Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w79 15/11 blz. 31
  • Vragen van lezers

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vragen van lezers
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
  • Vergelijkbare artikelen
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1995
  • Wereldrampspoed komt naderbij — ’Beschouw Jezus’ daarom
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1983
  • De zegeningen van gehoorzaamheid geleerd door lijden
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1970
  • Hoe Jezus Christus ons kan helpen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2000
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
w79 15/11 blz. 31

Vragen van lezers

● Geeft Hebreeën 4:15, waarin wordt gezegd dat Jezus werd „beproefd”, te kennen dat God er niet zeker van was dat zijn Zoon getrouw zou zijn?

Neen, want niets in de Schrift wijst op een andere zienswijze dan dat Jehovah er zeker van was dat zijn Zoon zijn rechtschapenheid zou bewaren. In Hebreeën 4:15 wordt op iets geheel anders gedoeld. Er staat: „Want wij hebben als hogepriester niet iemand die geen medegevoel kan hebben met onze zwakheden, maar iemand die in alle opzichten evenals wij beproefd is, maar zonder zonde.”

Jehovah had voorzegd dat zijn Zoon, als de Messías, ondanks lijden zijn rechtschapenheid zou bewaren (Ps. 118:22; Jes. 53:3-7, 10-12). God had goede redenen om te vertrouwen dat zijn eniggeboren Zoon, hoewel deze een vrije wil behield, onder beproeving getrouw zou zijn.

Gedurende millennia van omgang en ervaring met zijn Zoon, leerde Jehovah hem kennen zoals niemand anders hem kende (Matth. 11:27; Joh. 10:14, 15). God kende de geesteshouding en hartetoestand van zijn Zoon door en door (Rom. 15:5). Hoewel het Woord de voornaamste schepping was, streefde hij er bijvoorbeeld niet naar aanbeden te worden, zoals wel het geval was met het geestelijke schepsel dat Satan werd (Fil. 2:5, 6). In tegenstelling tot de wetteloze engelen die vóór de Vloed in opstand kwamen, tracht de Zoon altijd zijn Vader te behagen. Daarom brengt de apostel Paulus de woorden van de psalmist op hem van toepassing, door te zeggen: „God is uw troon in eeuwigheid, en de scepter van uw koninkrijk is de scepter van rechtschapenheid. Gij hebt rechtvaardigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat” (Hebr. 1:8, 9; Ps. 45:6, 7). Bovendien heeft hij altijd belangstelling voor het welzijn van mensen gehad (Spr. 8:30, 31). En hij toonde herhaaldelijk zijn vertrouwen in de Vader, wiens wil hij oprecht wenste te doen (Jud. 9; vergelijk Johannes 12:27, 28). Dus zelfs voordat Jezus als mens werd geboren, kon Jehovah er zeker van zijn dat hij zijn rechtschapenheid zou bewaren.

Sommigen hebben de vraag gesteld: „Als Jezus nu toch had gezondigd?” Maar dat is eigenlijk nutteloze speculatie. Het is in strijd met de feiten. De werkelijkheid is dat hij niet heeft gezondigd. Jehovah’s vertrouwen in hem, waardoor Gods volmaakte kennis en wijsheid werd weerspiegeld, was gerechtvaardigd.

Hebreeën 4:15 richt onze aandacht op Jezus’ geschiktheid als hemelse Hogepriester. Door een volmaakte man, gelijkwaardig aan Adam, te worden en door zich tot in de dood getrouw te betonen, diende Jezus als het loskoopoffer (Hebr. 2:9). Maar als mens ervoer hij ook de soort van beproevingen en frustraties waarmee mensen die ernaar streven getrouw te zijn, te maken hebben, met inbegrip van degenen die als Jezus’ „broeders” en mederegeerders naar de hemel zullen gaan (Hebr. 2:14-17). Hij ondervond menselijke vermoeidheid en teleurstellingen. Meer nog, hij kwam tegenover beproevingen in de vorm van lijden en ontbering te staan. Paulus kon terecht zeggen dat Christus „iemand [is] die in alle opzichten evenals wij beproefd is”. Jezus werd daardoor vervolmaakt of geschikt gemaakt voor zijn rol als een Hogepriester die „medegevoel kan hebben met onze zwakheden”. Hoewel andere hogepriesters offers moesten brengen voor hun eigen zonden, is Christus als Hogepriester „zonder zonde”. Toch is hij, doordat hij net als wij vlees en bloed werd, „in staat op gematigde wijze” met ons „te handelen”. — Hebr. 4:15, 16; 5:1, 2, 8; 7:28.

Daarom kunnen wij uit Hebreeën 4:15 een aanmoediging putten. Deze schriftplaats duidt er niet op dat God geen vertrouwen in zijn Zoon had, doch in plaats daarvan dient ons vertrouwen erdoor versterkt te worden dat mensen Jehovah trouw kunnen zijn. Bovendien dient ze ons ervan te overtuigen dat wij, wanneer wij tot Jehovah naderen, een tere, meedogende en begrijpende Hogepriester hebben die ten behoeve van ons dienst verricht.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen