Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w79 1/4 blz. 9-11
  • Een hoop die mij steun heeft gegeven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een hoop die mij steun heeft gegeven
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • EEN HOOP DIE STEUN GAF
  • VORDERINGEN OP JEUGDIGE LEEFTIJD
  • GROEI NAAR VOLWASSENHEID
  • EEN KEUZE DOEN
  • Ik vond vrede met God en met mijn moeder
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2015
  • Van bitterheid tot liefde voor God
    Ontwaakt! 1983
  • Wij ontvingen een doel in het leven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1977
  • Een uitzonderlijke christelijke erfenis
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
w79 1/4 blz. 9-11

Een hoop die mij steun heeft gegeven

IK BEN in oktober 1950 geboren, en was een van de honderden kinderen die jaarlijks met een afwijking ter wereld komen. Aan mijn rechterbeen ontbrak het scheenbeen. Het scheenbeen is het voornaamste bot tussen de enkel en de knie. Zonder dit bot kan iemand onmogelijk staan of lopen.

Mijn vader diende in die tijd in het leger en genoot bepaalde voorrechten op medisch gebied. Vanzelfsprekend waren moeder en hij erg opgewonden bij het vooruitzicht dat ik als gevolg van een revolutionaire operatie misschien normaal zou kunnen lopen. De operatie werd in 1953 uitgevoerd in het „Walter Reed”-legerhospitaal in Washington, D.C. Ze bestond in de transplantatie van het bot van een dier om het ontbrekende scheenbeen te vervangen.

Natuurlijk bevonden transplantaties zich in het begin van de jaren vijftig nog in een experimenteel stadium. Er was nog maar weinig bekend over het feit dat het lichaam vreemde materie afstoot. Als gevolg daarvan was de operatie een mislukking. Mijn lichaam stootte het transplantaat af en mijn rechterbeen begon af te sterven. Omdat mijn leven in gevaar was, moest het been geamputeerd worden. Ik was nog maar drie jaar, dus op jeugdige leeftijd zag de toekomst er al somber uit.

EEN HOOP DIE STEUN GAF

Ons gezinnetje slaagde erin bij elkaar te blijven. Toen kreeg vader, korte tijd na mijn operatie, interesse voor een bijbelstudie met Jehovah’s Getuigen. Aanvankelijk bood moeder hevige tegenstand, zozeer zelfs dat ze dreigde mijn vader te verlaten. Maar nadat een van Jehovah’s Getuigen haar in de bijbel had laten zien dat er geen brandende hel bestaat, kreeg ze onmiddellijk interesse voor een bijbelstudie. Zij maakte snel vorderingen in bijbelkennis en na korte tijd symboliseerde zij door de waterdoop haar opdracht om God te dienen. Al spoedig begon ze het „goede nieuws” actief met anderen te delen. Mijn vader was echter nog steeds besluiteloos, maar toen hij moeders fijne vorderingen opmerkte, droeg ook hij zijn leven aan Jehovah op om Hem te dienen, en werd gedoopt.

Iemand die gehandicapt is, kan in de strik van zelfbeklag vallen. Gelukkig waren mijn ouders zich hier terdege van bewust, en door middel van schriftuurlijk onderwijs waren zij in staat een nieuwe hoop in mij op te bouwen. Die hoop hield voor mij in dat ik in Gods nieuwe ordening weer zou kunnen lopen en rennen en een volmaakte gezondheid zou genieten. O, wat een heerlijk vooruitzicht!

De hele dag waren mijn gedachten van niets anders vervuld dan van Gods nieuwe ordening. Ik droomde er gewoon van. Deze hoop is niet een of ander sprookje dat mijn ouders, of anderen, verzonnen hadden in een poging mij op te monteren. Nee, deze hoop is stevig gefundeerd op de beloften van God die in de bijbel staan opgetekend. „Er zijn nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, die wij overeenkomstig [Gods] belofte verwachten, en daarin zal rechtvaardigheid wonen”, schreef de apostel Petrus. — 2 Petr. 3:13.

Reeds op jeugdige leeftijd verwierf ik een sterk geloof in zulke beloften van God. „God zelf zal bij hen zijn”, schreef de geïnspireerde apostel Johannes. „En hij zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan” (Openb. 21:3, 4). Maar mijn meest geliefde schriftplaats werd Jesaja 35:6, waar staat: „In die tijd zal de kreupele klimmen net als een hert.” ’s Nachts droomde ik dat ik moeiteloos kilometers achter elkaar door weilanden en door velden vol madeliefjes rende.

VORDERINGEN OP JEUGDIGE LEEFTIJD

Op vijfjarige leeftijd begon ik, met behulp van een pas ontwikkeld kunstbeen dat een „laars” genoemd werd, het goede nieuws van Gods koninkrijk te prediken. Ik was er erg trots op dat ik de mensen de tijdschriften en andere bijbelse lectuur kon aanbieden. Tegen de tijd dat ik zes jaar was, kon ik een volledig bijbels toespraakje aan de deur houden, waarbij ik een aantal schriftplaatsen gebruikte die een bijbels thema ondersteunden. Het jaar daarop hield ik als deelnemer aan de Theocratische School mijn eerste toespraakje vanaf het podium.

Mijn moeder pionierde en mijn vader was opziener van de Theocratische School in onze gemeente in Washington, D.C. Toen kregen wij een uitnodiging om te dienen waar de behoefte aan Koninkrijksverkondigers sterker werd gevoeld, en wel in het gebied van Gaithersburg, in Maryland (V.S.). Vader en moeder namen de toewijzing verheugd aan en kort daarna verhuisden wij naar onze nieuwe woonplaats.

De gemeente in Gaithersburg was erg klein. In feite vergaderden wij in het huis van een van Jehovah’s Getuigen. Er waren heel weinig zwarte vrienden met de gemeente verbonden. Het was daarom een voorrecht eraan te kunnen meewerken dat mensen van alle rassen Gods Woord konden leren kennen. Met Jehovah’s zegen groeide de gemeente voorspoedig. Met goedkeuring van mijn vader symboliseerde ik in 1961 mijn opdracht aan Jehovah door de waterdoop.

In die tijd vonden er veel maatschappelijke veranderingen in het land plaats. De strijd voor burgerrechten was in volle gang. Protestmarsen, protestzittingen en relletjes waren aan de orde van de dag. „Black power” en „burn, baby, burn” schenen de leuzen van de dag te zijn. Het was moeilijk om niet meegesleurd te worden in de maalstroom der gebeurtenissen. Maar vader en moeder bleven dicht bij Jehovah’s Woord en vergewisten zich ervan dat wij kinderen de juiste kijk op het veranderende wereldtoneel bezaten. Natuurlijk, we waren blij dat we nu in bepaalde restaurants konden eten en voor in de bus mochten zitten, maar Gods nieuwe ordening vormde nog steeds onze enige hoop op blijvende vrede en vrijheid.

GROEI NAAR VOLWASSENHEID

Toen ik op de middelbare school kwam, werd ik me meer bewust van mijn uiterlijke verschijning en mijn handicap. Dit was soms erg ontmoedigend, omdat ik graag populair wilde zijn en door de anderen geaccepteerd wilde worden. Maar ik werd geholpen te beseffen dat Jehovah kracht geeft en dat populariteit in de wereld geen vereiste is om eeuwig leven te verwerven.

Ik had me verzoend met het feit dat er altijd bepaalde dingen zouden zijn waartoe ik niet in staat was. Het belangrijkste was dat ik mijn best deed op de dingen die ik wel kon. En wat voor waarde hadden vrienden uiteindelijk als ze me niet namen zoals ik was en zoals ik er nu eenmaal uitzag? Werkelijke vriendschap heb ik uiteindelijk alleen onder Jehovah’s volk gevonden. Deze vrienden leerden me honkballen, voetballen en zwemmen. Ik blonk uit in zwemmen, en mijn familie en ik waren zeer verrast dat ik tot de 17 leerlingen van mijn school behoorde die een speciale atletiekprijs kregen.

Natuurlijk „[is] lichamelijke oefening . . . [slechts] nuttig voor weinig” (1 Tim. 4:8). