Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w79 1/9 blz. 7-12
  • Beslissingen die tot een gelukkig leven hebben bijgedragen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Beslissingen die tot een gelukkig leven hebben bijgedragen
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • BEVREDIGENDE ANTWOORDEN
  • BESLISSINGEN DIE MIJN LEVEN VERANDERDEN
  • SPECIALE TOEWIJZINGEN EN GILEAD
  • HET LEVEN OP MADAGASCAR
  • IN ANDERE LANDEN DIENST VERRICHTEN
  • EEN WERELDOMVATTENDE VRIENDENKRING
  • Jaarboek van Jehovah’s getuigen 1974
    Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 1974
  • Deel 4 — Getuigen tot de verst verwijderde streek der aarde
    Jehovah’s Getuigen — Verkondigers van Gods koninkrijk
  • De aanval op Jehovah’s Getuigen
    Ontwaakt! 1977
  • „Bij God zijn alle dingen mogelijk”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1999
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
w79 1/9 blz. 7-12

Beslissingen die tot een gelukkig leven hebben bijgedragen

Zoals verteld door Margarita Königer

MIJN vader kreeg in 1939, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, een oproep voor het Duitse leger. Gedurende zes lange jaren zag ik hem nauwelijks. In die tussentijd had ik heel wat om over na te denken.

Waarom, zo vroeg ik mij af, gaf de radio het doden als een zegepraal weer, terwijl vroeger een ongeluk met dodelijke afloop een trieste gebeurtenis was? Gebombardeerde en brandende huizen werden een normaal beeld. Mijn eigen broer vond in de oorlog de dood.

Ik woonde katholieke kerkdiensten bij in onze woonplaats München. Daar werd na iedere mis een gebed opgezonden voor de strijdende mannen en voor „Führer” Adolf Hitler. Ik herinner mij dat mijn moeder mij op een keer naar school stuurde met een brief aan de plaatselijke pastoor, waarin zij verzocht dat er geen gebeden meer ten behoeve van de oorlog zouden worden opgezonden. Zij kon niet begrijpen hoe God daar behagen in zou scheppen.

Toen de oorlog in 1945 eindigde, keerde mijn vader terug uit een gevangenkamp. Geleidelijk werden de ontberingen minder naarmate er meer voedsel beschikbaar kwam, en München begon aan de opbouw. Nu raakte ik, als tiener, diep verwikkeld in sport, toneel, opera en andere maatschappelijke bezigheden.

Bij het verlaten van de middelbare school ontving ik, als onderdeel van een uitwisselingsprogramma van studenten, een beurs om een hogere-onderwijsinstelling in de Verenigde Staten te bezoeken. Iedereen was daar vriendelijk tegen mij, en ik zag in dat mensen, waar ze zich ook bevinden, in feite allemaal naar vrede verlangen. Waarom, zo vroeg ik me af, scheen er dan een kracht te bestaan die mensen ertoe aanzette elkaar te wantrouwen en te haten?

Weer thuisgekomen begon ik scheikunde te studeren aan de Technische Hogeschool in München. Ik raakte betrokken bij het bestuur over de studenten, maar de methodes die werden voorgesteld, stelden mij teleur. Hoe kon er ooit ware vrede komen als mensen hun persoonlijke verlangens op de eerste plaats stelden? Ik begon me af te vragen of de bijbel antwoorden kon verschaffen. Is de bijbel werkelijk het Woord van God? Ik ging naar een grote bibliotheek in München om wat speurwerk te verrichten.

BEVREDIGENDE ANTWOORDEN

Er bestond veel tegenstrijdige kritiek op de bijbel. Ik wilde achter de waarheid komen. Omstreeks deze tijd kwamen twee Getuigen van Jehovah bij ons aan de deur. Wij ontvingen van hen het boek Wat heeft de religie voor de mensheid gedaan? Mam en ik lazen om beurten in dit fascinerende boek, dat de geschiedenis van de religie bespreekt en haar invloed op de mensheid. Eindelijk had ik het gevoel dat ik bezig was de antwoorden te vinden waarnaar ik had gezocht.

Neem bijvoorbeeld de vraag: Wat schijnt mensen ertoe aan te zetten elkaar te wantrouwen en te haten? Er werd mij uit de bijbel aangetoond dat hier goddeloze geestenkrachten bij betrokken zijn — Satan de Duivel en zijn demonen. De bijbel noemt hen „wereldheersers” en zegt in feite dat Satan „de gehele bewoonde aarde misleidt” (Ef. 6:12; Openb. 12:9). Wat was dit een redelijk en bevredigend antwoord, te oordelen naar de goddeloze, duivelse daden van natiën en volken.

Het gaf me grote vreugde meer te weten te komen over Gods voorziening om de problemen van de aarde op te lossen. Neen, dat zal niet tot stand gebracht worden door de een of andere menselijke ideologie of bestuursvorm, zoals door wereldlijke theoretici voorgesteld wordt. De bijbel toont veeleer aan dat een nieuw hemels bestuur de leiding zal nemen in de aangelegenheden van de aarde. Dit zal het huidige, goddeloze bestuur over de wereld verwijderen. Jezus Christus leerde zijn volgelingen bidden: „Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op aarde” (Matth. 6:10). Ik begon in te zien dat dit koninkrijk een werkelijke regering is en dat alleen door middel daarvan ware, wereldomvattende vrede bereikt zal worden.

BESLISSINGEN DIE MIJN LEVEN VERANDERDEN

Naarmate ik meer over deze voornemens van God te weten kwam, begon ik anderen erover te vertellen. Mettertijd besloot ik dat ik Jezus en de vroege christenen wilde navolgen en God met mijn gehele ziel wilde dienen. Maar er was iemand met wie ik dit nieuwe levensdoel wilde delen.

Dat was een medestudent die in hetzelfde laboratorium werkte. We waren van plan spoedig te trouwen. Maar hij bleek erg ongelukkig te zijn met mijn beslissing om God te dienen. Het deed me veel pijn te bemerken dat er op dit essentiële punt verschil van opvatting tussen ons bestond. Uiteindelijk leidden de spanningen tot een ultimatum: Ik moest kiezen voor hem of voor mijn pasgevonden geloof. Kort daarna werd ik gedoopt als symbool van het feit dat ik mij had opgedragen om Jehovah God te dienen. Ik had mijn besluit genomen.

Al gauw zou het internationale „Goddelijke wil”-congres van Jehovah’s Getuigen in New York gehouden worden. Ik besloot erheen te gaan. Ik kreeg een baan op een passagiersschip, en arriveerde in juni 1958, ongeveer een maand voordat het congres begon. Die zomer nam ik mij vast voor met de volle-tijdprediking te beginnen. Ik begon er na mijn terugkeer in München onmiddellijk mee; terwijl ik ’s morgens werkte op het kantoor van een advocaat, besteedde ik de middagen en avonden aan het bezoeken van mensen met het goede nieuws van het Koninkrijk.

SPECIALE TOEWIJZINGEN EN GILEAD

In 1959 werd ik uitgenodigd om daar te gaan dienen waar een speciale behoefte aan Koninkrijkspredikers bestond. Mijn partner Gerda en ik werden naar de kleine dorpjes in het Steiger-Woud in Frankenland (midden-Duitsland) gezonden. Daar begonnen wij — heuvel op, heuvel af — Gods Woord te verkondigen, eerst te voet, toen op de fiets en later op kleine motorfietsen. In deze streek waren de meeste mensen toegewijde katholieken. Verschillende malen werden wij met stenen bekogeld, terwijl de kerkklokken werden geluid als teken van alarm wanneer wij, twee meisjes, de bijbel kwamen prediken. Maar toch namen enkele zachtmoedige mensen de waarheid uit Gods Woord aan.

Gerda en ik waren erg verheugd en wij voelden ons net als de eerste-eeuwse christenen die naar de „schapen” van de Heer zochten. Na drie jaar werden wij ieder aan een andere plaats toegewezen. Toch beschouwt mijn moeder Gerda nog steeds als haar dochter, en ik bezie haar als een zuster van mij.

Mijn nieuwe metgezellin, Gisela, en ik zijn nu bijna 17 jaar samen geweest. In de herfst van 1962 ontvingen wij een toewijzing in Parijs, in Frankrijk. In die tijd waren er minder dan 20.000 Getuigen van Jehovah in het land, terwijl het er nu ongeveer 67.000 zijn. Het was opwindend om geïnteresseerde mensen te vinden en hen uit Gods Woord te onderwijzen. Ik was iedere dag gelukkig met mijn besluit de volle-tijdprediking op me te nemen.

In 1965 ontvingen Gisela en ik een uitnodiging voor de Wachttoren-Bijbelschool Gilead ten einde een opleiding voor zendeling te ontvangen. Deze school bevindt zich op het internationale hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in New York (VS), waar toentertijd een familie van meer dan 1000 personen woonde en werkte. Nu telt de familie bijna 2000 personen. Voor mij was ons verblijf van zes maanden net een voortdurend internationaal congres, met bijbels onderricht en harmonieuze samenwerking. Toen onze 41ste klas afstudeerde, dachten wij met tranen in de ogen aan het vooruitzicht onze vrienden daar te moeten achterlaten.

Onze nieuwe toewijzing was Madagascar, het grote eiland in de Indische Oceaan voor de kust van Afrika. Hoe zouden de mensen daar zijn? Zouden wij in staat zijn hun hart te bereiken met de bijbelse waarheid en hen tot vrienden te maken?

HET LEVEN OP MADAGASCAR

Toen ons vliegtuig begon te dalen boven de hoofdstad Tananarivo, namen wij gretig de aanblik in ons op van de eindeloze heuvels en valleien, overdekt met terrasvormig aangelegde rijstvelden. Bij het vliegveld stonden ongeveer 20 vrienden om ons te verwelkomen. Wij voelden ons thuis. Toen wij die avond terugkwamen van een christelijke vergadering leken de heldere sterren anders. En de sterrenlucht was ook anders! Want wij bevonden ons nu op het zuidelijk halfrond. Wij ontdekten echter dat onze christelijke broeders en zusters hier net zo liefdevol en vriendelijk waren als in ieder ander land.

Voordat wij naar het zuiden gingen om in de plattelandsstad Fianarantsoa te dienen, kregen wij een vier weken durende taalcursus van 11 uur per dag in het Malagasi. De grondslagen ervan verschillen zozeer van iedere Europese taal, dat wij ons afvroegen of de mensen ooit zouden kunnen begrijpen wat wij zeiden. Wij hadden ons echter geen geduldiger en beleefder gehoor kunnen wensen. Een bezoek aan de huizen van de mensen om de bijbel uit te leggen wordt met grote waardering en gastvrijheid beloond. Dikwijls komen verscheidene leden van het gezin bij elkaar en luisteren aandachtig.

Geleidelijk maakten wij ons ook hun gewoonten eigen. Van een vreemdeling wordt bijvoorbeeld verwacht dat hij vlak bij de ingang gaat zitten, tenzij hem gevraagd wordt verder in het huis te komen. In de vriendelijke en vredige sfeer die er heerste, begonnen wij bijna onbewust de gewoonte te imiteren om een buiging te maken en de rechterhand uit te steken met de linkerhand onder de rechterpols. Wanneer je nog niet wist hoe je moest handelen, begreep iedereen dat je het nog moest leren, en met een vriendelijke glimlach kwam je een heel eind.

Wij bemerkten dat de mensen behoorlijk ontwikkeld waren. Zelfs oude grootmoeders in de dorpen buiten vonden het fijn om de bijbel en bijbelse lectuur te lezen. Zij dreven graag handel om aan boeken te komen. Kinderen kwamen achter ons aan rennen om rijst te ruilen voor de Wachttoren en Ontwaakt!

Veel mensen in Fianarantsoa vertelden ons dat zij Noren waren, hetgeen in het begin een volkomen verrassing voor ons was. Het betekende echter dat zij tot de Noorse Lutherse Kerk behoorden. Anderen waren katholiek. Maar allemaal beoefenden zij nog steeds de voornaamste religie van Madagascar, voorouderverering. Vlak bij heel wat huizen bevinden zich onderaardse grafkamers, waaroverheen een klein huisje is gebouwd. Toen wij nog niet in staat waren dit te onderscheiden, klopten wij tijdens de prediking van deur tot deur soms wel eens bij een graf aan. Een religieuze gewoonte was bijvoorbeeld om de beenderen iedere paar jaar uit het graf te halen en ze in een speciaal daarvoor vervaardigd nieuw kleed te wikkelen, terwijl deze handeling vergezeld ging van een groot feest.

De religieuze leiders werden kwaad omdat wij de mensen hielpen het verschil in te zien tussen de leringen van Jezus Christus en hun eigen filosofieën en praktijken. Op een dag, het was als een bliksemslag bij heldere hemel, werden wij in Tananarivo ontboden om te horen dat wij zendelingen het land onmiddellijk moesten verlaten. De gedachte afscheid te moeten nemen van onze geliefde broeders en zusters en degenen met wie wij een bijbelstudie leidden, viel ons zwaar.

Onze ogen vulden zich met tranen toen wij voor de laatste keer door het bergachtige landschap reden. Eucalyptusbomen, mimosa- en bamboe-struiken, rijstvelden en huizen van rode klei schilderden een onuitwisbaar beeld in onze geest. Na meer dan vier jaar was dit eiland ons thuis geworden. Terwijl wij onze Malagasi-vrienden vaarwel wuifden en nog eenmaal de vlammende zonsondergang van het eiland bewonderden, vertrokken wij met ons vliegtuig.

IN ANDERE LANDEN DIENST VERRICHTEN

Wij landden midden in de nacht in Nairobi, Kenia, in Oost-Afrika. Nu kregen wij een vier weken durende taalcursus in het Swahili, waarna wij langs de goed berijdbare autoweg naar onze nieuwe toewijzing reden: Nakuru. Dit is een klein agrarisch stadje met huizen in „Western-style”, genesteld tegen de hellingen van de uitgedoofde Menengai-krater. Het is niet ver van het Nakuru meer met zijn talloze roze flamingo’s. Hier troffen wij een fijne gemeente van broeders en zusters aan.

Een zeer grote onderneming was het bouwen van een prachtige Koninkrijkszaal voor onze vergaderingen. De mensen uit de stad waren verbaasd om mannen, vrouwen en kinderen uit alle stammen en van verschillende rassen te zien samenwerken — met stenen dragen, cement mengen, hout hakken, timmeren en verven. Nog maar een paar jaar daarvoor, in de tijd van de Mau-Mau-beweging, hadden mensen van deze stammen elkaar gedood. Het verschafte ons vele gelegenheden om uit te leggen hoe deze vredige eenheid tot stand was gekomen.

Zoals te verwachten viel, was niet iedereen blij met het goede nieuws van Gods koninkrijk dat wij predikten. Sommige mensen, klaarblijkelijk religieuze leiders, stelden ons werk bij de Keniase regering in een verkeerd daglicht. Op zekere dag werd ons aangezegd dat ons werk in Kenia verboden zou worden en dat wij zendelingen het land moesten verlaten. Grote groepen broeders en zusters kwamen naar het vliegveld van Nairobi om ons uit te zwaaien en ons te verzekeren van hun liefde en hun krachtige geloof in Jehovah. Gelukkig heeft de regering van Kenia zich sindsdien gerealiseerd dat Jehovah’s Getuigen de wetten van het land werkelijk gehoorzaam zijn, en is het verbod opgeheven.

De volgende toewijzing voor Gisela en mij was Dahomey (nu Benin geheten) in West-Afrika. De wuivende kokospalmen langs uitgestrekte witte zandstranden en de blauwe oceaan, te zamen met de kleurrijke traditionele klederdracht van de plaatselijke bevolking, vormden een plezierige eerste indruk. Maar wat op ons de meeste indruk maakte, was de gelukkige groep vrienden die ons begroette op het vliegveld van de hoofdstad Cotonou.

Wij werden uitgenodigd om naar Parakou te gaan, een klein stadje dat een dagreis met de trein noordwaarts lag. De treinbestuurder, een van Jehovah’s Getuigen, ontfermde zich over ons, en liet ons zelfs een klein stukje voorin met hem meerijden. Kort nadat de avond was gevallen, bereikten wij onze bestemming, waarbij fluit en hoorn onze aankomst aankondigden als de gebeurtenis van de dag. Hoe zouden wij onze broeders kunnen herkennen op het overvolle station? Maar ja hoor, daar verschenen al lachende gezichten die wij nooit eerder hadden gezien, voor het raam van onze coupé. Zij hadden ons in de gaten gekregen!

De kleine gemeente in Parakou bestond uit leden die tot verschillende stammen behoorden en verschillende talen spraken. De vergaderingen werden in het Frans gehouden. Gedurende de tijd dat wij daar waren, werd er een mooie Koninkrijkszaal gebouwd. Veel mensen met wie wij de bijbel bestudeerden, hielpen met het werk. Onder hen was een vrouw van de Peulh, een nomadenstam in de inlandse streken van West-Afrika. Korte tijd later werd zij een verkondigster van het „goede nieuws” en predikte in de vele talen die ze kende.

De anti-religieuze ideologie van Marx en Lenin begon vaste voet onder de bevolking te krijgen. Meer en meer werden de mensen, vooral schoolkinderen, gedwongen leuzen te herhalen als: ’Glorie aan het volk, alle macht aan het volk.’ Nadat wij meer dan een jaar in Parakou hadden gediend, stonden de autoriteiten erop dat wij de predikingsactiviteit van huis tot huis staakten. Er vonden enkele arrestaties van de broeders plaats, en een paar maanden later werden wij overgeplaatst naar Cotonou, de plaatselijke Getuigen achterlatend met de taak de prediking minder opvallend voort te zetten.

Naarmate de beperkingen van regeringswege toenamen, legden de broeders herhaaldelijk de nadruk op punten in De Wachttoren die over vervolging handelden, om zich voor te bereiden. Van tijd tot tijd werden sommigen zwaar mishandeld wanneer ze weigerden de revolutionaire leuzen te roepen.

Toen Gisela en ik op een dag uit de stad terugkeerden, troffen wij het gebouw van het bijkantoor omsingeld door gewapende leden van het revolutionaire comité. Men stond ons toe het huis binnen te gaan, waar wij met de anderen vastgehouden werden. De volgende dag onderzochten mannen in uniform met machinegeweren zorgvuldig ons huis en onze bagage. Twee van hen wantrouwden de namen Elia en Elisa die zij in een van mijn notitieboeken vonden. Uiteindelijk konden wij hen aan het verstand brengen dat dit profeten van God waren die 2500 jaar geleden hadden geleefd!

Wij werden naar het hoofdkwartier van de Nationale Veiligheidsdienst gebracht, waar ons verteld werd dat wij de volgende dag uit het land gezet zouden worden. „Wij vertrouwen jullie, omdat jullie christenen zijn”, zei een beambte, „dus jullie kunnen vannacht in jullie huis blijven.” De volgende dag keken wij toe hoe de meeste zendelingen naar Nigeria werden overgebracht. Die avond vergezelde een politieman ons naar de grens met Togo. Nadat hij ons had verlaten, bracht de chauffeur ons helemaal naar het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen in Lomé.

Wat was het verkwikkend om bij de broeders in Togo te zijn! En wat waren wij verheugd om weer met de Koninkrijksboodschap van huis tot huis te kunnen gaan! Na vol vreugde verscheidene weken in Togo doorgebracht te hebben, was het tijd om naar onze nieuwe toewijzing te vertrekken.

In mei 1976 werden wij naar Opper-Volta gebracht. De twee dagen durende rit leidde ons door een prachtig land, en eindigde met goede afloop in het zendelingenhuis te Ouagadougou. Wij waren spoedig gereed met een taalcursus in het Moore, en begonnen in deze plaatselijke taal en in het Frans tot de mensen in het gebied te prediken. Ik ben erg blij hier te zijn en mede zorg te kunnen dragen voor de talrijke personen die in de bijbelse waarheid geïnteresseerd zijn.

EEN WERELDOMVATTENDE VRIENDENKRING

Ik heb nooit spijt gehad van de beslissing mijn leven in Jehovah’s dienst te stellen. Met mijn graad in de scheikunde had ik een in materieel opzicht lonende carrière kunnen nastreven, maar ik beschouw dit als niets in vergelijking met het voorrecht mensen in Duitsland, Frankrijk, Madagascar, Kenia, Benin en nu hier in Opper-Volta de waarheid omtrent Gods grootse voornemens te hebben kunnen onderwijzen. Ik zou me geen bevredigender, lonender leven kunnen voorstellen, gevuld met zoveel opwinding en nieuwe ervaringen.

Onlangs bezocht ik mijn lieve moeder in München, die nu bijna 80 is, maar met een sterk geloof toch nog steeds doorgaat anderen te helpen Gods waarheid te leren kennen. Zij is blij dat ik in de zendingsdienst ben. De reis daarheen en weer terug naar Opper-Volta, deed Gisela en mij bedenken hoe gezegend wij zijn.

Op het vliegveld in Parijs werden wij opgewacht door vrienden met wie wij jaren daarvoor gediend hadden. Aan onze vreugdevolle uitwisseling van herinneringen en nieuws kwam rond middernacht slechts wegens de behoefte aan rust een noodgedwongen einde. En tijdens een korte landing in Niamey, in de Republiek Niger, kwamen verschillende Afrikaanse vrienden, die wij in Benin hadden leren kennen, ons op het vliegveld opzoeken. Onze levendige begroetingen en conversatie brachten een functionaris van het vliegveld ertoe te informeren wat voor soort van groep wij waren, met blanken en zwarten die zo vrijelijk met elkaar omgingen.

Uiteindelijk kwam ons vliegtuig tot stilstand bij het gebouw van het vliegveld van Ouagadougou. De lachende gezichten van onze vrienden die vanaf het platform stonden te wuiven, weerspiegelden ons eigen gevoel van vreugde om weer met deze broeders en zusters hier verenigd te zijn. Waarlijk, het geeft een diepe, voldoeningschenkende vreugde deel uit te maken van een wereldomvattende familie van ware broeders en zusters. Moge u eveneens in uw leven die beslissingen nemen die u zulke hartverwarmende zegeningen zullen brengen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen