Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w79 15/5 blz. 16-21
  • Bezoeken van oudere mannen strekken Gods volk tot voordeel

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Bezoeken van oudere mannen strekken Gods volk tot voordeel
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • HOE BEZOEKEN VAN OUDERE MANNEN WERDEN BEZIEN
  • PRAKTISCHE HULP AAN GEMEENTEN
  • EEN LIEFDEVOLLE VOORZIENING OM ONS TE STERKEN
  • Reizende opzieners — Gaven in mensen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1996
  • Opzieners — Weest voortreffelijke voorbeelden voor „de kudde”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1980
  • Aangestelde ambtsdragers in de theocratische organisatie
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Reizende opzieners zijn thans tot zegen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
w79 15/5 blz. 16-21

Bezoeken van oudere mannen strekken Gods volk tot voordeel

„Zij [keerden] naar Lystra en Ikónium en Antiochië terug en versterkten de zielen der discipelen, terwijl zij hen ertoe aanmoedigden in het geloof te blijven en zeiden: ’Wij moeten door veel verdrukkingen heen het koninkrijk Gods binnengaan.’” — Hand. 14:21, 22.

1. Waarom zijn de bezoeken van reizende opzieners thans nodig, evenals ze dit in de eerste eeuw waren?

IN DE eerste eeuw bezochten de apostelen en andere oudere mannen de christelijke gemeenten op passende tijden als reizende opzieners. In deze tijd bezoeken reizende opzieners geregeld meer dan 42.000 gemeenten van Jehovah’s Getuigen over de gehele wereld. Hebben zulke bezoeken, in de oudheid en thans, veel met elkaar gemeen? Ja, inderdaad! De behoeften van de christenen in deze tijd zijn vrijwel gelijk aan die van de christenen in apostolische tijden. Wij hebben de aanmoediging en praktische hulp door middel van deze bezoeken nodig om Gods wil onder moeilijke omstandigheden te blijven doen.

2. (a) Aan welke problemen hebben christenen het hoofd moeten bieden, zowel in de eerste eeuw als thans, waardoor welk werk noodzakelijk is geworden? (b) Waarom zijn bezoeken van oudere mannen altijd welkom geweest?

2 Tengevolge van overgeërfde onvolmaaktheden ondervonden de vroege christenen problemen die met de onze overeenkwamen (Rom. 3:23). De verleidingen waaraan zij het hoofd moesten bieden waren grotendeels van dezelfde aard als de verleidingen waaraan wij weerstand moeten bieden (1 Kor. 10:13). Zij leefden te midden van een goddeloos samenstel van dingen dat thans nog steeds bestaat en waarvan wij allemaal heel graag bevrijd willen worden (Gal. 1:4). Hun belangrijkste vijand, de Duivel, is de vijand die ook wij moeten weerstaan (1 Petr. 5:8). Ondanks hun vleselijke zwakheden, druk door de wereld en tegenstand van onzichtbare goddeloze geestenkrachten moesten die eerste-eeuwse gelovigen een werk verrichten. Zij hadden de opdracht ontvangen het „goede nieuws” te prediken en discipelen te maken. Die opdracht geldt ook voor Jehovah’s Getuigen in deze tijd en moet vóór het naderende einde van deze goddeloze wereld volledig ten uitvoer zijn gebracht (Matth. 28:19, 20; Hand. 1:8). Zowel toen als nu zijn bezoeken van geestelijk gezinde mannen welkom geweest als een voorziening om Gods volk te sterken, aan te moedigen en anderszins te helpen.

3. Hoe zal het ons tot voordeel strekken verslagen van bezoeken in apostolische tijden te beschouwen en hedendaagse parallellen te trekken?

3 Deze bezoeken in apostolische tijden verschaffen nuttige leiding voor ons in deze tijd (Hand. 14:21-23; 15:36). Door enkele schriftuurlijke verslagen te beschouwen en hedendaagse parallellen te trekken, zullen wij onze waardering kunnen verdiepen voor de voorziening van zulke „gaven in mensen”, die ons helpen en in onze behoeften voorzien. — Ef. 4:8, 11, 12.

