geschriften had gelezen en hij leende me enkele boeken en brochures waarvan hij zei dat ze mij zouden helpen. Deze publikaties zouden inderdaad een diepgaande uitwerking hebben op mijn toekomstige religieuze leven.
HULP VAN EEN ZENDELING
Begin 1947 ging ik bij een halfbroer van mij inwonen. Ik was toen zestien jaar oud en van school af, zonder geld om verder te studeren. Ook slaagde ik er niet in een geschikte baan te vinden.
Toen wij op zekere dag aan de avondmaaltijd zaten, werd er op de deur geklopt en stapte tot onze verbazing een blanke man de kamer binnen. Het was voor blanken ongebruikelijk bij de Afrikanen binnen te komen, vooral bij arme Afrikanen. Hij stelde zich voor en zei: „Mijn naam is Moreton, en ik kom uit Canada. Ik ben een van Jehovah’s Getuigen en ik breng u goed nieuws over een regering die over deze aarde heerschappij zal uitoefenen.”
Mijn broer kwam zijn verbazing te boven en zei: „Come and chop” („Kom en eet”). Tot zijn stomme verbazing nam Moreton een stukje yam (broodwortel) van de schaal, doopte het in de rode saus en at het, terwijl hij zei: „Dit is heerlijk voedsel dat God voor de mens heeft verschaft.” Daarna legde hij zijn boodschap uit.
Mijn broer nam drie boeken van hem en gaf mij het boek dat was getiteld „God zij waarachtig”. Hoewel mijn broer en zijn vrouw geen belangstelling hadden voor verdere bijbelstudie, nodigde ik Moreton uit om terug te komen en mij te onderwijzen.
Na verloop van tijd ontdekte ik dat onze gezinskleermaker hetzelfde boek had maar dat niemand hem erbij hielp het te bestuderen. Na elke studie met Moreton ging ik daarom naar zijn atelier en bestudeerde hetzelfde hoofdstuk met hem. Dat hielp mij vorderingen te maken, en het duurde niet lang of ik kon de bijbel gebruiken om de waarheid te verdedigen.
Op zekere dag zei ik tegen Moreton dat ik graag net als hij een zendeling zou willen zijn. Hij lachte en zei: „Je zult er een worden. Maar je zult je op veel moeilijkheden moeten voorbereiden.” Hij toonde me uit de bijbel aan dat ik vervolging onder de ogen moest zien, zelfs van de zijde van intieme bloedverwanten (Matth. 10:34-38). „Toch”, zo zei hij, „zal Jehovah je niet in de steek laten als je trouw blijft.” Ik had er geen flauw vermoeden van dat ik weldra de waarheid zou leren van wat hij had gezegd.
EEN VROEGE GELOOFSBEPROEVING
In oktober 1947 maakte mijn broer mij op zekere keer midden in de nacht wakker en stelde mij het volgende ultimatum: ’Als je niet ophoudt met Jehovah’s Getuigen te studeren en niet naar de anglicaanse Kerk terugkeert, kun je vertrekken.’ Ik staarde hem verbijsterd aan. Ik had geen werk en zou niet weten waar ik naar toe moest gaan. Mijn dorp lag ongeveer vijfhonderd kilometer verder. Aangezien mijn broer dit vanzelfsprekend wist, vroeg ik mij af waar hij dacht dat ik in het holst van de nacht zou kunnen aankloppen. Ik nam echter mijn beslissing. Ik weigerde de dienst van Jehovah op te geven.
Mijn broer werd woedend en begon mij te slaan met alles wat hij kon vinden. Zijn vrouw deed met hem mee. Hij joeg mij het huis uit en zette mij een heel eind achterna. Ik ging naar enkele naaste familieleden in de stad, maar zij weigerden mij die nacht op te nemen. Eén familielid zei: „Heb je niet gezegd dat Jehovah als je Vader is en zijn organisatie als je moeder? Welnu, ga dan naar Jehovah, en laat hij je huisvesting geven!”
Toen heb ik een beslissing genomen waaraan ik mij tot op de huidige dag heb gehouden. Ik zou mij op Jehovah verlaten als mijn vesting en hem dienen, wàt er ook zou gebeuren. — Ps. 27:1, 10.
Aangezien ik nergens anders naar toe kon, ging ik naar een veld in de buurt van mijn vroegere school en sliep daar onder een grote mangoboom. Hier vond de politieagent mij, nadat ik er verscheidene nachten had geslapen.
Overdag ging ik de rimboe in en verzamelde er wat brandhout, dat ik verkocht om voedsel voor mijzelf te kopen. Enige dagen later trof Moreton mij aan. Toen hij mijn verhaal hoorde, sprak hij mij bemoedigend toe en herinnerde hij me aan wat hij me had gezegd over de moeilijkheden die ik zou moeten overwinnen als ik Jehovah wilde dienen. Hij nodigde mij uit hem thuis op te zoeken.
Hierdoor kreeg ik de gelegenheid met de groep zendelingen, de Bethelfamilie genoemd, om te gaan en met het werk in het zendelingenhuis te helpen. Ik had ook het voorrecht met die familie de maaltijden te gebruiken. Ik voelde me werkelijk een deel van de familie en begon hen weldra „broeder” en „zuster” te noemen.
VAN HUIS TOT HUIS PREDIKEN
Op zekere dag nodigde broeder Moreton mij onverwachts uit hem in de prediking van huis tot huis te vergezellen. Bij het eerste huis besprak hij kort een bijbels onderwerp en daarna bood hij als bijbels studiehulpmiddel een boek aan.
Broeder Moreton gaf mij vervolgens zijn tas en zei: „Zie je die man daar op de hoek staan? Ga maar naar hem toe en predik tot hem.” Mijn hart sloeg over. Maar ik bad in stilte en ging naar de man toe, terwijl ik mij te binnen riep wat er tot de eerste man was gezegd, omdat het eenvoudig onder woorden was gebracht. Ik las dezelfde tekst uit de bijbel voor en hij reageerde hier gunstig op. Ik was met het predikingswerk begonnen en wist dat niets mij hiermee zou doen ophouden.
VERDER TOT DE DOOP EN HET PIONIERSWERK
Ik had geleerd dat, aangezien ik mijn leven aan Jehovah had opgedragen, ik mij in water moest laten dopen, evenals Jezus dit had gedaan. Mijn doop vond plaats in december 1947, op het allereerste congres van Jehovah’s Getuigen dat ik bijwoonde. Nu waren alle leden van deze groeiende groep Getuigen werkelijk mijn geestelijke broeders en zusters geworden.
Enkele maanden later begon ik dienst te verrichten als een pionier (een volle-tijdprediker). Hierdoor openden zich veel gelegenheden in het predikingswerk en verkreeg ik snel meer ervaring in het getuigenisgeven van huis tot huis.
Een van mijn eerste werkelijk moeilijke besprekingen kwam toen ik een voorganger van de zevende-dags adventisten ontmoette. Hij begon onmiddellijk over het onderwerp van de sabbat en las mij de les, betogend dat de sabbat elke week onderhouden moest worden. De rollen waren omgekeerd. Ik bemerkte dat ik degene was tot wie gepredikt werd, terwijl ik de teksten las die deze huisbewoner aanhaalde en naar zijn uitleg luisterde. Ik zei hem dat ik erg weinig over de sabbat wist maar dat ik wat nazoekwerk zou doen en later zou terugkeren.
Toen ik terugkwam, waren een paar kerklidmaten bij hem thuis. Hij hoopte de gelegenheid te benutten om indruk te maken op zijn gemeente. Toen hij mij aan hen voorstelde, zei hij: „Dit is een jonge getuige van Jehovah die door enkele valse predikers is misleid. Ik ben blij dat hij naar mijn onderwijs heeft geluisterd en is gekomen om verdere uitleg te krijgen.” Ik vroeg of ik het eerst mocht spreken. Terwijl ik met dezelfde tekst begon die hij uit de wet van Mozes had aangehaald, verwees ik naar de christelijke Griekse Geschriften en legde uit waarom christenen niet verplicht zijn om een wekelijkse sabbat te onderhouden. — Rom. 10:4; Gal. 4:9-11; Kol. 2:16, 17.
Verbaasd over mijn toegenomen kennis, zei de voorganger: „Je hebt de Schrift heel goed gebruikt. Dit zouden de lidmaten van mijn kerk ook moeten kunnen doen. Zij zouden van huis tot huis moeten kunnen gaan en hun geloof moeten kunnen verdedigen, net als jij hebt gedaan.” Die avond namen hij en zijn kerklidmaten 29 boeken voor bijbelstudie van mij aan.
JEHOVAH IS MIJN VESTING
Om aan bepaalde financiële verplichtingen te kunnen voldoen, nam ik werk aan bij de Nigeriaanse Spoorwegen, terwijl ik bij een andere halfbroer introk. Hier werd mijn vertrouwen op Jehovah opnieuw beproefd.
Ik had een toewijzing aanvaard voor het programma van een districtscongres van Jehovah’s Getuigen dat begin 1950 in Oost-Nigeria zou worden gehouden. Dit zou mijn eerste aandeel zijn aan een congresprogramma, en ik wilde het beslist niet missen. Daarom ging ik op mijn werk naar de voorman van mijn afdeling en vroeg ik om vier dagen onbetaald verlof. Maar hij weigerde mijn verzoek in te willigen. Ik was zó teleurgesteld, dat ik mijn eetlust verloor. Een hele dag at ik geen voedsel, terwijl ik Jehovah voortdurend bad of hij de weg voor mij wilde openen.
De volgende dag ging ik rechtstreeks naar mijn afdelingschef, hoewel dit niet de procedure was voor jongere werknemers. Toen ik hem zei dat ik een van Jehovah’s Getuigen was, zei hij: „Dat had ik kunnen weten. Ik heb gezien hoe gewetensvol je werkt, en je herinnert mij aan mijn broer in Engeland, die als enige in mijn familie lid is van Jehovah’s Getuigen. Wij beschouwen hem als fanatiek omdat hij heeft geweigerd in het leger te gaan en tijdens de oorlog te strijden. Maar hij is de enige in de familie die wij kunnen vertrouwen. Het is goed dat een van Jehovah’s Getuigen bij ons werkt.”
Ik vertelde hem toen dat ik graag het congres wilde bijwonen en dat ik om vier dagen onbetaald verlof had gevraagd. Hij zei: „Natuurlijk ga je naar het congres. Maar je hebt meer dan vier dagen nodig vanwege de reis die ervoor nodig is. Ik zal je een hele week geven. Ga maar met mij mee.” Hij bracht mij bij mijn voorman en zei: „U zult blij zijn te vernemen dat wij een van Jehovah’s Getuigen in ons midden hebben. Zij zijn bijzonder oprechte, eerlijke en hardwerkende mensen. Geef mijnheer Olih dus zeven dagen betaald verlof om naar zijn congres te gaan.”
Enige tijd later kreeg ik een uitnodiging om op het bijkantoor van de Watch Tower Bible and Tract Society in Lagos dienst te verrichten. Dit Genootschap is het wettelijk erkende lichaam waarvan Jehovah’s Getuigen zich bedienen. Zo werd ik in april 1951 een lid van de Bethelfamilie in Lagos.
Mijn broer uitte zijn afkeuring door te zeggen: „Nu je hebt besloten je werk te verlaten om jouw Jehovah te gaan dienen, moet je wel beseffen dat, mocht je in de toekomst iets overkomen, je niet bij mij hoeft aan te kloppen, omdat ik je beslist niet zal helpen.” Ik gaf hem de verzekering dat ik het vertrouwen had dat Jehovah voor mij zou zorgen. Dit heeft Hij gedurende de dertig jaar die ik in Bethel heb doorgebracht, beslist gedaan. Dit zijn bijzonder vreugdevolle jaren geweest, vol schitterende gelegenheden en voorrechten.
Het is geloofversterkend om terug te kijken en te zien hoe Jehovah in de loop der jaren mijn vesting is geweest en op progressieve wijze in mijn behoeften heeft voorzien. Op een van onze congressen in 1953 ontmoette ik Francisca, een jonge zuster uit Togo. Na drie jaar gecorrespondeerd te hebben, trouwden wij. Zij is aan mijn zijde blijven dienen en heeft mij, ondanks gezondheidsproblemen, bijzonder aangemoedigd. Als gevolg van mijn dienst heb ik de gehele lengte en breedte van Nigeria doorkruist. Ik heb het voorrecht gehad grote mensenmenigten toe te spreken op onze congressen en reizende opzieners (kring- en districtsopzieners) te onderwijzen op scholen die ten doel hadden hen te onderrichten.
Ik herinner mij nog de allereerste keer dat Francisca en ik een buitenlandse reis maakten. Dit was in 1969, toen wij een internationaal congres in Londen bijwoonden. Ik beschouwde dat als een studiebeurs die ik van Jehovah’s organisatie had ontvangen. Hoe had ik naar Londen kunnen reizen als Jehovah’s organisatie dit niet voor mij mogelijk had gemaakt? Sindsdien zijn wij naar congressen geweest in vele landen van Europa, Amerika en Afrika. Wat was het in 1976 en 1978 heerlijk voor ons tijdelijk met de Bethelfamilie op het hoofdbureau van de Watch Tower Bible and Tract Society in Brooklyn, New York, samen te wonen! Samen met andere bijkantoorleden uit andere delen van de wereld had ik de uitnodiging ontvangen om gespecialiseerde vergaderingen en opleidingsprogramma’s bij te wonen die onder leiding van het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen werden gehouden. Wat zou ik nog meer kunnen wensen dan trouw te mogen blijven aan onze liefdevolle God Jehovah?
Mijn loopbaan van dienst is niet altijd gemakkelijk geweest. Ik heb moeilijkheden, beproevingen en ziekten achter de rug en heb verschrikkelijke ongelukken meegemaakt. Mijn geloof is op de proef gesteld. Maar ik heb ook een rijkdom aan christelijke kennis en geestelijke kracht ontvangen, te zamen met oneindig veel vreugde in het dienen van Jehovah en mijn broeders.
De volgende belofte van Jezus is in mijn geval vervuld: „Er is niemand die ter wille van mij en ter wille van het goede nieuws huis of broers of zusters of moeder of vader of kinderen of velden heeft verlaten, die niet nu, in deze tijdsperiode, honderdvoudig zal ontvangen, huizen en broers en zusters en moeders en kinderen en velden, mét vervolgingen, en in het komende samenstel van dingen eeuwig leven.” Ik denk net als de psalmist, die zei: „Ik wil tot Jehovah zeggen: ’Gij zijt mijn toevlucht en mijn vesting, mijn God, op wie ik wil vertrouwen.’” — Ps. 91:2; Mark. 10:29, 30.