Vragen van lezers
● Toen Jezus over „het teken . . . van [zijn] tegenwoordigheid en van het besluit van het samenstel van dingen” sprak, zei hij tot zijn discipelen: „Voorwaar, ik zeg u dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan totdat al deze dingen geschieden” (Matth. 24:3, 34). Hoe moeten wij dit begrijpen?
Deze profetie, die in het jaar 33 G.T. werd uitgesproken, onderging een opmerkelijke typologische vervulling tot op het jaar 70 G.T., toen het joodse samenstel van dingen werd vernietigd en Jeruzalems tempel werd omvergehaald, waarbij ’geen steen op de andere werd gelaten’. Volgens de geschiedschrijver Josephus kwamen alleen al in Jeruzalem 1.100.000 joden om. Hoewel velen van Jezus’ vroege discipelen waren gestorven in de vervolgingen die tot op die tijd hadden gewoed, bleven sommigen van het geslacht uit Jezus’ dagen — dat getuige was geweest van zijn machtige werken — in leven en maakten ook het einde van dat „besluit van het samenstel van dingen” mee (Matth. 24:2, 3). Zij waren personen van Jezus’ geslacht, zijn tijdgenoten.
Uit Jezus’ profetie kunnen wij echter opmaken dat zijn woorden een latere, grotere vervulling moeten hebben, culminerend in een „grote verdrukking . . . als er sedert het begin der wereld tot nu toe niet is voorgekomen, en ook niet meer zal voorkomen”. Deze „grote verdrukking” zal niet slechts een joods „samenstel van dingen” omvatten, maar de gehele mensenwereld, ja, „alle natiën” aan wie Jehovah’s Getuigen ’dit goede nieuws van het koninkrijk [moeten] prediken voordat het einde komt’. De „weeën der benauwdheid” die deze aarde vanaf 1914 begonnen te teisteren, tonen aan dat Jezus’ „teken” sinds dat begin van de Eerste Wereldoorlog zijn grote tegenbeeldige vervulling heeft. — Matth. 24:3-8, 14, 21.
Wat is derhalve het „geslacht” dat „geenszins zal voorbijgaan totdat al deze dingen geschieden”? Het heeft geen betrekking op een tijdsperiode die zoals sommigen hebben proberen uit te leggen 30, 40, 70 of zelfs 120 jaar zou duren — maar verwijst veeleer naar mensen, de mensen die zouden leven tijdens het „begin van weeën der benauwdheid” die over het veroordeelde samenstel van deze wereld zouden komen. Het is het mensengeslacht dat getuige is geweest van de catastrofale gebeurtenissen die zich vanaf 1914 in verband met de Eerste Wereldoorlog hebben voorgedaan.
In een artikel op bladzijde 56 van U.S. News & World Report van 14 januari 1980 werd te kennen gegeven: „Indien u ervan uitgaat dat 10 jaar de leeftijd is waarop een gebeurtenis een blijvende indruk in iemands herinnering achterlaat”, zijn er thans meer dan dertien miljoen Amerikanen die „zich de Eerste Wereldoorlog nog herinneren”. En indien het goddeloze samenstel van deze wereld tot de eeuwwisseling zou blijven bestaan, wat met het oog op de tendensen in de wereld en de vervulling van bijbelse profetieën hoogst onwaarschijnlijk is, zouden er nog steeds overlevenden van het geslacht van de Eerste Wereldoorlog zijn. Dat hun aantal afneemt, vormt echter een bewijs te meer dat „het besluit van het samenstel van dingen” snel zijn einde nadert.
In het tijdschrift The Economist van 15 maart 1980 werd in dit verband een interessante recensie gepubliceerd van een boek getiteld „Het geslacht van 1914”, door Robert Wohl. Hierin kwam de volgende veelbetekenende opmerking voor: „Ten slotte uit de heer Wohl zijn eigen mening over het geslacht van 1914. In het korte en beknopte laatste hoofdstuk geeft hij te kennen dat generaties of geslachten niet wiskundig definieerbaar zijn in termen van een bepaald aantal jaren, maar zich rondom belangrijke historische crises groeperen, waarvan de eerste wereldoorlog wel het duidelijkste voorbeeld vormt.” Dit stemt heel goed overeen met de schriftuurlijke zienswijze die Jehovah’s Getuigen ten aanzien van „het geslacht van 1914” hebben.
Ja, er leefde in 1914 een geslacht van mensen dat getuige was van de belangrijkste historische veranderingen van een tijdperk van betrekkelijke rust tot het huidige tijdperk van oorlog, wetteloosheid en verderf. Velen die thans getuigen van Jehovah zijn, bevonden zich onder hen. Het jaar 1914 vormde inderdaad „het duidelijkste voorbeeld” van verandering, want dat jaar vormde het startsein voor het voorzegde „begin van weeën der benauwdheid” onder de natiën. Er zijn nog steeds veel mensen in leven die ons kunnen vertellen op welk een catastrofale wijze de toestanden op aarde in het jaar 1914 veranderden. En de moeilijkheden waarin de wereld verwikkeld is geraakt, worden met de dag erger. Wij kunnen daarom blij zijn met Jezus’ verzekering dat er onder de overlevenden personen zullen zijn die tot „het geslacht van 1914” behoren — dat dit geslacht niet volledig zal zijn voorbijgegaan als de „grote verdrukking” een eind maakt aan het goddeloze samenstel van deze wereld.