Het bergkoninkrijk Lesotho hoort het „goede nieuws”
HET eerste wat u van Lesotho ziet als u er door Zuid-Afrika naar toe rijdt, zal een rij spitse bergtoppen zijn die als een reusachtige zaag aan de horizon verschijnen. Behalve een smalle strook laagland langs de westgrens bestaat heel Lesotho uit berggebied. Het ligt weggestopt in het hartje van de Drakens Berge, die de wervelkolom van zuidelijk Afrika vormen.
Met zijn oppervlakte van slechts 30.355 km2 is het een van de kleinste landen van Afrika en telt het een bevolking van circa 1.100.000. Het wordt geregeerd door een minister-president en een parlement in westerse trant, en ook heeft het een koning, Moshoeshoe II (spreek uit: Mosjweesjwee). Vandaar de naam „bergkoninkrijk”.
Lesotho is waarschijnlijk het koudste land van Afrika. De winters in de bergen zijn streng, dikwijls met ondergesneeuwde bergtoppen en passen. Hebt u ooit gedacht dat u in Afrika in de sneeuw kon skiën?
In de jaren twintig van de vorige eeuw werd het gebied bewoond door een kleine stam onder stamhoofd Moshoeshoe I. In die tijd ging een oorlogszuchtige Zoeloehoofdman, Chaka geheten, in het oosten te keer, waarna resten van verslagen stammen hun toevlucht vonden op Moshoeshoes grondgebied. Dit werd later Lesotho. De inwoners staan bekend onder de naam „Basotho” (enkelvoud: „Mosotho”) en de voertaal is het „Sesotho”.
Lesotho is een enclave, grotendeels omringd door Zuid-Afrika, maar voor een deel ook door de nieuwe staat Transkei. De voornaamste toegangsweg tot het land passeert de westgrens, waar men over een smalle brug over de rivier de Caledon rijdt. Men wordt begroet met het bord Kena ka khotso (Kom binnen in vrede). Anderhalve kilometer verderop rijdt men Maseru binnen, het doezelige hoofdstadje.
Maseru (17.000 inwoners) is een mengeling van de gekunstelde westerse en de eenvoudige Afrikaanse levensstijl. Moderne gebouwen staan „schouder aan schouder” met lemen hutten; kuddes runderen houden het verkeer in de straten op; soms zwerven de schapen de tuinen in en doen zich te goed aan de bloemen.
HET „GOEDE NIEUWS” BEREIKT LESOTHO
In het begin van de jaren veertig van deze eeuw bereikte het „goede nieuws” Lesotho. Twee Basothomannen die in Zuid-Afrika hadden gewerkt en daar het „goede nieuws” hadden gehoord, keerden in 1942 naar Lesotho terug en begonnen met grote ijver de Koninkrijksboodschap te verbreiden. Tegen 1951 waren er vijf kleine gemeenten en ongeveer 63 actieve getuigen van Jehovah, met inbegrip van tien volle-tijdverkondigers van het „goede nieuws”.
In Maseru zelf bevindt zich nu een grote gemeente met 125 verkondigers van het „goede nieuws” en een fraaie Koninkrijkszaal. Ook zijn er nu twee zendelingenechtparen die het „goede nieuws” verbreiden onder de Basotho en een veeltalige buitenlandse bevolking. Van deze laatste groep zijn er velen werkzaam in hulpprojecten onder auspiciën van de Verenigde Naties en andere organisaties. Dus moeten de zendelingen, als zij in Maseru werken, lectuur in vele talen bij zich hebben.
Bij één gelegenheid was een zeer gebrekkig Engels sprekende Chinese dame erg blij toen zij bezoek kreeg van een zendelingenechtpaar. Zij liet hun het nieuwste nummer van De Wachttoren in het Chinees zien en zei: „Blaadje, heel mooi vinden.” Zij had het bij wijze van geschenkabonnement van een zendeling in Taiwan ontvangen. Er werd een bijbelstudie bij haar opgericht.
Het is een groot verschil of men tot de Basotho predikt of getuigenis geeft aan de buitenlanders. Zelfs hun huizen zijn totaal verschillend. Gewoonlijk zijn het hutten van gevlochten twijgen en leem, met daken van stro. Het leem op de buitenmuren is dikwijls verwerkt tot fraaie, ingewikkelde patronen. De vloeren zijn bepleisterd met koemest, die, tussen twee haakjes, hard en egaal opdroogt en niet stinkt.
In de regel zijn de Basotho vriendelijk en gastvrij. Westerlingen zijn dikwijls zakelijk en gehaast in hun optreden, terwijl de Basotho dat als onwaardig en zelfs ongemanierd beschouwen. Een Getuige die de huizen bezoekt, wordt steevast uitgenodigd om te gaan zitten; het getuigt van slechte manieren om bezoekers staande te laten praten. Dan moet de bezoeker eerst groeten en beleefdheden uitwisselen met de huisbewoner. Enige tijd gaat heen met het informeren naar elkaars gezondheid, waar men vandaan komt, hoeveel kinderen men heeft, enzovoort. Pas dan kan de Koninkrijksverkondiger over het „goede nieuws” beginnen te praten. Dikwijls komt de hele familie aanlopen om te luisteren.
Ja, het leven in Lesotho is plezierig rustig van tempo — niemand heeft er ooit haast. Als men op straat iemand tegenkomt, ook al is dat een vreemde, dan is het te doen gebruikelijk om te blijven staan en groeten en complimenten uit te wisselen. Maar voor de zendelingen is het maken van afspraken wel eens een beproeving — niemand is ooit op tijd!
HET BERGGEBIED
De westelijke vlakte, waar Maseru en andere stadjes liggen, is smal. In het oosten liggen de bergen — ruig, en voor het merendeel kaal. Veel van dit schitterende land is alleen toegankelijk via smalle paadjes. De spoorweg uit Zuid-Afrika eindigt in Maseru en is dus maar anderhalve kilometer lang. Er zijn wel enkele wegen in de bergen. De meeste daarvan zijn grintwegen, met hier en daar zeer steile passen. Een motorvoertuig met vierwielaandrijving is onontbeerlijk. Een van de passen heet zeer toepasselijk Molimo Nthuse, of de „God helpe mij”-pas!
Als gevolg hiervan is Lesotho een van de meest „paarden minnende” landen ter wereld, en de taaie Basothopony, die zo vast op zijn poten staat, is in zuidelijk Afrika een welbekend ras. Een inheemse bewoner, gehuld in zijn kleurige schoudermantel en met de typische strohoed op het hoofd, die schrijlings op zijn pony gezeten zich met vrolijk hoefgekletter zijns weegs rept, is in de hooglanden een alledaagse verschijning. Ook ezels spelen een belangrijke rol in het vervoer in Lesotho. Soms worden ze zo zwaar beladen met brandhout, meubels of andere vrachten, dat het kleine, lijdzame ezeltje er bijkans onder verdwijnt.
Hoe heeft het „goede nieuws” nu de dorpen in deze afgelegen, bijna ontoegankelijke bergen bereikt?
Dat was een gevolg van de slechte economische toestand in Lesotho, die de meeste mannen ertoe brengt voor een jaar of twee werk te zoeken in Zuid-Afrika, hoofdzakelijk in de goudmijnen. Tijdens hun verblijf in de mijnen aanvaarden sommigen de bijbelse boodschap van Jehovah’s Getuigen en geven die vervolgens door aan hun familie en vrienden wanneer zij weer thuiskomen.
Maar de Koninkrijksboodschap heeft de afgelegen bergstreken ook op andere manieren bereikt. Een Getuige kreeg werk als stratemaker aan de weg naar Mantsonyane, diep in de bergen. Deze ijverige Getuige sprak met iedereen die hij ontmoette over het „goede nieuws”. Hij richtte bijbelstudies op met enkelen van zijn medearbeiders en organiseerde een groepsstudie toen zij in tenten langs de weg bivakkeerden. Ook predikte hij tot de mensen in de dorpen. Toen hij zag hoe zij reageerden, zocht deze broeder een baan in Mantsonyane, met het gevolg dat daar een groep ijverige bekendmakers van het „goede nieuws” werd gevormd.
Ook hebben de Afrikaanse reizende opzieners goed werk verricht bij het verbreiden van het „goede nieuws” in de bergen. Om het dorpje Hatebesi te bereiken, waar slechts twee Koninkrijksverkondigers woonden, liep één opziener 22 uur. Op weg daarheen vond hij voor de nacht onderdak en verkwikking in een zeker dorp. Weldra was de kleine hut vol met inheemse bewoners, die gretig naar de boodschap kwamen luisteren. De volgende dag leenden de dorpelingen hem twee ezels om hem te helpen de rest van zijn reis te volbrengen. Toen hij in Hatebesi kwam, werden er elke avond geslaagde bijeenkomsten gehouden, met als laatste vergadering een openbare lezing voor 62 aanwezigen.
Bij zijn volgende bezoek gebruikte de reizende opziener een paard om zijn op batterijen werkende diaprojector, zijn dekens en andere bagage te dragen. Gedurende dat korte verblijf kwamen veel mensen bijbelse vragen stellen en om een bijbelstudie vragen. Bij de diavertoning waren 86 personen aanwezig — vrijwel het hele dorp.
Het vereist hard werken en offers om zulke geïsoleerde en ver uiteen liggende berggebieden te bereiken. Degenen wier hart van liefde voor God en hun naasten brandt, moeten lange afstanden lopen om het „goede nieuws” aan anderen door te geven. Moeders laten hun baby’s dikwijls niet thuis, maar nemen ze naar Afrikaans gebruik op hun rug mee. Soms ook dragen liefdevolle vaders de baby’s, in het besef dat de moeders moe zijn. Dit alleen al helpt de mensen in het gebied de liefdevolle consideratie van christelijke vaders voor hun gezin op te merken.
De Getuigen in Quthing, bij de zuidwestgrens van Lesotho, slaagden er op een ongewone manier in een nieuwe gemeente op te richten. Hun pogingen om een geïsoleerde plaats in de bergen te bereiken, werden beloond toen een lid van een bepaalde kerk lectuur en vervolgens een bijbelstudie aanvaardde. De geïnteresseerde man begon na enige tijd het „goede nieuws” door te geven aan zijn medekerkgangers, en op zekere dag was de hele gemeente aanwezig om te horen wat de Getuige die de studie leidde, onderwees. Het eindigde ermee dat velen van hen de boodschap aanvaardden en opgedragen dienstknechten van Jehovah werden. Er is daar nu een gemeente met een Koninkrijkszaal die plaats biedt aan 300 personen.
GEBRUIKEN
Zoals alle Afrikaanse landen kent Lesotho veel traditionele gebruiken die te maken hebben met toverkunst en voorouderverering. Enkele daarvan zijn werkelijk heel eigenaardig. Zo werd bijvoorbeeld een Getuige aangeklaagd omdat zij geen schoudermantel had omgedaan toen zij uit het ziekenhuis thuiskwam na haar eerste kind ter wereld gebracht te hebben. Wanneer dat achterwege gelaten werd, verklaarde een inheemse hoofdman, zou er hagel of onweer komen om hun oogst te vernietigen.
Later zag men dat de man van deze vrouw babyluiers buiten te drogen hing. De dorpshoofdman beval hem ze weg te halen. Waarom? Omdat hij zei dat tussen ’s ochtends elf uur en ’s middags half vier luiers buiten hangen slecht weer kon veroorzaken.
NEUTRALITEIT VAN JEHOVAH’S GETUIGEN
Enkele jaren geleden deed zich in Lesotho een gewelddadige politieke opstand voor. De regering drukte die de kop in en stuurde mannen uit naar de dorpen om aanhangers van de oppositie te straffen. Toen de regeringstroepen een bepaald dorp naderden, vluchtte een ouder echtpaar, in de wetenschap dat hun bezittingen en zelfs hun leven gevaar liepen, naar de bergen met hun twee volwassen zoons — welbekende aanhangers van de oppositie. Maar hun dochter, een van Jehovah’s Getuigen, en haar baby’tje bleven achter.
Weldra waren de regeringstroepen in de kraal en begonnen ze de hutten uit te kammen. Toen zij echter bij de hut met de Getuige en haar baby kwamen, herkenden zij haar. Wetend dat zij een van Jehovah’s Getuigen was en zich dus neutraal opstelde in politieke aangelegenheden, lieten zij haar en het huis met rust. Dit is slechts een van de vele voorbeelden waarin het neutrale standpunt van Jehovah’s Getuigen als een werkelijke bescherming heeft gewerkt. — Joh. 15:19.
TEGENSTAND
Behalve de traditionele voorouderverering en toverkunst zijn er ook vele sekten en kerken van de christenheid in Lesotho werkzaam. Een vooraanstaande plaats hieronder wordt ingenomen door de Rooms-Katholieke Kerk. Aangezien op katholieke scholen veel aandacht wordt besteed aan religieuze gebeden en ceremoniën raken de kinderen van Jehovah’s Getuigen nogal eens in moeilijkheden. In sommige plaatsen zijn heel wat van deze kinderen van school gestuurd omdat zij weigerden deel te nemen aan valse aanbidding.
Maar in Lesotho bestaat vrijheid van aanbidding. Enige tijd geleden zette het dorpshoofd in een plaatsje in de buurt van Mohale’s Hoek een speciale pionier (volle-tijdwerker) uit het gebied en beval een kleine groep Koninkrijksverkondigers hun bijeenkomsten en prediking te staken. Maar de kwestie werd met de districtsbestuurder opgenomen. Hij gaf het hoofd opdracht zich te onthouden van acties tegen Jehovah’s Getuigen, aangezien hun werk en aanbidding in dit land wettelijke erkenning genieten.
Niet alle priesters zijn tegen het „goede nieuws” gekant. Een reizende opziener bericht dat hij bij het werken van huis tot huis in een bepaald dorp bij het huis van een priester kwam die verbonden was met de Church of England. Toen de opziener in de buurt van dat huis kwam, riep een stem van binnen hem toe: „Sla mij alstublieft niet over. Kom binnen.” Dit leidde tot een lange, vreugdevolle bespreking van het „goede nieuws” en het verspreiden van bijbelse lectuur. De priester erkende dat twee vrouwen die zich slecht gedragen hadden toen ze tot zijn kerk behoorden, aanmerkelijk ten goede waren veranderd toen zij uittraden en Jehovah’s Getuigen werden. De vriendelijke houding van de priester baande voor vele personen in dat gebied de weg om naar de Koninkrijksboodschap te luisteren.
In weerwil van tegenstand, gebrek aan goede wegen en vervoer, inheems bijgeloof en vele andere hindernissen bloeit de Koninkrijksprediking in dit bergkoninkrijk. In 1942 hielden slechts twee Basotho Getuigen zich bezig met het verbreiden van het „goede nieuws” in Lesotho. Nu zijn er ruim 600. En de Gedachtenisviering ter herdenking van de dood van Christus in 1980 werd door 2690 personen bijgewoond. Profeteerde Jesaja niet: „De kleine zelf zal tot duizend worden”? (Jes. 60:22) — Ingezonden.