De beloningen van het dienen van één Meester
Zoals verteld door Ernest E. Beavor
VEEL problemen blijven onopgelost doordat ze tijdelijk worden uitgesteld als gevolg van geschipper, waardoor men zich ongelukkig voelt; en schipperen kan komen doordat men probeert twee meesters te dienen. Jezus Christus stelde het zo duidelijk toen hij zei: „Niemand kan twee meesters als slaaf dienen . . . Gij kunt niet God en de Rijkdom als slaaf dienen.” En zijn vleselijke halfbroer Jakobus schreef: „De vriendschap met de wereld [is] vijandschap met God.” — Matth. 6:24; Jak. 4:4.
Zo ligt de situatie dus. Het gaat heel eenvoudig om de vraag: Wiens vriendschap willen wij genieten? Het is als een oorlog waarin aan de ene kant de wereld, het vlees en de Duivel staan en aan de andere kant Jehovah God en Jezus Christus (1 Joh. 2:15-17). De keus is aan ons. Maar één ding is zeker: Jehovah als Meester kiezen, schenkt de beloningen die tot onbegrensd geluk leiden. Zo hebben de omstandigheden zich in mijn geval ontwikkeld.
WAARHEIDSZAADJES WORDEN GEZAAID
Toen ik in 1902 werd geboren, waren mijn ouders Bijbelonderzoekers, zoals Jehovah’s Getuigen destijds werden genoemd. Wij gingen altijd naar de London Tabernacle, waar de Bijbelonderzoekers vergaderden. Hoe belangrijk het is kinderen mee te nemen naar de christelijke vergaderingen, blijkt wel uit het feit dat een van die oude liederen mij nog steeds heel goed is bijgebleven: „O duizend jaar, vol vree en voorspoed! Die blijde dag is lang voorzegd.” Hoe waar! Om eeuwig in dat heerlijke aardse paradijs te mogen leven — wat een beloning voor de velen die de ene Meester dienen!
Het was voor mij als twaalfjarige jongen bijzonder opwindend het Photo-Drama der Schepping te zien. De vertoning nam vier avonden in beslag en kon gratis in het Londense Operahuis worden bijgewoond. Het Photo-Drama heeft mij krachtig doordrongen van de waarheid van de schepping, in tegenstelling tot de grove onjuistheid van de evolutietheorie. Het „drama” was ook gedenkwaardig doordat er een korte film in voorkwam waarin werd afgebeeld hoe Abraham op het punt stond Isaäk te offeren. Hierdoor bewees Abraham dat hij Jehovah God diende. En hoe groot was zijn beloning, want hij werd „Jehovah’s vriend” genoemd! „Was ik dat maar!” dacht ik toen. — Jak. 2:23.
IN SLAVERNIJ AAN EEN ANDERE MEESTER
Gedurende de jaren van de Eerste Wereldoorlog maakte Gods volk een bijzonder woelige tijd door. Mijn ouders lieten zich door het een of ander tot struikelen brengen en ik ging de wereld in en ondervond de invloed van haar wegen. Aangezien ik patriottisch was, bezocht ik op 11 november 1918 de wapenstilstandsceremonie in Whitehall en hoorde ik een geestelijke zeggen: „Dezen zijn niet vergeefs gestorven. Zij zijn gestorven om ons land tot een land van helden te maken.” Was dat waar? Welke meester hadden zij gediend? Ongetwijfeld heeft teleurstelling in latere jaren ertoe bijgedragen dat ik juiste conclusies trok toen de donkere wolken van de Tweede Wereldoorlog zich begonnen samen te pakken.
Ondertussen kreeg een andere meester, de oude wereld, mij in zijn greep. De krantenwereld trok mij aan, en met twee wereldse vrienden begon ik een persfotobureau. Dit leidde tot wereldse omgang, roken, drinken en het toegeven aan vleselijke begeerten. Toch bleven de woorden: ’Gij kunt geen twee meesters dienen’ in mijn oren klinken, en ik voelde de verslavende kracht van wat ik deed.
Mijn vader stierf in 1934. In 1936 kwam er een getuige van Jehovah bij mijn moeder aan de deur, die het bijbelstudiehulpmiddel Rijkdom achterliet. Zij besefte hoe dom het was geweest de waarheid vaarwel te zeggen en was vastbesloten haar tijd nu beter te besteden. (Zie Kolossenzen 4:5.) Heeft zij dit ook gedaan? Als tenger vrouwtje was zij „altijd” op pad om de bijbelse waarheid te prediken. Zij overlaadde mij met lectuur, die ik niet las. Hoewel ik wist dat wat zij me zei, waar was, sloeg ik er geen acht op omdat ik mijn leven niet wilde veranderen.
PERSOONLIJK ENKELE FEITEN ONDER DE OGEN ZIEN
Aangezien het mij materieel heel goed ging, liet ik een mooi huis bouwen en schafte ik mij veel materiële gerieven aan. Mijn wereldse meester leidde mij echter naar een vleselijke crisis waardoor mijn gezinstevredenheid verwoest had kunnen worden. De steken van mijn op de bijbel gebaseerde geweten brachten mij plotseling bij mijn positieven. Vijanden, een van de boeken die mijn moeder mij had gegeven, toonde heel duidelijk aan welke beslissing wij allemaal moeten nemen — de beslissing welke meester wij willen dienen. De waarheid werd voor mij bevestigd toen ik de openbare lezing „Zie de feiten onder de ogen” aanhoorde die J. F. Rutherford in 1938 in de Royal Albert Hall uitsprak. Zijn rechtstreekse toespraak doordrong mij er duidelijk van dat het niet mogelijk is twee meesters te dienen.
Er was zoveel te leren, en snel. Wij zijn als gezin altijd erg aan elkaar gehecht geweest en deden veel dingen samen — tenminste, als ik thuis was, want door mijn krantenbureau was ik nogal uithuizig. Na de feiten onder de ogen gezien te hebben, besloot ik mijn oude meester de rug toe te keren en nam ik mijn gezin mee naar onze eerste christelijke vergadering. Stelt u zich de vreugde voor die van het gezicht van mijn moeder afstraalde! Op een van de vergaderingen sprak een broeder op het podium over roken en bewees hij aan de hand van 2 Korinthiërs 7:1 dat het een verontreiniging van het vlees was. Hij vroeg: „Zou u zich Christus Jezus met een sigaret in zijn mond kunnen voorstellen, of Adam als iemand die in de Hof van Eden rookte?” Ik kon dit niet. Toen ik luisterde, had ik twintig sigaretten in mijn ene zak en een pijp en tabak in de andere. Ze gingen die avond, 29 augustus 1939, de kachel in.
DE JUISTE MEESTER DIENEN
Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog moest alles gecensureerd worden, en vrijwel elke foto die door mijn firma werd geproduceerd, had iets met de oorlogvoering te maken. Ik ontving hier geld van. Het boek Vijanden had mijn ogen geopend voor de bijbelse waarheid dat Satan de god van deze wereld is (2 Kor. 4:4). Aangezien ik niet langer de Duivel wilde dienen, werd ik in oktober 1939 als een symbool van mijn opdracht aan Jehovah gedoopt. Van die tijd af diende ik hem en zijn geliefde Zoon, Christus Jezus.
Ik had mij voorgesteld dat onze zoon, Douglas, de persfotografiebusiness zou leren. Na zijn eerste drie dagen op kantoor vroeg ik hem hoe het hem beviel. Hij zei: „Ik wil pionieren.” Wij hebben hem toen onmiddellijk naar het bureau van het Wachttorengenootschap gebracht, zodat hij daar zijn aanvraag voor dit volle-tijdgetuigeniswerk kon indienen. In 1950 bezocht hij de Gileadschool voor zendelingen en sindsdien heeft hij als kringopziener in Japan dienst verricht.
De strijd van het geweten werd met de dag heviger. Met betrekking tot materiële behoeften geloofde ik dat mij, door ’eerst het Koninkrijk te zoeken, al deze dingen zouden worden toegevoegd’ (Matth. 6:25-33). „Vertrouw op Jehovah met heel uw hart”, was de verzekering die ik had. Waarom zou ik ’op twee gedachten hinken’? Ik had het gevoel dat ik hinkte. — 1 Kon. 18:21; Spr. 3:5.
Ik riep een bestuursvergadering van mijn firma bijeen en trad uit, terwijl ik al mijn aandelen opgaf om absoluut vrij te zijn. Nadat ik hiertoe het laatste document had ondertekend, ging ik rechtstreeks naar het Bethelhuis en liet mij inschrijven als pionier. De vrijheid en vreugde die mij op dat moment ten deel vielen, staan mij nog altijd bij. Dat was 1 juni 1940. Ik kocht een nieuwe fiets en een draagbare grammofoon, die toen in onze getuigenisactiviteit van huis tot huis werd gebruikt.
Van die dag af tot nu toe heeft Jehovah werkelijk op overvloedige wijze voor ons gezorgd. Ik heb geleerd hoe ’godvruchtigheid met tevredenheid een groot gewin is’ en hoe de ware Meester degenen beloont die hem getrouw dienen. — 1 Tim. 6:6, Authorized Version.
„Schipperen” heeft altijd een nare bijsmaak voor mij gehad. Vandaar dat alles in mijn ogen òf zwart òf wit is. Ik heb echter moeten leren evenwichtig te zijn, zoals Paulus tot de jonge Timótheüs zei: „Een slaaf van de Heer . . . moet vriendelijk zijn jegens allen” (2 Tim. 2:24). Mijn vrouw Jessie nam de waarheid niet onmiddellijk aan. Toen ik op zekere dag in de velddienst was, zei een zuster tegen mij: „Weet je, Ernie, je vrouw zal ondanks jou toch in de waarheid komen!” Daar schrok ik van. Ik zei: „Is het werkelijk zo erg?” „Ja!” antwoordde zij. Die zuster is inmiddels gestorven, maar ik ben zo dankbaar dat zij de moed had de waarheid te zeggen. Sommigen van ons hebben het nódig zo te worden aangepakt. Jessie werd een jaar later gedoopt.
De oproep voor de pioniersdienst was in die oorlogsjaren erg krachtig, en als gezin spraken wij er voortdurend over. De enige weg die voor een ware christen openstond, was die van strikte neutraliteit (Joh. 15:19). De pioniersdienst was een door God geschonken voorrecht voor degenen die schriftuurlijk vrij waren om deze dienst op zich te nemen. Douglas ging in 1939 pionieren. Onze dochter Gwen was de jongste verkondigster die in 1941 op het nationale congres in Leicester in de pioniersgelederen werd opgenomen. Zij was toen veertien jaar en is nog steeds in de volle-tijddienst. Na als zendelinge in Libanon en Nigeria gewerkt te hebben, verricht zij nu dienst in het Londense Bethelhuis. Onze jongste dochter, Anne, ging in 1942 in de pioniersdienst. Zij heeft ook als zendelinge in Libanon gewerkt en is daar met een geestelijke broeder getrouwd. Nu woont zij in de Verenigde Staten en heeft drie fijne dochters, in wie zij het verlangen inprent de ene ware Meester te dienen.
DE DIENST VAN DE MEESTER OP DE EERSTE PLAATS STELLEN
Weer terug naar 1940. Omdat ik mijn connecties met Fleet Street (het middelpunt van de Londense dagbladpers) verbroken had, was ik niet langer vrijgesteld van militaire dienst, zodat ik mijn oproepingsformulieren kreeg. Ik had de door het Wachttorengenootschap uitgegeven brochure God and the State gelezen, waarin Blackstone’s commentaar op de Engelse wet werd aangehaald. Hij verklaarde dat geen enkele wet van de mens rechtsgeldig is tenzij ze op Gods wet is gebaseerd. Vastbesloten om dit argument tot mijn verdediging aan te voeren, ging ik nadat ik aanvankelijk tot twaalf maanden gevangenisstraf was veroordeeld, in hoger beroep. Ik kreeg de waarschuwing dat als het beroep ongegrond zou worden verklaard, mijn straf zou worden verdubbeld. Tijdens mijn rechtszitting voor een jury, wees de rechter mijn verzoek om Blackstone te mogen citeren, vierkant van de hand, terwijl hij me eraan herinnerde dat het land nu in oorlog was en dat de Landsverdedigingsbepalingen van kracht waren en alle voorgaande wetten ondergeschikt maakten. Ik werd tot twee jaar zware dwangarbeid veroordeeld. Ik had die twee jaar echter nodig om mij de waarheid eigen te maken. Voor het eerst van mijn leven las ik de bijbel helemaal door. Wat een vreugde van de Meester!
Gedurende die tijd gaven andere broeders en ik getuigenis aan zowel gevangenen als gevangenispersoneel. Als gevolg hiervan aanvaardden drie gevangenisfunctionarissen de waarheid en werden gedoopt.
Ons huis was een centrum van theocratische activiteiten en stond altijd open voor geestelijke broeders en zusters, zowel jong als oud. De gesprekken en de ontspanning waren altijd opgebouwd rondom christelijke beginselen. Vergaderingbezoek was een aangename „must”, ondanks de verduistering in oorlogstijd en de luchtaanvallen. Wij deden alles altijd gezamenlijk. Na de oorlog stelden wij ons als gezin ter beschikking overal naar toe te gaan waar het Wachttorengenootschap ons kon gebruiken. Wij kozen Tunbridge Wells, in Kent, waar wij de vreugde hadden de gemeente in twee jaar tijd van twaalf tot zeventig personen te zien groeien. Toen ons werd gevraagd naar Brighton, in Sussex, te gaan, deden wij dit, en zagen wij het aantal gemeenten in slechts drie jaar tijd van één tot vijf gemeenten groeien. De Meester heeft voor groei gezorgd. — 1 Kor. 3:5-9.
Toen kwam 1950 en dat onvergetelijke „Toename der theocratie”-congres in het Yankee Stadion, in de stad New York. Aangezien het Genootschap wist dat wij als gezin van plan waren het congres te bezoeken, kregen onze drie kinderen een uitnodiging voor de zendelingenschool Gilead. Het was moeilijk afscheid van hen allen te nemen toen wij naar Engeland terugkeerden. Onze flat in Brighton leek zo leeg. Maar Jehovah opende opnieuw zijn hand, en ik kreeg de uitnodiging als kringopziener dienst te verrichten. Jessie zou pionierster moeten worden, zo kreeg ik te horen. Zij stemde hiermee in en wat stemde dat mij gelukkig! Zo begonnen wij de vreugdevolste periode van ons leven. Achttien jaar lang hebben wij in Engeland en Noord-Ierland rondgereisd, waar de broeders ons liefdevol gastvrijheid betoonden en waar wij Koninkrijkswaarheden met hen deelden en met hen in de dienst uittrokken.
VOORTGAAN IN DE DIENST VAN DE MEESTER
Onze zoon en dochters trouwden in drie verschillende oorden op aarde. Wij konden geen van de huwelijken bijwonen. Maar wij hebben altijd opgekeken naar onze Meester, die ons de vervulling belooft van die prachtige regel in Koninkrijkslied no. 119: „Als er niets ooit weer geliefden scheidt.”
Wij hebben in de loop der jaren onder de vele liefdevolle broeders en zusters die wij hebben leren kennen, veel vrienden gemaakt. Ervaring schenkt ons veel persoonlijke herinneringen en maakt ons wijzer. Jehovah kastijdt degenen die hij liefheeft. Wij moeten er onder gebed altijd moeite voor doen zijn schitterende naam te heiligen.
Op de leeftijd van vierenzeventig jaar werd het kringwerk te zwaar voor Jessie. Ik vroeg derhalve om ontheffing van deze dienst, en een vriendelijke broeder bood ons een kamer aan in zijn grote huis. Ik pionier nog steeds, met iets minder energie, omdat ik nu zevenenzeventig jaar oud ben. Mijn vrouw, die nu vierentachtig is, doet de huishouding en zorgt voor mij, terwijl ik het druk heb met de voorrechten die ik als opziener geniet, zoals het weiden van Jehovah’s geliefde schapen.
Wat houdt de toekomst in? De wonderbaarlijkste en geweldigste gebeurtenissen van de gehele menselijke geschiedenis. Wat zijn wij uitbundig blij over Jehovah’s belofte: „De natiën zullen moeten weten dat ik Jehovah ben”! — Ezech. 39:7.
Wat zou ik nu nog willen zeggen? Blijf nederig, wees evenwichtig en vergewis u van de belangrijkere dingen. En houd altijd in gedachte dat het dienen van de ene, ware Meester u de verzekering geeft zowel nu als voor eeuwig beloond te worden.