„Blijde tijdingen” brengen vreugde in Centraal-Afrika
’GIJ zult getuigen van mij zijn tot de verst verwijderde streek der aarde.’ Deze afscheidswoorden sprak de uit de doden opgewekte Jezus Christus voordat hij naar de hemel opsteeg. Hoewel Centraal-Afrika in de geest van velen geïsoleerd ligt en ’een van de verst verwijderde streken der aarde’ is, heeft dit niet verhinderd dat de waarheid van Gods Woord of de boodschap van zijn koninkrijk daar zelfs tot in de kleinste en meest afgelegen dorpen is gebracht. — Hand. 1:8.
In 1947 verzochten geïnteresseerde personen op eigen initiatief of het Wachttorengenootschap bijbelse lectuur aan hen wilde zenden. Zonder enig rechtstreeks contact met Jehovah’s Getuigen kwamen zij bijeen om de publikaties die zij per post ontvingen, te lezen en te bespreken. Aanvankelijk kwamen er alleen mannen bijeen. Maar al gauw beseften zij dat ook hun vrouwen en kinderen aanwezig moesten zijn. Derhalve vertaalden zij het Franse materiaal mondeling in de plaatselijke taal. Toen deze groep vernam dat de onderdompeling een christelijk vereiste is, troffen zij in 1949 regelingen voor de doop. Aangezien niemand van hen voorheen gedoopt was, kozen zij één persoon uit om als eerste ondergedompeld te worden. Hij doopte op zijn beurt weer anderen. Hoewel zij bepaalde bijbelse beginselen nog niet begrepen, spreidden zij een opmerkelijke ijver ten toon.
Dit ontsnapte niet aan de aandacht van religieuze vijanden. In 1950 werden er verbodsbepalingen uitgevaardigd tegen de invoer en de verspreiding van alle lectuur die door het Wachttorengenootschap werd uitgegeven. Toen er echter aan het einde van de jaren ’50 een eind kwam aan het koloniale bewind, kregen Jehovah’s Getuigen wettelijke erkenning en het recht om bijbelse lectuur in te voeren. Dat, en de komst van zendelingen, gaf het Koninkrijkspredikingswerk een flinke stimulans.
Een religie die niet bang is voor de doden
Heel kort daarna vernamen zelfs mensen in verafgelegen dorpen over een religie waarvan de leden niet bang zijn voor de doden (Pred. 9:5, 10; Ezech. 18:4). De mensen in Centraal-Afrika leven reeds eeuwenlang in angst voor de doden. Ja, hun leven draait grotendeels om de dood en gebruiken in verband met de doden. Er worden offers gebracht om de overledenen gunstig te stemmen, en er moet voedsel voor de geesten worden achtergelaten. Daarom is de toestand van de doden een veel voorkomend onderwerp van gesprek in de predikingsactiviteit van Jehovah’s Getuigen.
De waarheid uit de bijbel heeft velen de ogen geopend. Zo vroeg men bijvoorbeeld aan een man die zei dat zijn overleden tante hem geregeld ’s nachts bezocht, wat zij wilde. Hij antwoordde: ’Dat er aan de oever van de rivier een offer voor haar wordt gebracht.’ En als dat offer niet werd gebracht? Dan werd hij met de dood bedreigd. Tijdens haar leven was deze tante altijd een zeer liefdevolle persoon geweest die hem vanaf zijn kinderjaren had grootgebracht. Maar nu was men de mening toegedaan dat zij na haar dood een tiran was geworden, die anderen bedreigde. Zou dit werkelijk dezelfde persoon kunnen zijn? Door te redeneren en door de Schrift te gebruiken, zijn deze man en anderen zoals hij van de vrees voor de doden bevrijd. Deze personen hebben geleerd dat de visioenen, stemmen en verschijningen het werk zijn van gevallen engelen, demonen. — Vergelijk 2 Korinthiërs 11:3, 14; Efeziërs 6:12; Openbaring 16:14.
Toch brengt het getrouw vasthouden aan de bijbelse leer vele moeilijke beproevingen met zich. Nadat het lichaam van een overleden familielid is begraven, komt de familie bijeen in het huis waar een dodenwacht wordt gehouden en beoefenen zij praktijken die volgens zeggen de geest van de overledene gelukkig maken. Gewoonlijk wordt er wild gedanst. Door aan zulke praktijken deel te nemen, zou iemand openlijk erkennen dat hij in onschriftuurlijke leringen omtrent de doden gelooft. Dit kan een ware christen eenvoudig niet doen. Maar hoe wordt het bezien wanneer men hier niet aan meedoet? Het wordt beschouwd als een openlijke erkenning dat men voor de dood van de overledene verantwoordelijk is. Wat een beproeving is het voor Jehovah’s Getuigen om door hun familie van moord te worden beschuldigd ook al beseft iedereen dat zo’n beschuldiging volkomen vals en belachelijk is!
Maar er was nog iets anders dat voor velen als een verrassing kwam. Jehovah’s Getuigen houden zich met betrekking tot het huwelijk aan de maatstaf die in de christelijke Griekse Geschriften wordt uiteengezet. De katholieke en protestantse missies hadden de gewoonte om er bijvrouwen op na te houden, oogluikend toegestaan. Wegens de hoge zuigelingensterfte berust de zekerheid van mensen in Centraal-Afrika op het hebben van veel kinderen. Wanneer iemand heel veel kinderen heeft, is dit een manier om zeker te stellen dat wanneer hij ziek en oud is geworden, er iemand is die voor hem zal zorgen. Om veel kinderen te hebben, heeft men een aantal vrouwen nodig. Daarom wordt polygamie als een traditie en als een economische noodzaak geaccepteerd. Gewoonlijk zal niemand willen beweren dat het onder één dak samenwonen met verscheidene vrouwen een gelukkig leven bevordert. Wegens wedijver en jaloezie onder ruziënde vrouwen zijn er zelfs vele echtgenoten en andere vrouwen vergiftigd.
Tot verbazing van velen hebben Afrikanen die Jehovah’s Getuigen werden, polygamie opgegeven. Dit is echter niet zonder moeilijkheden verlopen. Dikwijls wordt er van de zijde van de familie hevige druk op een man uitgeoefend om meer vrouwen te nemen. Stel u voor dat u op een dag van uw werk thuiskomt en bemerkt dat uw familie een tweede vrouw voor u heeft gekocht en haar, terwijl u op uw werk was, al een plaatsje in uw huis heeft gegeven! De keus tussen zich de toorn van een woedende familie, die uit misschien wel 200 mensen bestaat, op de hals te halen en het hoog houden van bijbelse beginselen is een van de vele beproevingen waaraan Jehovah’s dienstknechten in Centraal-Afrika het hoofd moeten bieden.
De prediking in Centraal-Afrika
Met de mensen hier over religieuze onderwerpen spreken, is net zo normaal als het voor de mensen in Noord-Amerika of in Europa is om over het weer of over sport te spreken. In de dorpen is het niet nodig om aan te kloppen, omdat bijna al het werk buitenshuis, in de schaduw van een boom, wordt gedaan. Met een snelle blik kan men vaststellen of er iemand thuis is of niet. Tegen het einde van een bijbels gesprek heeft een Getuige dikwijls een publiek van tien, twintig of zelfs wel dertig mensen, omdat voorbijgangers stil blijven staan om te luisteren. Op het platteland reizen Getuigen wellicht vele kilometers op de fiets ten einde de inwoners van een dorpje te bereiken, om dan te bemerken dat de mensen reeds over Gods Woord hebben gehoord van een familielid dat op bezoek was en die datgene wat hij had gehoord, al in zijn geboortedorp had verteld. Gewoonlijk willen de dorpelingen graag meer horen.
Gedurende de jaren ’60 en het begin van de jaren ’70 hebben Jehovah’s Getuigen overal in het land Koninkrijkszalen gebouwd. Getuigen van verschillende stammen kwamen daar in eenheid bijeen. Dit was beslist iets bijzonders, zoals blijkt uit wat er in protestantse kerken gebeurt. Toen bijvoorbeeld een dominee van een bepaalde stam op een keer werd uitgezonden om zich te ontfermen over een kerk waarvan de leden tot een andere stam behoorden, werd hij door zijn nieuwe „kudde” zo hevig geslagen dat hij en zijn vrouw in een ziekenhuis opgenomen moesten worden.
In Centraal-Afrika werden het werk en de beginselen van Jehovah’s Getuigen, hoewel niet altijd begrepen, algemeen gerespecteerd en bewonderd. Maar toen werd de nationalistische druk sterker en kwam hun werk in 1976 onder een verbodsbepaling te staan. De destijds bestaande regering was van mening dat een organisatie die zich niet met de politiek inliet, niet getolereerd kon worden. Men stond echter niet vijandig tegenover afzonderlijke Getuigen. Vergaderingen werden in particuliere huizen gehouden. Van-huis-tot-huisactiviteit was niet mogelijk, maar de belangstelling die de mensen over het algemeen voor religieuze zaken hebben, opende vele gelegenheden om de bijbelse waarheid met hen te delen. Hoewel ongeveer veertig Getuigen soms wel verscheidene maanden in de gevangenis hebben doorgebracht en enkelen hun betrekking kwijtraakten, waren de rechtbanken billijk en waren er fijne gelegenheden om Gods naam bekend te maken.
Op 20 september 1979 vond er een verandering van regering plaats en kreeg het land weer zijn oorspronkelijke naam: Centraal-Afrikaanse Republiek. De nieuwe regering beloofde dat ze het volk weer volledige vrijheid zou geven. Wat waren Jehovah’s Getuigen verheugd toen op 27 september 1979 in een regeringsbesluit de opheffing van het verbod werd bekendgemaakt!
Een verslag over de activiteiten van Jehovah’s Getuigen in Centraal-Afrika zou niet volledig zijn zonder de belangrijke rol te vermelden van de reizende opzieners die geregeld alle gemeenten bezoeken. Het land is dunbevolkt, met stadjes en dorpen die met elkaar verbonden zijn door onverharde wegen die gedurende de regentijd dikwijls onbegaanbaar zijn. Het vervoer tussen de verschillende plaatsen verloopt niet volgens een vaste dienstregeling, en bussen en vrachtwagens raken dikwijls defect. Vaak moeten de reizende opzieners het maandenlang zonder elektriciteit en stromend water stellen en leven zij onder zeer moeilijke omstandigheden. Toch zetten deze broeders hun werk getrouw voort, omdat zij beseffen dat hun bezoeken een grote aanmoediging voor de gemeenten vormen.
Jehovah’s Getuigen in Centraal-Afrika waarderen het dat zij vrij zijn van de vrees voor de doden. Zij zijn blij dat hun denkbeelden niet tot één stam of dorp beperkt zijn, maar dat zij deel uitmaken van een wereldomvattende broederschap die door liefde verenigd is. Door hun ijver en werk is de hoop van Gods koninkrijk overal in dit land bekend geworden. Ook hebben hun beginselen het respect van vele mensen gewonnen, zelfs van degenen die persoonlijk de christelijke levenswijze niet wensen te aanvaarden. Jehovah’s Getuigen verheugen zich erin de „blijde tijdingen” in deze „verst verwijderde streek der aarde” te blijven bekendmaken. — Openb. 14:6, 7.
„Gij zult kracht ontvangen wanneer de heilige geest op u komt, en gij zult getuigen van mij zijn zowel in Jeruzalem als in geheel Judéa en Samaria en tot de verst verwijderde streek der aarde.” — Hand. 1:8.