Geloof in God hield mij staande
Zoals verteld door Harald Abt
IN SEPTEMBER 1940 werd ik naar het concentratiekamp Sachsenhausen in Duitsland gestuurd. De SS-officieren bereidden mij een „hartelijke” ontvangst; ik werd herhaaldelijk geslagen en bedreigd. Eén officier wees naar de schoorsteen van het nabijgelegen crematorium en waarschuwde: „Als je aan je geloof vasthoudt, zul je daar binnen veertien dagen naar je Jehovah opstijgen.”
Ik werd toen naar de barak gebracht waar mijn christelijke broeders, Jehovah’s Getuigen, werden vastgehouden. Ik kreeg het bevel met mijn armen recht voor mij uit neer te hurken. Vier uur achtereen moest ik in die ongemakkelijke positie blijven zitten. Wat was ik ’s avonds om zes uur blij de Getuigen van hun zware werkdag te zien terugkomen!
Deze Getuigen — aanvankelijk waren zij met ongeveer vierhonderd man geweest — vertelden mij dat ongeveer honderd dertig van hun broeders gedurende de vorige winter als gevolg van de onmenselijke behandeling waren gestorven. Had dit de overlevenden vrees ingeboezemd? Neen, zij waren evenals ik vastbesloten God loyaal te blijven dienen.
Laat ik echter, voordat ik meer vertel over de bijna vijf jaar die ik in de concentratiekampen Sachsenhausen en Buchenwald heb doorgebracht, kort beschrijven hoe het kwam dat ik daar naar toe werd gezonden.
CHRISTENEN IN MOEILIJKE TIJDEN
Ik ben in het zuiden van Polen geboren, in een streek die vroeger bij Oostenrijk hoorde; vandaar dat ik zowel Pools- als Duitstalig ben opgevoed. In 1931, toen ik negentien was, bezocht ik de Technische Hogeschool in Dantzig, destijds een Duits-sprekende „vrije stad” aan de Oostzee. Daar ontmoette ik in 1934 Elsa, een jonge vrouw die een grote invloed op mijn leven zou uitoefenen.
In 1936, toen ik mij op mijn eindexamen voorbereidde, begon Elsa de vergaderingen van Jehovah’s Getuigen bij te wonen. Deze werden in het geheim gehouden, aangezien sommige Getuigen reeds gearresteerd waren. Ik liet Elsa weten dat ik het dwaas van haar vond zich met zulke mensen in te laten. Zij haalde mij er uiteindelijk echter toe over met haar mee te gaan naar een vergadering. In plaats dat ik aanmerkingen kon maken, was ik onder de indruk van de bijbelkennis die de Getuigen hadden.
Toen ik van de hogeschool was afgestudeerd, kon ik in Polen geen goede baan krijgen. Ik dacht er daarom over naar Duitsland te gaan om daar werk te zoeken. Elsa zei echter: „Als je gaat, kun je zonder mij gaan.” Jehovah’s Getuigen werden in Duitsland hevig vervolgd, en Elsa wilde zich geen onnodige moeilijkheden op de hals halen. Dit zette mij aan het denken, en ik begon de bijbel dan ook geregelder te bestuderen. In juni 1938 trouwden wij. En begin 1939 werden zowel Elsa als ik, als symbool van onze opdracht aan Jehovah God, gedoopt.
Ondertussen had ik een goede baan gekregen als ingenieur in het havenbestuur van Dantzig. Wij hadden een mooi gemeubileerde flat, die voor bijbelvergaderingen werd gebruikt. Tegen deze tijd werd onze bijbelse lectuur, die door het Poolse bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Lodz was verstuurd, in Dantzig onderschept. In de overtuiging dat ik moest proberen hier iets aan te doen, schreef ik onze christelijke broeders in Lodz een brief waarin ik hun verzocht de lectuur op een adres vlak buiten Dantzig te bezorgen. Elsa en ik zouden deze daar dan ophalen en de stad binnensmokkelen.
Elsa was destijds zwanger, en soms had zij onder haar kleren wel honderd Wachttorens op haar lichaam gebonden. Een douanebeambte zei eens plagend: „Tjonge, u krijgt vast een drieling. Dat kan niet anders!” Zij werd echter nooit gefouilleerd. Wij bleven lectuur smokkelen totdat Duitsland Polen op 1 september 1939 binnenviel, waarna onze vrijheid om Dantzig te verlaten en weer binnen te komen, werd beperkt. Onze dochter Jutta werd op 24 september geboren.
EER AAN HITLER?
Nadat het Poolse garnizoen zich aan de Duitsers had overgegeven, kon ik naar mijn werk terugkeren. Toen ik mijn collega’s met de woorden „goede morgen” begroette, staarden zij mij aan; nu werd er van iedereen verwacht dat zij „Heil Hitler” zeiden.
Ik vroeg de adjunct-directeur te mogen spreken en legde uit dat ik een christen was en die groet niet kon brengen. „Wel, ik ben ook een christen”, antwoordde hij. Ik zei echter dat ik in een strikte betekenis een christen was en het niet juist achtte een mens aldus te eren. Ik werd op staande voet ontslagen en kreeg te horen dat ik in de gevangenis zou terechtkomen als ik weigerde „Heil Hitler” te zeggen.
Later in die septembermaand, nadat de Duitse legers Polen hadden veroverd, kwam Hitler naar Dantzig. Hij hield een vurige overwinningsrede op het belangrijkste plein van de stad dicht bij het gebouw waar wij woonden. Van iedereen werd verwacht dat hij de vlag uithing, maar van onze verdieping wapperde er geen vlag!
De broeders raadden ons in het belang van onze veiligheid aan naar het oosten van Polen te verhuizen. Dat betekende evenwel dat wij al onze bezittingen moesten achterlaten. Met alleen maar een koffer en een kinderwagen bij ons, terwijl Jutta in een hoofdkussen was gewikkeld, legden wij de lange reis in december af. De treinen waren overvol en reden op ongeregelde tijden.
Ten slotte bereikten wij het huis in Lodz waar het bijkantoor was gevestigd. De zuster die de deur opendeed, zag het bewegingloze kind in Elsa’s armen en holde snikkend van de deur weg. Even daarna kwam zij terug, en toen zij de baby zag bewegen, riep zij uit: „O, ze leeft! Ze leeft!” Toen nodigde zij ons pas binnen. Er waren tijdens de transporten veel kinderen doodgevroren, en daarom dacht zij dat ook Jutta dood was.
GEARRESTEERD EN GEVANGENGEZET
De man van die zuster was reeds in de gevangenis. Het was een harde winter voor ons. Wij hadden helemaal geen kolen om het huis te verwarmen of het beetje voedsel dat wij hadden, te koken. Eindelijk slaagde ik erin een baan te krijgen. In juli 1940 trof de Gestapo ons op zekere dag echter thuis aan toen zij naar iemand anders zochten. Elsa en ik kregen bevel ons bij het kantoor van de Gestapo te melden.
De volgende ochtend ging ik naar mijn werk, pakte mijn persoonlijke spullen bij elkaar en zei tegen mijn baas dat ik mij bij de Gestapo moest melden en niet meer zou terugkomen. „O, dat is onzin”, antwoordde hij. „U bent om twaalf uur weer terug. Maak u maar geen zorgen.” Enkele minuten later ontmoette ik Elsa voor het kantoor van de Gestapo en gingen wij samen de trap op.
„Gaat u maar zitten”, zei de dienstdoende ambtenaar. „Wij weten waarom u hier bent.” Hij herinnerde ons er toen aan dat Polen onder het bestuur van het Derde Rijk (nazi-Duitsland) stond, en memoreerde wat Jehovah’s Getuigen in Duitsland was overkomen. „Als u over uw geloof blijft spreken”, zo zei hij, „zult u naar een concentratiekamp gestuurd worden.”
Hij liep toen naar een schrijfmachine en begon te typen. Toen hij terugkwam, overhandigde hij mij het papier. Hier stond onder andere op: ’Ik, Harald Abt, beloof dat ik niet langer over het koninkrijk van God zal spreken.’ Ik zei tegen hem: „Het spijt me, maar dat kan ik niet ondertekenen.”
Nadat mij was verteld hoe dwaas het van me was niet te willen tekenen, werd ik weggeleid. Elsa werd verder ondervraagd. Tijdens de ondervraging vermeldde zij dat wij een tien maanden oude baby thuis hadden. „Niemand anders kan het kind voeden”, zei Elsa, „omdat ik haar borstvoeding geef.” Bezorgd over de baby zei de ambtenaar: „Dan zal ik het kort maken.”
De verklaring die hij in alle haast opstelde, verschilde van de verklaring die ik had geweigerd te ondertekenen. Er stond eenvoudig in dat Elsa zich ervan bewust was dat als zij haar religie zou blijven volgen, zij naar een concentratiekamp gestuurd zou worden. Elsa was van mening dat zij dat kon ondertekenen, aangezien zij zich hier inderdaad bewust van was. Na de verklaring ondertekend te hebben, werd zij echter bang. Waarom? Omdat als zij vrijgelaten werd, ik zou kunnen denken dat zij ten aanzien van haar geloof had geschipperd. Toen zij het kantoor verliet, riep zij daarom luid naar mij, helemaal aan het andere einde van de gang: „Ik heb niet geschipperd! Ik heb niet geschipperd!”
Nadat ik een paar weken was vastgehouden, werd ik naar een gevangenis in Berlijn gestuurd, en vandaar naar Sachsenhausen doorgezonden.
HET LEVEN IN SACHSENHAUSEN
Na de „hartelijke” ontvangst namen SS-mannen ons mee om ons onze gevangeniskleren te geven. Ons haar werd afgeschoren. Toen kregen wij ons nummer toegewezen — ik was no. 32.771. Ik kreeg een paarse driehoek, de identificatie van Jehovah’s Getuigen, om op mijn kleren te naaien. De anderen werden door driehoeken van een andere kleur geïdentificeerd — politieke gevangenen droegen rood, joden geel, misdadigers groen, homoseksuelen rose, enzovoort. Ik was de enige Getuige in deze groep.
Jehovah’s Getuigen waren in een afzonderlijke barak ondergebracht. De barakken van Sachsenhausen lagen in een halve cirkel om een grote appèlplaats. Op de voorgevel van de barakken die op de appèlplaats uitkwamen, stond een spreuk die ongeveer als volgt luidde: ’Er is een weg naar de vrijheid: Getrouwheid, ijver, werk en liefde voor het vaderland.’ Op elke barak stonden één of twee woorden van deze spreuk. Het woord LIEFDE stond op de barak van de Getuigen. Dit was de plaats waar ik vier uur lang in de kou heb moeten hurken.
Deze enorme barakken — er waren er ruim zestig — waren elk in twee slaapafdelingen verdeeld. In het midden bevonden zich de eetruimte, de toiletten en de wasgelegenheid. De slaapzalen aan weerszijden daarvan waren onverwarmd; de stapelbedden waren drie verdiepingen hoog. ’s Winters daalde de temperatuur wel tot -18 graden Celsius; en dan te bedenken dat wij maar twee dunne dekens hadden! De lucht die door de mannen werd uitgeademd, condenseerde op het plafond, waarna het water naar beneden druppelde en op de dekens van de mannen die op de bovenste bedden sliepen, bevroor.
Onze maaltijden bestonden voornamelijk uit koolraapsoep, soms met paardekoppen erin gekookt. Af en toe hadden wij vissoep die zo vies rook dat het hele kamp ernaar stonk! ’s Avonds kregen we wat brood. Aangezien het ontbijt voornamelijk uit surrogaatkoffie bestond, bewaarde ik altijd wat brood om dat ’s ochtends te eten, omdat ik dan altijd erge honger had.
Wij moesten ’s morgens om zes uur opstaan, ons bed opmaken en ons wassen en aankleden; daarna moesten wij naar buiten voor het appèl en vervolgens marcheerden wij naar het werk. Veel van het werk werd buiten het kamp gedaan. Mijn eerste toewijzing was wegen te bouwen. Later kreeg ik, wegens mijn ingenieursopleiding, het technische toezicht over de bouw van nieuwe werkplaatsen.
Veel SS-mannen waren wreed en waren er vaak gewoon op uit ons te kwellen. Soms kwam er tijdens het werk een SS-er binnen op zoek naar stof in de barak. Gewoonlijk kon hij op de daksparren wel wat stof vinden, wat geen verbazing hoeft te wekken, aangezien er ongeveer 80 stromatrassen in één zaal waren. Als wij van ons werk terugkwamen, maakte hij dan bekend: „Ik heb vanochtend stof in jullie barak gevonden, dus krijgen jullie geen middageten vandaag.” Vervolgens werden de deksels van de ketels gelicht, zodat iedereen het voedsel kon ruiken, en werden de ketels weggebracht. Durfde iemand hierover te klagen, dan leidde dit tot de doodstraf.
Je was in Sachsenhausen nooit zeker van je leven. Als je op de een of andere onnozele manier de aandacht van de bewakers op je vestigde, kon dit straf tot gevolg hebben. Iemand kon ertoe gedwongen worden de hele dag in de ijzige winterkou vóór de barak te staan. Als hij ziek werd en koorts kreeg — velen liepen een longontsteking op — en niet naar zijn werk kon gaan, kon de SS-bewaker zeggen: „Och, hij heeft koorts! Prachtig, laat hem dan maar buiten in de kou staan om af te koelen.” Zo’n behandeling heeft velen het leven gekost.
Anderen werden als volgt om het leven gebracht: Zij kregen in het hartje van de winter bevel in een grote teil met koud water te gaan zitten, terwijl er een straal koud water op hun hartstreek werd gericht. Wegens deze onmenselijke behandeling wisten wij nooit of wij de volgende lente wel zouden halen.
Velen hebben mij gevraagd: „Was je nooit bang?” Neen, als je in zo’n situatie verkeert, geeft je geloof je kracht. Jehovah helpt je uit de moeilijkheden. Aan de eettafels, als anderen een beetje uit de buurt waren, baden wij samen en zongen wij zelfs zachtjes. Als wij bijvoorbeeld hoorden dat een van onze broeders als gevolg van wreedheid of ontbering was gestorven, zongen wij een strijdlied. Onze houding was: Blijf sterk! Wees moedig! Wij wisten dat ook wij spoedig zouden kunnen sterven, en wij wilden onze vastberadenheid tot uitdrukking brengen om getrouw te blijven.
GEESTELIJK VOEDSEL EN DE PREDIKING
In 1942 werd de situatie iets beter voor ons. Wij kregen een nieuwe kampcommandant en genoten iets meer vrijheid. Wij hoefden niet langer op zondag te werken. Ook werden er omstreeks die tijd zeven uitgaven van De Wachttoren binnengesmokkeld waarin de profetieën van Daniël werden behandeld. En wij wisten ook enkele bijbels te bemachtigen. ’s Zondagsmiddags kwamen wij dan ook in een vleugel van de barak voor bijbelstudie bijeen; wij waren in totaal met ongeveer tweehonderd man. Enkelen kregen de toewijzing buiten te waken om ons een seintje te geven als er een SS-bewaker aankwam. Dit waren bijzonder gedenkwaardige en geloofversterkende vergaderingen voor mij.
’Binnengesmokkelde Wachttorens?’ vraagt u misschien verbaasd. Dat is op zichzelf reeds een verhaal van geloof en moed. Sommige gedetineerde Getuigen werkten buiten het kamp en kwamen in contact met broeders die nog niet waren gearresteerd. Op deze wijze konden zij in het geheim aan wat lectuur komen die zij het kamp konden binnensmokkelen. Broeder Seliger, die als onze geestelijke opziener fungeerde, werkte in de ziekenbarak en verborg de gesmokkelde bijbelse lectuur achter een tegel in de badkamer aldaar.
Na verloop van tijd werd echter ontdekt hoe goed georganiseerd wij waren. Ook werden in onze barak enkele bijbels gevonden. Daarom werden ongeveer tachtig broeders in een werkbrigade ingedeeld en van Sachsenhausen weggestuurd. De overgebleven Getuigen werden over de vele verschillende barakken van het kamp verspreid. Hoewel onze grote vergaderingen hierdoor werden opgeheven, verschafte het nog veel meer gelegenheden om tot medegevangenen te prediken.
Heel wat Russische, Oekraïense en Poolse jonge mannen reageerden gunstig en werden Getuigen. Sommigen werden in het geheim in het kamp zelf gedoopt — in de badkuip in de ziekenbarak. Ik herinner me nog heel goed het geval van twee jonge Oekraïense mannen. Op zekere dag hoorden zij een broeder een Koninkrijkslied fluiten en vroegen ernaar. „Dit is een religieuze melodie”, zei de broeder. Het maakte een diepe indruk op hen te vernemen dat mensen wegens hun religieuze overtuiging in het kamp waren opgesloten. Na de bevrijding nam een van deze jonge mannen de leiding in het getuigeniswerk in een deel van oostelijk Polen. Hij werd door vijanden van Jehovah’s Getuigen gedood toen hij onderweg was om een christelijke vergadering te leiden.
Toen ik op zekere dag in 1944 met mijn werkbrigade voor het middagmaal binnenmarcheerde, zag ik mijn broeders op de appèlplaats staan. Ik werd als een Getuige herkend en moest me bij hen aansluiten. De SS was op de een of andere manier op de hoogte geraakt van onze geheime postdienst binnen en buiten het kamp (en van het ene kamp naar het andere), en was ook te weten gekomen dat wij op de appèlplaats in kleine groepjes van twee of drie bijeenkwamen om een dagelijkse bijbeltekst met elkaar te bespreken. Wij kregen bevel met deze illegale activiteit op te houden, maar wij hielden verenigd vast aan ons besluit elkaar geestelijk te blijven versterken. Toen aan broeder Seliger — een belangrijke schakel in de geheime postdienst — werd gevraagd of hij in het kamp zou blijven prediken, zei hij: „Ja, dat is precies wat ik zal gaan doen, en niet alleen ik, maar ook al mijn broeders.” De geest van geloof en moed die Jehovah’s Getuigen bezaten, was duidelijk niet verbroken, en de nazi’s zagen opnieuw dat zij niets konden doen om onze rechtschapenheid jegens God te verbreken.
BUCHENWALD EN BEVRIJDING
Eind oktober 1944 werd ik met een brigade bouwexperts naar het concentratiekamp Buchenwald gezonden. Wij moesten enkele werkplaatsen herbouwen die door Amerikaanse vliegtuigen waren gebombardeerd. De broeders in Buchenwald kwamen al gauw met mij in contact en nodigden mij hartelijk uit geestelijke omgang met hen te hebben. Hier was ik nummer 76.667.
Begin 1945 was het duidelijk dat het nazi-regime op instorten stond. Toen Engelse gevechtsvliegtuigen over het kamp vlogen, begroetten de piloten ons door hun toestel beurtelings naar beide zijden te laten kantelen, waardoor zij ons trachtten aan te moedigen. De laatste twee weken voor onze bevrijding gingen de gevangenen niet eens meer naar hun werk.
Op woensdag 11 april 1945 kwamen wij bijeen om een broeder een lezing te horen houden over alle jaarteksten sinds 1933, toen Hitler aan de macht kwam, tot 1945. Tijdens de lezing konden wij het oorlogsgeweld dichterbij horen komen. Toen, midden in de lezing, gooide een gevangene de deur wijd open en riep: „We zijn vrij! We zijn vrij!” Er heerste chaos in het kamp, maar wij zonden een dankgebed tot Jehovah op en gingen door met onze vergadering.
Er waren nog altijd ruim twintigduizend gevangenen in Buchenwald. De SS-bewakers trokken hun uniform uit en trachtten weg te komen, terwijl veel gevangenen wraak op hen namen. Later vertelde een gevangene me hoe hij een mes in de buik van een SS-man had gestoken. Maar Jehovah’s Getuigen hebben natuurlijk niet aan het geweld deelgenomen.
Ongeveer een maand later slaagde ik er ten slotte in Elsa te vinden. Zij had het leven in Auschwitz en andere concentratiekampen overleefd. In augustus 1945 keerden wij naar huis terug en troffen ons dochtertje aan bij enkele broeders die voor haar hadden gezorgd. Zij was toen bijna zes jaar oud en herkende ons niet.
NOOIT GESCHIPPERD
Na de bevrijding van de bezetting door het Duitse leger werd Polen een Volksrepubliek. Elsa en ik boden ons onmiddellijk aan om op het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Lodz te werken. Wij hebben daar vijf jaar gewerkt en hebben met vreugde gezien dat het aantal getuigen van Jehovah van ongeveer 2000 in 1945 tot ongeveer 18.000 in 1950 groeide. In de jaren sinds 1950 hebben wij in verscheidene toewijzingen die wij van Jehovah’s organisatie ontvingen, dienst verricht, terwijl wij altijd vastbesloten zijn gebleven sterk in het geloof te zijn.
In totaal heb ik veertien jaren van mijn leven wegens mijn geloof in God in concentratiekampen en gevangenissen doorgebracht. Men heeft mij wel eens gevraagd: „Heeft je vrouw je erbij geholpen dit alles te verduren?” Dat heeft zij inderdaad! Ik wist van het begin af dat zij nooit ten aanzien van haar geloof zou schipperen, en deze kennis heeft mij geholpen staande te blijven. Ik wist dat zij mij liever dood op een brancard zou zien liggen dan te weten dat ik vrij was omdat ik had geschipperd. Het is een werkelijke hulp zo’n dappere partner te hebben. Elsa heeft gedurende de jaren die zij in Duitse concentratiekampen heeft doorgebracht, vele ontberingen verduurd, en ik weet zeker dat het u zal aanmoedigen enkele van haar ervaringen te lezen.
[Illustratie op blz. 9]
Het concentratiekamp Sachsenhausen
SS-barakken
Appèlplaats
Gaskamer
Cellenbarak
Isolatie
Ontluizingsstation
Executieterrein