Vragen van lezers
● Deed Paulus in 1 Korinthiërs 2:9 een aanhaling uit een apocrief boek?
Neen, er is geen reden om dat te geloven.
Deze tekst luidt: „Maar zoals er staat geschreven: ’Geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, noch is het in het hart van een mens opgekomen al wat God heeft bereid voor degenen die hem liefhebben.’”
Het schijnt dat Paulus een aanhaling deed uit Jesaja 64:4. Maar zijn woorden komen niet exact overeen met de woorden van Jesaja 64:4 in de Hebreeuwse tekst of in de Griekse Septuaginta-vertaling. Daarom hebben sommige commentators geopperd dat Paulus een aanhaling deed uit apocriefe (niet-canonieke) boeken getiteld „De apocalypse van Elia” en „De hemelvaart en het visioen van Jesaja”, want beide bevatten dezelfde verklaring die in 1 Korinthiërs 2:9 wordt aangetroffen. Een aantal feiten getuigt echter tegen die zienswijze.
Geen van de schrijvers van de christelijke Griekse Geschriften (Nieuwe Testament) heeft ooit een aanhaling uit dergelijke werken gedaan met de woorden: „Er staat geschreven . . .” Ook kan niet worden vastgesteld wanneer deze twee apocriefe boeken werden geschreven. Zelfs indien ze tamelijk vroeg werden geschreven, konden ze later zijn gewijzigd om Paulus’ woorden erin op te nemen, evenals andere apocriefe werken later werden vervalst en veranderd.
● Was de apostel Paulus het oneens met het eerste-eeuwse besturende lichaam over het eten van vlees dat aan afgoden was geofferd, zoals sommigen concluderen door Handelingen 15:28, 29 met 1 Korinthiërs hoofdstuk 8 te vergelijken?
Neen, want de bewijzen tonen aan dat Paulus het volledig eens was met de beslissing van de apostelen en oudere mannen.
In het jaar 49 legden Paulus en Barnabas de vraag of heidense bekeerlingen besneden moesten worden, aan het lichaam van oudere mannen en apostelen te Jeruzalem voor. Op grond van de Schrift en de wijze waarop God had gehandeld, en geleid door de heilige geest, nam de vergadering de beslissing dat bekeerlingen de Wet niet behoefden te onderhouden. Maar zij moesten zich onder andere wel „onthouden van dingen die aan afgoden ten slachtoffer zijn gebracht”. — Hand. 15:1-29.
Omstreeks het jaar 55 schreef Paulus aan de Korinthiërs over het eten van voedsel dat aan afgoden ten slachtoffer was gebracht. Hij zei dat een afgod in werkelijkheid niets is. Een christen kon dus vlees eten dat aan een afgod ten slachtoffer was gebracht en dat later als overschot was weggehaald en in een vleeshal of in een openbaar restaurant dat aan de tempel verbonden was, werd verkocht. Indien echter iemand die voorheen de afgod had aanbeden, erover zou struikelen dat een christen zulk vlees at, gaf Paulus de raad dat het het beste zou zijn zo’n handelwijze te vermijden, opdat het geloof van de ander geen schade zou lijden. — 1 Kor. 8:7-13; 10:25-33; Rom. 14:1-4, 19-23.
Met het oog hierop hebben sommige bijbelcommentators beweerd dat Paulus weigerde de beslissing van de vergadering op te volgen, of dat de verdeeldheid over de kwestie voortduurde. Professor E. Blaiklock zegt bijvoorbeeld: „In 1 Kor. viii. 4 neemt Paulus zelf openlijk een liberalere houding aan dan de beslissing voorschrijft.” Heinrich A. Meyer schrijft over Paulus’ veronderstelde „eigenmachtige positie — volledig onafhankelijk van de autoriteit van alle andere apostelen”. Bovendien merkt Dr. Meyer op dat Paulus in Eén Korinthiërs hoofdstuk 8 „noch hier, noch elders melding maakt van de beslissing van de apostelen, hetgeen in overeenstemming is met het feit dat hij zich bewust was van zijn eigen rechtstreekse en onafhankelijke apostolische waardigheid. . . . Bovendien toont ditzelfde hoofdstuk, samen met hoofdst. x., duidelijk aan dat hij zich, krachtens zijn onafhankelijke positie als apostel reeds vroeg aan alle toepassingen van de tijdelijke overeenstemming waartoe men in Jeruzalem was gekomen, had onttrokken”.
Een dergelijke redenering is verraderlijk, gevaarlijk en in strijd met Gods geïnspireerde Woord. Ze weerspiegelt het denkbeeld dat de bijbelboeken persoonlijke en tegenstrijdige menselijke meningen weergeven en niet geheel geïnspireerd en nuttig zijn (2 Tim. 3:16, 17). En op zijn minst in enkele gevallen weerspiegelt ze een wens om de beslissing in Handelingen 15:28, 29 als tijdelijk en nu onnodig te bestempelen. Dit is echter in strijd met de bijbel en met het historische bewijsmateriaal dat christenen in de tweede eeuw en later de beslissing als bindend erkenden.
Wat was eigenlijk Paulus’ houding inzake de kwestie „[zich] te onthouden van dingen die aan afgoden ten slachtoffer zijn gebracht”?
Verre van bezwaar te maken tegen die beslissing, hadden Paulus en Barnabas zitting in de vergadering waar men tot die beslissing kwam. Vervolgens maakten zij de beslissing in het openbaar bekend, zoals Handelingen 16:4 vermeldt: „Terwijl zij nu voortreisden door de steden, brachten zij hun daar ter nakoming de verordeningen over waartoe door de apostelen en oudere mannen die zich in Jeruzalem bevonden, was besloten.” De gemeenten werden hierdoor opgebouwd.
Was Paulus tegen de tijd dat hij Eén Korinthiërs (omstreeks 55) of de brief aan de Romeinen (omstreeks 56) schreef, van mening veranderd? Beslist niet. In feite ging hij nadat hij deze beide brieven had geschreven, voor de laatste maal naar Jeruzalem (1 Kor. 16:8; Hand. 19:1; Rom. 15:25). Terwijl hij daar was, had hij een ontmoeting met Jakobus en de oudere mannen, die naar de beslissing in Handelingen 15:28, 29 verwezen als iets dat voor christenen nog steeds bindend en van kracht was. Paulus was het ermee eens. — Hand. 21:17-26.
Wij hebben dus een goede reden om te verwachten dat elk schijnbare conflict tussen de beslissing van de vergadering en datgene wat Paulus schreef, opgelost kan worden. En dat is ook beslist het geval.
De beslissing in Handelingen 15:28, 29 verbood een christen deel te nemen aan een formele, religieuze ceremonie of een daad van afgoderij te verrichten. Degenen die een dier aan een afgod offerden, kregen een gedeelte van het vlees te eten. Wanneer zij dat deden, was dit duidelijk een religieuze handeling; men beschouwde het alsof men samen met de heidense god een maaltijd gebruikte (Ex. 34:15; Deut. 32:17; 1 Kor. 10:18-21). Christenen konden dat absoluut niet doen. De beslissing van het christelijke besturende lichaam had het verboden, en Paulus was het daar volledig mee eens. Hij schreef: „Daarom, mijn geliefden, ontvliedt de afgoderij.” — 1 Kor. 10:14; 1 Thess. 1:9.
In wat Paulus in 1 Korinthiërs 8 en 10 en in Romeinen 14 schreef, gaf hij dus geen toestemming om deel te nemen aan een afgodische handeling of feest ter ere van een afgod, zoals de Israëlieten dat hadden gedaan en waardoor zij zich Gods toorn op de hals hadden gehaald (Num. 25:1-4; Openb. 2:14). Hij sprak veeleer over het eten van vlees dat weliswaar uit een afgodstempel afkomstig was, maar aan het publiek in het algemeen was verkocht, zodat het nu eenvoudig tijdens een gewone maaltijd werd genuttigd. Zulk vlees was niet onrein of bezoedeld louter vanwege de plaats waar het vandaan kwam.