John Wycliffe, voorvechter van de bijbel
IN HET Engelse graafschap Leicestershire stroomt de rivier de Swift rustig door velden en weilanden, langs het stadje Lutterworth. Uiteindelijk mondt het riviertje bij Rugby in Warwickshire uit in de rivier de Avon. Het is thans moeilijk dit serene schouwspel in verband te brengen met enkele van de dingen die zich hier 600 jaar geleden hebben afgespeeld. Eén voorval in het bijzonder is wel zo eigenaardig dat het rechtgeaarde personen tot in deze tijd met verbazing blijft vervullen.
Wij beschouwen onze vrijheid om de bijbel te lezen wellicht als iets vanzelfsprekends, maar in de dagen van John Wycliffe lag dat heel anders. Door enkele van de gebeurtenissen te beschouwen die hebben geleid tot het onthutsende optreden waar de rivier de Swift bij betrokken was, krijgen wij wellicht meer waardering voor de vrijheid die wij zelf genieten om de Heilige Schrift te bestuderen.
Gedurende de middeleeuwen heerste in Engeland het feodale stelsel. Het dorps- en zelfs het stadsleven was zeer geïsoleerd, en de ambachtsheer heerste over het volk. Hij eiste een groot deel van hun arbeid op in ruil voor de zeer beperkte vrijheid om hun eigen pachterfjes te bebouwen. De armzalige krotten van de boeren staken schril af tegen de grote stenen huizen en kastelen van de rijke landheren. Aangezien de boeren geen scholing kregen, zodat zij zeer onontwikkeld waren, zaten zij vol angst en bijgeloof, hetgeen in hoge mate in de hand werd gewerkt door veelvuldige pestepidemieën en hongersnoden, die hun hoogtepunt vonden in de Zwarte Dood van 1349. Ook was de invloed van de Kerk en het kloosterwezen zeer onderdrukkend.
Omdat de parochiepriesters weinig gelegenheid tot leren hadden, waren zij dikwijls even onwetend als de boeren. Anderzijds beheersten de fraters en monniken het geestelijk leven van het volk. Zij begaven zich onder het volk om de ’zeven doodzonden’ te prediken en om aalmoezen en giften van hen los te krijgen ter verrijking van hun kloosters, die vrijdom van belasting genoten omdat ze als het eigendom van de paus werden beschouwd. Het systeem van aflaten en de handel in aflaatbrieven en relikwieën werkte het vergoelijken en dientengevolge de toename van misdaad en een losbandig leven in de hand.
Velen werden hun lijfeigenschap beu. Ten slotte begonnen sommige landheren de verplichte arbeid te vervangen door een pachtsom — een regeling die de boeren grotere vrijheid verleende. Naarmate zijn vrijheid toenam, kreeg de boer meer gelegenheid om na te denken en een aandeel te hebben aan andere aspecten van het maatschappelijk leven. Alles wat hem nog ontbrak, was een gezaghebbende stem om zijn gevoelens onder woorden te brengen. Die stem werd gevonden in de persoon van John Wycliffe.
WYCLIFFE BEPAALT ZIJN STANDPUNT
John Wycliffe werd omstreeks 1328-1330 geboren, en hij bezocht de universiteit van Oxford, waar hij het tegen het jaar 1361 tot hoofd van Balliol College en enkele jaren later tot doctor in de theologie bracht. Zijn diepgaande kennis van het Engelse recht en het kerkelijk recht was niet louter een gevolg van zijn belangstelling voor dit onderwerp, maar ook van een diepgeworteld verlangen om vrijheden verdedigd en gehandhaafd te zien.
Sedert de tijd van koning Jan werd er belasting aan de paus betaald bij wijze van erkenning van diens oppergezag over Engeland. In 1365 werd door paus Urbanus V een vordering ingediend voor dit geld en ook voor achterstallige schulden over meer dan 30 jaar. Het jaar daarop bepaalde het parlement dat koning Jan zijn bevoegdheden had overschreden, dat de feodale belasting van de hand gewezen zou worden en dat men het land zo nodig tegen de paus zou verdedigen. Toen de paus de vastberadenheid proefde die uit deze verklaring sprak, trok hij zijn vordering in, echter niet zonder enige onenigheid onder zijn trawanten, de leden van de kloosterorden in Engeland, te veroorzaken.
In antwoord daarop schreef Wycliffe een verhandeling waarin hij het standpunt dat het parlement ingenomen had, juridisch verdedigde. Zijn betoog werd gepresenteerd in de vorm van uitspraken van verschillende leden van het parlement.a Een van deze parlementsleden redeneerde: „Het is de plicht van de paus een vooraanstaand volgeling van Christus te zijn; maar Christus weigerde wereldse heerschappij te bezitten. Derhalve is de paus tot dezelfde weigering verplicht. Aangezien wij derhalve de paus aan het nakomen van zijn heilige plicht dienen te houden, volgt daaruit dat op ons de verplichting rust hem in zijn huidige eis te weerstaan.” — John Wycliffe and His English Precursors, blz. 131.
Die belasting was niet het enige geld dat de paus uit Engeland probeerde los te krijgen. Van tijd tot tijd reisde een pauselijke nuntius met zijn dienaren het land door om inzamelingen te houden en de opbrengst naar Rome mee te nemen. Ter gelegenheid van een van zulke bezoeken in 1372 schreef Wycliffe een juridische verhandeling waarin hij deze praktijken aanviel. Daarmee trok hij tevens het beginsel in twijfel dat alles wat de paus verkoos te doen bij voorbaat juist was. Bovendien bewees Wycliffe een uiterst bekwaam verdediger te zijn van de gedragslijn die het parlement volgde. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Wycliffe in 1374 benoemd werd als een van de gevolmachtigden van de koning bij de onderhandelingen op de pauselijke conferentie in Brugge, waar klachten tegen de roomse Kerk werden ingediend. In hetzelfde jaar werd Wycliffe tot pastoor van Lutterworth benoemd, mogelijk wegens zijn diensten voor de koning.
Ondanks het hoge aanzien dat Wycliffe in sommige kringen genoot, had hij vele vijanden. In 1377 werd hij voor een vergadering van bisschoppen in St. Paul’s Cathedral gedaagd. Het zou er waarschijnlijk slecht voor hem uitgezien hebben als Jan van Gent, hertog van Lancaster, en andere invloedrijke medestanders niet tussenbeide gekomen waren. Nu Wycliffe’s vijanden ditmaal verslagen waren, deden zij een beroep op de pauselijke rechtbank. De paus vaardigde vijf bullen tegen Wycliffe uit, waarin hij diens leerstellingen als ketterij veroordeelde en de aanbeveling deed om handelend tegen hem op te treden. Dientengevolge werd Wycliffe voor een andere raad gedaagd, in het Lambeth-paleis in Londen; maar ditmaal kwam de moeder van de koning tussenbeide. Om van hun steun blijk te geven, verschafte een menigte gewone burgers zich met geweld toegang tot de zitting. Geconfronteerd met deze krachtige verdediging, aarzelde de raad te handelen zoals de paus dat gewild zou hebben en beperkte zich ertoe Wycliffe te verbieden colleges en preken te houden over de aanstootgevende leringen.
DE EERSTE WYCLIFFE-BIJBEL
Hoe lang de vrienden van Wycliffe hem nog hadden kunnen beschermen, valt niet te zeggen. Het geval wilde echter dat de dood van paus Gregorius XI een situatie veroorzaakte die de Kerk in een dusdanige strijd verwikkelde dat Wycliffe op het vasteland van Europa nagenoeg in het vergeetboek raakte. Door het optreden van de nieuwe paus, Urbanus VI, wendden enkelen van de machtige kardinalen zich al snel van hem af. Om te kennen te geven dat hij op onwettige wijze verkozen was, gaven zij hem niet langer hun steun. Toen Urbanus zich daar niets aan gelegen liet liggen, kozen deze kardinalen hun eigen paus, Clemens VII. Hierdoor ontstond het Westerse Schisma, zoals dit in de geschiedenis bekend is komen te staan.
Terwijl afzonderlijke personen en landen partij kozen voor de ene of voor de andere paus, werd de weerzin van Wycliffe steeds groter. Hij was bereid geweest zijn steun te verlenen aan de paus die oprecht zou zijn in zijn beweringen. Maar nu hij zag hoe elk van de beide pausen de ander veroordeelde en voorbereidingen trof tot niets ontziende onchristelijke praktijken om macht en positie te verwerven, verklaarde Wycliffe dat beide pausen vals waren. Hij zag nu heel duidelijk de schijnheiligheid die het ambt aankleefde waarnaar hij had opgezien als het geestelijk gezag. Tot wat of wie moest hij zich wenden om het ware geestelijke gezag van God en Christus te vinden?
Al zijn onderzoekingen, overpeinzingen, discussies en redeneringen begonnen al gauw in elkaar te passen. Alleen de bijbel was de enige maatstaf voor waarheid, de bron van alle ware kennis omtrent geestelijke zaken. Tegenwoordig heeft die gedachte niets ongewoons, maar in een tijd dat het gebruik van de bijbel door de Kerk strikt aan banden was gelegd (terwijl maar een heel gering gedeelte ervan in het Engels beschikbaar was), was dit voor de meeste mensen een geheel nieuw en verrassend idee. Wycliffe stelde een verhandeling op, getiteld: „Over de waarheid van de Heilige Schrift”, en een van de hoofdpunten daarin was dat er een duidelijke grens werd getrokken tussen Schrift en traditie.
Weldra begon Wycliffe in te zien dat de Schrift tot het volk gepredikt diende te worden, dat er geen verschil gemaakt mocht worden tussen een priester en een leek, en dat de gewone boer zelf de bijbel moest kunnen lezen. Met enkelen van zijn geestverwanten begon hij de bijbel vanuit de Latijnse Vulgata in het Engels te vertalen. Gebruik maken van de oorspronkelijke talen zou in die tijd in Engeland ondenkbaar geweest zijn. Aan het Grieks was eeuwenlang geen aandacht besteed, en Wycliffe kende deze taal niet. Tussen 1379 en 1382 werd er koortsachtig aan de vertaling gewerkt. Tegelijkertijd bevorderde Wycliffe het onderwijs aan en de opleiding van reizende predikers die met het Woord van God door het land trokken.
Waarschijnlijk werd de vertaling van de christelijke Griekse Geschriften tegen het jaar 1382 voltooid. Ongetwijfeld werd toen reeds gewerkt aan de vertaling van de Hebreeuwse Geschriften onder leiding van Nicholas van Hereford, een ijverige volgeling van Wycliffe. Een andere helper bij het werk, John Purvey, was enkele jaren Wycliffe’s secretaris. De vertaling die door deze inspanningen tot stand kwam, was zeer letterlijk, zozeer zelfs dat het Engels taaleigen soms geweld werd aangedaan. Maar wel bracht ze de gehele bijbel voor het eerst binnen het bereik van het gewone volk.
HET STRIJDPUNT VAN DE TRANSSUBSTANTIATIE
Reeds vele jaren lang was John Wycliffe ervan overtuigd dat het Avondmaal des Heren een hoogst belangrijke aangelegenheid was. In 1381 werd hij ertoe gebracht om het denkbeeld van de transsubstantiatie aan te vallen aangezien hij het verlangen had om de leringen van de Kerk en de traditie te scheiden van hetgeen in de Heilige Schrift wordt geleerd. Deze leerstelling van de transsubstantiatie, die in de negende eeuw voor het eerst werd geopperd, hield in dat bij de consecratie door de priester het brood en de wijn werkelijk in de substantie van het lichaam en het bloed van Christus veranderden. Wycliffe’s redenering berustte op de passages in de evangeliën en de geschriften van Paulus die rechtstreeks met deze kwestie in verband staan, en op vele verwante schriftplaatsen. Toen Jezus bijvoorbeeld zei: „Ik ben de ware wijnstok”, bedoelde hij niet dat hij een letterlijke wijnstok was geworden, of dat een letterlijke wijnstok in het lichaam van Christus veranderd was (Joh. 15:1). Dit was veeleer een illustratie die gebruikt werd om een belangrijke waarheid te onderwijzen. Door aan de hand van Gods Woord tradities te ontmaskeren, beklemtoonde Wycliffe dat deze leer van de transsubstantiatie geen deel uitmaakte van de leer van de vroege kerk en dat zelfs Hieronymus aan de bijbelse opvattingen had vastgehouden.
Van alle onverbloemde geschriften en preken van Wycliffe was dit voor de Kerk wel de moeilijkst verteerbare. De leerstelling van de Mis was een van de voornaamste middelen waarmee het volk in onderworpenheid aan de autoriteit van de Kerk werd gehouden. Zelfs zijn sterke medestander Jan van Gent ging naar Oxford om te proberen Wycliffe op dit punt tot zwijgen te brengen, maar zonder resultaat.
De boerenopstand in 1381 deed de tegenstand tegen Wycliffe nog toenemen. Duizenden opstandelingen onder leiding van Wat Tyler en anderen marcheerden al brandstichtend en moordend naar Londen, en brachten ten slotte de aartsbisschop van Canterbury ter dood voordat zij verslagen werden.
Voor een deel gaf men Wycliffe de schuld voor deze opstand, want men beweerde dat zijn leringen het volk ertoe hadden aangezet de autoriteit van hun superieuren in twijfel te trekken. Hoewel deze bewering ongegrond was, bracht deze gebeurtenis een nieuwe aartsbisschop, William Courtenay, aan de macht. Toen hij nog bisschop van Londen was, had deze man al actie gevoerd tegen Wycliffe. In 1382 riep Courtenay, nu aartsbisschop, een rechtscollege bijeen dat Wycliffe’s leerstellingen als ketterij en dwaling veroordeelde. Wycliffe kreeg zijn ontslag aan de universiteit van Oxford en er werd een decreet uitgevaardigd waarbij het iedereen op straffe van excommunicatie verboden werd de veroordeelde leerstellingen te prediken of zelfs maar te luisteren naar iemand die deze leer verkondigde.
ZIJN LAATSTE JAREN
Dat Wycliffe nog altijd vrij man bleef, moet toegeschreven worden aan de voortdurende steun van enkelen van zijn machtige vrienden en aan de houding van het parlement, dat nog niet bewezen had de slaafse volgeling van de nieuwe aartsbisschop te zijn. Terwijl nu Lutterworth het centrum van zijn activiteiten was, bleef Wycliffe schrijven en zijn volgelingen inspireren. Zijn aandacht concentreerde zich in het bijzonder op de gedragingen van de bisschop van Norwich, een zekere Henry Despenser, die zich tijdens de boerenopstand onderscheiden had door zijn moed en leiderschap door als eerste de opstandelingen in Norfolk de nederlaag toe te brengen.
Met deze pas verworven reputatie besloot de trotse bisschop partij te kiezen in het Westerse Schisma. In 1383 verkreeg hij een bul van Urbanus VI, waarin hem machtiging werd verleend een kruistocht tegen Clemens VII te ondernemen. Snel bracht hij een leger bijeen door absolutie te beloven en aflaatbrieven uit te reiken aan degenen die bereid waren onder hem te dienen. Wycliffe had zich al in ondubbelzinnige bewoordingen uitgelaten over het schisma, en nu schreef hij een verhandeling getiteld „Tegen de oorlog van de geestelijkheid”. Hij vergeleek het schisma met twee honden die vechten om een been. Hun hele gekrakeel druiste in tegen de geest van Christus, zo betoogde hij, want het ging om wereldse macht en positie. Iemand vergeving van zonden beloven wegens deelname aan een dergelijke oorlog, was een leugen, zei Wycliffe. Zij zouden daarentegen in ongeloof sterven wanneer zij in een volstrekt onchristelijke oorlog sneuvelden. De kruistocht bleek een rampzalige mislukking te zijn en de eens zo trotse bisschop keerde te schande gemaakt naar Engeland terug.
Eerder, in 1382, was Wycliffe door een beroerte getroffen, waardoor hij gedeeltelijk invalide geworden was. Twee jaar later kreeg hij een tweede beroerte, waardoor hij verlamd werd en zijn spraakvermogen kwijtraakte. Hij stierf enkele dagen daarna, op 31 december 1384, en werd begraven op het kerkhof van Lutterworth, waar zijn stoffelijk overschot meer dan 40 jaar lang ongemoeid werd gelaten.
Toen, in 1428, vond er iets vreemds en schokkends plaats. In overeenstemming met het decreet van het concilie van Konstanz dat 14 jaar daarvóór was opgesteld, werd het graf van John Wycliffe opengebroken. Zijn stoffelijke resten werden opgegraven en verbrand, en zijn as werd naar het riviertje de Swift daar dicht in de buurt gebracht. Daar werd de as op het water uitgestrooid om met de stroom mee te drijven, eerst naar de rivier de Avon en dan via de Severn ten slotte de open zee in. De bedrijvers van deze daad hadden er volstrekt geen symbolische bedoeling mee. Toch werd die eraan toegekend door degenen die naar enige vertroosting voor deze wraakzuchtige daad zochten. Waarom gebeurde dat zo lang na Wycliffe’s dood, toen hij persoonlijk niet langer een doorn in het oog van de religieuze leiders in Engeland kon zijn? In een komend artikel over zijn volgelingen, de lollarden, zal het antwoord worden gegeven.
[Voetnoten]
a Het is niet met zekerheid vast te stellen of Wycliffe werkelijk de woorden van deze parlementsleden aanhaalde of dat hij zich van een literair kunstgreep bediende om zijn eigen uitspraken gezag te verlenen.