HOE BEZOEKEN VAN OUDERE MANNEN WERDEN BEZIEN

4. Hoe heeft een bezoek aan de gemeente te Antiochië de broeders geholpen?

4 Na de bijeenkomst van de apostelen en oudere mannen te Jeruzalem, in het jaar 49 G.T., werden Judas en Silas, te zamen met Paulus en Barnabas, naar Antiochië gezonden. Als u daar was geweest, wat zou u dan hebben meegemaakt? Volgens Handelingen 15:32 „moedigden” de twee „profeten” Judas en Silas „de broeders met menige toespraak aan en versterkten hen”. Voordien was er in Antiochië enige onenigheid geweest over de kwestie van de besnijdenis. Maar nu de gemeente in Antiochië een onder leiding van de geest opgestelde brief had ontvangen, verbonden met een bezoek van de twee „profeten”, was de kwestie opgelost. De gemeente had reden zich te verheugen. — Hand. 15:2, 22-31.

5. Wat zegt Filippenzen 2:20-22 ons over Timótheüs’ hoedanigheden?

5 Juist hun nederige, zelfopofferende geest maakte „oudere mannen” tot zo’n aanmoediging voor hun broeders. Neem bijvoorbeeld Paulus’ medezendeling Timótheüs, over wie Paulus schreef: „Ik heb niemand anders van gelijke gezindheid als hij, die echt zorg zal dragen voor de dingen die u aangaan. Want alle anderen zoeken hun eigen belangen, niet die van Christus Jezus.” Timótheüs medewerker Paulus aarzelde niet hem naar de gemeente Filippi te zenden als iemand die onder hen zou zwoegen ter „bevordering van het goede nieuws”. — Fil. 2:20-22.

6. (a) Hoe zouden de broeders op Kreta er voordeel van trekken wanneer Titus Paulus’ instructies opvolgde? (b) Welke uitwerking zou Titus’ raad hebben op zowel jong als oud, mannen en vrouwen?

6 Gewoonlijk bleven de oudere mannen die naar een bepaald gebied werden gezonden, daar gedurende langere tijd om de broeders te versterken. Het was dringend noodzakelijk dat Titus bij het oplossen van problemen op Kreta hulp bood. Er werd hem opgedragen „de dingen waaraan wat ontbrak, in orde [te] brengen en in stad na stad oudere mannen [aan te stellen]”. Met het oog op de weerspannigheid, het zinloze gepraat en de misleidende ideeën die sommigen onderwezen, moest Titus bovendien de wanordelijken streng blijven terechtwijzen, opdat zij ’gezond in het geloof’ zouden zijn (Tit. 1:5-14). Hij moest bejaarde mannen en vrouwen, alsook jongere mannen en vrouwen, en tevens slaven, raad geven en vermanen, opdat hun levenswijze „de leer van onze Redder, God, in alle dingen [zou] mogen sieren”. — Tit. 2:1-10.

7. (a) Met welke hoedanigheden waren bezoekende opzieners destijds toegerust? (b) Hoe moesten getrouwe oudere mannen, zoals Paulus, volgens 1 Korinthiërs 11:1 worden bezien?

7 Het is duidelijk dat zeer bekwame bezoekende opzieners de gemeenten in de eerste eeuw noodzakelijk onderricht gaven. Zij allen hadden een jarenlange ervaring in het predikingswerk, in het dragen van verantwoordelijkheid als ouderlingen en in het verduren van moeilijkheden. Na de vervolgingen en ervaringen te hebben opgesomd die hij had meegemaakt, onthulde Paulus zijn grote verantwoordelijkheidsbesef door te zeggen: „Behalve die dingen, welke van uitwendige aard zijn, bestormt mij nog van dag tot dag de zorg voor alle gemeenten” (2 Kor. 11:23-28). Titus, Timótheüs en anderen waren in deze ervaringen nauw met hem verbonden (2 Kor. 8:23; 2 Tim. 3:10, 11). Een voorbeeldig geloof maakte hen tot waardige voorbeelden ter navolging. — 1 Kor. 11:1.

8. Welke vermaning ontvingen de ouderlingen van Efeze, en hoe dachten zij over Paulus?

8 Niet alleen respecteerden de broeders deze voorbeeldige bezoekende „oudere mannen” hogelijk om hun voortreffelijke werk, maar zij gaven ook uiting aan een grote persoonlijke genegenheid voor hen. Een in het oog springend voorbeeld hiervan was de ontmoeting die Paulus met de oudere mannen van Efeze had. Hij vermaande hen: „Schenkt aandacht aan uzelf en aan de gehele kudde, onder welke de heilige geest u tot opzieners heeft aangesteld, om de gemeente Gods te weiden, welke hij met het bloed van zijn eigen Zoon heeft gekocht” (Hand. 20:28). Vervolgens waarschuwde hij hen voor een naderende afval en spoorde hij hen ertoe aan wakker te blijven en de zwakken bij te staan. Nadat zij gezamenlijk hadden gebeden, waren die oudere mannen emotioneel bewogen toen zij van Paulus afscheid namen, daar het hun speciaal verdroot te vernemen dat zij hem niet meer zouden zien. — Hand. 20:29-38.

PRAKTISCHE HULP AAN GEMEENTEN

9. Hoe werden de gemeenten door bezoekende opzieners geprezen en aangemoedigd?

9 De bezoekende opzieners prezen die vroege gelovigen vaak om de voortreffelijke hoedanigheden die zij aan de dag legden. Dit was het geval met de „heiligen” te Kolosse. Epafras had over hun voortreffelijke werken en over hun liefde in geestelijk opzicht gesproken, waarvoor Paulus God dank bracht (Kol. 1:2-8). Paulus’ bezoek aan Thessalonika wierp uitzonderlijke resultaten af. Toen hij de gelovigen aldaar later schreef, maakte hij melding van hun getrouwe werk, liefdevolle arbeid en volharding. Zij hadden het woord onder verdrukking aanvaard en waren waardige navolgers geworden van mannen als Paulus, Silvanus (Silas) en Timótheüs (1 Thess. 1:1-7). Die oudere mannen onderwezen de vroege discipelen zowel door hun woord als door hun voorbeeld en toonden hun aan hoe de vruchten van Gods geest in hun dagelijkse leven ten toon gespreid konden worden. Zij werden ertoe aangemoedigd een onvoorwaardelijk vertrouwen in Jehovah te stellen en zich in gebed voortdurend op hem te verlaten. De gemeenten verheugden zich over zulke bezoeken, aangezien zij erkenden dat zij erdoor werden gesterkt en aangemoedigd „in het geloof te blijven”.—Hand. 14:22.

10. (a) Waarom kon er op het gebied van geestelijke en morele reinheid niet worden geschipperd? (b) Welke aanmoediging, gaven die oudere mannen aan plaatselijke aangestelde herders?

10 De apostelen en oudere mannen hebben ongetwijfeld stappen gedaan om erop toe te zien dat de gemeenten destijds op een ordelijke en harmonieuze wijze onder het leiderschap van Christus functioneerden (Ef. 4:15, 16). Zij wisten dat de geestelijke en morele reinheid gehandhaafd moesten blijven. Er kon in dit opzicht niet worden geschipperd. Hoe zou de christelijke gemeente anders afgescheiden van de wereld kunnen blijven en als een eerbaar vat gebruikt kunnen worden om Jehovah’s werk ten uitvoer te brengen? (2 Kor. 6:14-17; 1 Thess. 4:3-8; 2 Tim. 2:20-22) Om de belangrijkheid van gehoorzaamheid aan goddelijke vereisten te beklemtonen, brachten die oudere mannen bezoeken en schreven zij brieven, waardoor plaatselijke aangestelde herders en de kudde die aan hun zorg was toevertrouwd, werden geholpen. —1 Petr. 5:1-5.

11. Welke aanmoediging kunnen bezoekende opzieners, in overeenstemming met Paulus’ raad aan Timótheüs, in deze tijd aan alle gemeentelijke opzieners geven?

11 Paulus vermaande de jonge opziener Timótheüs: „Word een voorbeeld voor de getrouwen . . . Ga er . . . mee voort u toe te leggen op het voorlezen, het vermanen, het onderwijzen . . . opdat uw vooruitgang aan allen openbaar moge zijn” (1 Tim. 4:12-15). Reizende opzieners in deze tijd geven tijdens hun bezoeken overeenkomstige raadgevingen. En evenals Paulus Timótheüs instructies gaf, moedigen zij alle gemeentelijke opzieners ertoe aan ’het woord te prediken, zich er als met een dringende zaak mee bezig te houden, in gunstige tijd, in moeilijke tijd, terecht te wijzen, te berispen, te vermanen, met alle lankmoedigheid en kunst van onderwijzen’, ’het werk van een evangelieprediker te doen’, en deze bediening volledig te volbrengen. — 2 Tim. 4:1-5.

12. Welke raad, die ook het vellen van een oordeel insloot, werd aan de Korinthische gemeente gegeven?

12 De apostelen aarzelden niet te laten weten hoe er moest worden opgetreden wanneer er een oordeel geveld moest worden. Toen Paulus op een situatie van kwaaddoen stuitte waartegen niet bestraffend was opgetreden, berichtte hij per brief wat hij gedaan zou hebben als hij persoonlijk aanwezig was geweest, terwijl hij degenen die in Korinthe verantwoordelijkheden droegen krachtig gelastte ’de goddeloze man uit hun midden te verwijderen’ (1 Kor. 5:3, 13). Hij wees er ook op dat persoonlijke geschillen onder de broeders behandeld moesten worden door mannen met een bekwaam oordeel (1 Kor. 6:1-6). Zulke raad hielp de verantwoordelijke broeders hun denkwijze recht te zetten.

EEN LIEFDEVOLLE VOORZIENING OM ONS TE STERKEN

13. (a) Waarom kunnen wij dankbaar zijn voor Jehovah’s voorziening van getrouwe opzieners, met inbegrip van degenen die de gemeenten geregeld bezoeken? (b) Welke ervaring bezitten vele reizende opzieners?

13 Doordat de geest van Jehovah heden ten dage op zijn volk inwerkt, zijn er hardwerkende, bekwame mannen, met vele jaren van ervaring, beschikbaar om de gemeenten te bezoeken. (Vergelijk Efeziërs 4:11, 12) Hoewel zij onvolmaakte mannen zijn, spreiden zij vele van de voortreffelijke hoedanigheden ten toon die Paulus, Silas, Barnabas, Timótheüs en anderen kenmerkten. Op het ogenblik hebben talloze reizende opzieners meer dan 30 jaren van ervaring in het volle-tijdwerk. Eén kringopziener die nog altijd actief is, nam 55 jaar geleden, op de leeftijd van 18 jaar, de volle-tijddienst op zich (Pred. 12:1). Hij dient sindsdien ononderbroken, terwijl hij de laatste 30 jaar heeft gebruikt om de gemeenten te bezoeken. Bijna al deze mannen hebben ook als opzieners in plaatselijke gemeenten en als pioniers dienst verricht. Anderen zijn jarenlang in het zendingsveld of op een bijkantoor van het Wachttorengenootschap werkzaam geweest. De aanwezigheid van zulke mannen in een gemeente is een zegen, aangezien allen kracht kunnen verwerven uit de geestelijke dingen die zij hebben te delen. Hun bezoeken kunnen ons in onze dienst en aanbidding helpen alsmede bij het aankweken van een christelijke persoonlijkheid.

14. Waaruit blijkt de bekwaamheid van deze oudere mannen, en wat trachten zij in anderen op te bouwen?

14 De vertegenwoordigers die naar de gemeenten worden gezonden, zijn zonder uitzondering mannen die de leiding nemen in de Koninkrijksprediking en het maken van discipelen. Zij begrijpen de betekenis van het woord en brengen voortreffelijke vruchten voort (Matth. 13:23). Vervuld als zij zijn met een gevoel van dringendheid, dat voortspruit uit een werkelijk begrip van wat Gods koninkrijk betekent, en in het besef van de ernst van deze laatste dagen, doen zij hun werk niet traag (Rom. 12:11) Met deze houding trachten zij in anderen dezelfde evangelisatiegeest op te bouwen die de vroege christelijke gemeente kenmerkte. — Hand. 5:42; 8:1-4.

15. (a) Hoe beschouwen reizende opzieners Jezus’ geboden in Matthéüs 24:14 en 28:19, 20? (b) Hoe geven zij, in overeenstemming met hetgeen er na Pinksteren in 33 G.T. gebeurde, in deze tijd hulp en aanmoediging?

15 Doordat de reizende opzieners zo’n hoge achting hebben voor Jezus’ gebod het „goede nieuws” te prediken en discipelen te maken, worden zij ertoe bewogen deze tweeledige opdracht als een heilig pand, een goddelijk vereiste, te beklemtonen (Matth. 24:14; 28:19, 20). Zij herinneren zich wat er na het pinksterfeest in het jaar 33 G.T. gebeurde, en ook daarna, na de bekering van Cornelius en zijn huisgezin, namelijk dat gelovigen snel in aantal toenamen en volledig werden onderricht, zodat zij overeenkomstig het „goede nieuws” konden leven en het op doeltreffende wijze aan anderen konden bekendmaken (Hand. 2:46, 47; 5:14; 6:7; 10:44-48; 20:20). Opdat de aantallen van nieuwe gelovigen zich ook nu zullen verdubbelen, nodigen reizende opzieners zoveel mogelijk personen uit met hen een aandeel aan het getuigeniswerk te hebben. Zij helpen degenen wie het aan ervaring ontbreekt. De ijver en voortreffelijke leiding van bezoekende ouderlingen dragen tot de uitbreiding van het getuigeniswerk bij. Zij zeggen, evenals Paulus: „Wee mij indien ik het goede nieuws niet zou bekendmaken!” — 1 Kor. 9:16.

16, 17. (a) Welke aanmoediging kunnen reizende opzieners geven ten einde de gemeente voor infiltratie van wereldsgezindheid te behoeden? (b) Op welke manieren kunnen zij de broeders helpen de haast onmerkbare invloed van het materialisme te bestrijden?

16 Bovendien is er veel werk te doen om degenen die met de gemeenten verbonden zijn, te helpen vorderingen te maken in het leiden van een christelijke levenswijze (2 Petr. 1:5-10). Sommigen die nog niet vrij zijn van wereldsgezindheid, zouden kunnen proberen praktijken in te voeren waardoor de hoge gedragsnormen die in Gods Woord zijn vastgelegd, zouden verslappen. Ten einde de gemeente voor infiltratie van wereldsgezindheid te behoeden, moeten reizende opzieners onderscheidingsvermogen tonen door bijna onmerkbare tendensen te signaleren. Zij zullen Gods volk ertoe moeten aanmoedigen zich stipt te houden aan schriftuurlijke beginselen met betrekking tot hun levensgewoonten, moraal en omgang met anderen, zowel in persoonlijke als in sociale aangelegenheden (1 Kor. 10:31-33; 1 Petr. 1:14-17; Hebr. 13:18). Zij zullen ouderlingen er misschien aan moeten herinneren op beslissende wijze op te treden om de morele, leerstellige en geestelijke reinheid in de gemeenten te handhaven.

17 In overeenstemming met de raad die Timótheüs ontving, worden reizende opzieners ertoe aangespoord christenen voor de binnendringende invloeden van het materialisme te waarschuwen (1 Tim. 6:9, 10, 17-19). Doordat zij ook zelf geestelijke dingen op de eerste plaats stellen, moedigen zij anderen door hun voorbeeld aan ’eerst Gods koninkrijk te zoeken’. — Matth. 6:33.

18. Waarom is het zo uiterst belangrijk geestelijke stabiliteit en rijpheid te verwerven, en hoe kan hiertoe aangemoedigd worden?

18 In een wereld waar de mensen door verwarrende winden en religieuze leerstellingen heen en weer worden geslingerd, moeten Jehovah’s dienstknechten stabiele, volwassen christenen zijn (Ef. 4:13, 14). Hun houding moet krachtig zijn, terwijl zij zich niet snel van hun stuk moeten laten brengen door een onafhankelijke denkwijze of emotionele spanningen (Kol. 1:23; 2:6, 7). Zeer terecht zullen reizende opzieners derhalve nadruk leggen op de noodzaak dat alle christenen voortdurend in een nauwkeurige kennis van God groeien (Fil. 1:9, 10; Kol. 1:9-11). Zij moedigen aan tot het maken van een persoonlijke, gezins- en gemeentelijke studie van Gods Woord, zodat christenen zich niet slechts met ’de melk van het woord’ zullen voeden maar met „vast voedsel”, opdat zij „het woord der rechtvaardigheid” volledig zullen begrijpen en „hun waarnemingsvermogen [oefenen] om zowel goed als kwaad te onderscheiden” (Hebr. 5:12-14). Wanneer reizende opzieners de geestelijke toestand van een gemeente beschouwen, zullen zij over zulke punten schriftuurlijke raad geven.

19. Hoe helpen reizende opzieners verschillenden overeenkomstig hun persoonlijke behoefte? (Jak. 5:19, 20)

19 Deze oudere mannen kunnen zieken, bejaarden en anderen bezoeken wanneer de gelegenheid hiertoe zich voordoet. (Spr. 16:31; Matth. 18:12-14; vergelijk dit met Ezechiël 34:4.) Wanneer zij worden benaderd door personen die in verband met persoonlijke kwesties met elkaar van mening verschillen, kunnen zij hen op een liefdevolle maar krachtige wijze aan de hand van de Schrift vermanen, ten einde de vrede te herstellen (1 Thess. 5:14, 15). Het kan zijn dat zij degenen die twijfelen met betrekking tot christelijk gedrag of die wegens andere redenen ’uit het vuur gerukt’ moeten worden, op vaak ongemerkte manieren weten op te bouwen. — Jud. 22, 23.

20. Hoe hebben reizende opzieners en hun vrouwen zichzelf weggecijferd?

20 Evenals in de eerste eeuw verrichten deze opzieners en hun vrouwen onder allerlei omstandigheden dienst. In vele delen der aarde trekken zij elke week van plaats tot plaats. Om geïsoleerde streken of oerwoudgebied te bereiken, reizen sommigen te paard of per kano, of lopen lange afstanden over bergpaden of -passen. Ten behoeve van de gemeenten doorstaan zij grote ongemakken. Velen hebben toewijzingen aanvaard ver van hun familieleden en intieme vrienden vandaan. Maar ongeacht hun situatie sloven zij zich bereidwillig uit, gaarne bereid zich ter wille van het „goede nieuws” aan te passen. — 1 Kor. 9:23.

21. (a) Welke waardering dient ons overzicht van de bediening van deze oudere mannen bij ons op te bouwen? (b) Welke vraag doet dit derhalve bij ons opkomen?

21 Nu wij de vele manieren hebben beschouwd waarop bezoeken van getrouwe oudere mannen de gemeenten hebben gesterkt, zowel in de apostolische tijd als thans, kan het niet anders of dit vervult ons met waardering voor hun krachtsinspanningen. Zulke zichzelf wegcijferende oudere mannen behoren beslist tot degenen over wie de apostel Paulus schreef: „Nu verzoeken wij u, broeders, achting te hebben voor hen die onder u hard werken en de leiding over u hebben in de Heer en u vermanen, en hun om hun werk meer dan buitengewone achting in liefde te betonen” (1 Thess. 5:12, 13). Hoe kunnen wij, ook al bezitten wij deze achting voor de reizende opzieners, persoonlijk meer voordeel trekken van hun bezoeken in de komende tijd? Laten wij eens zien.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen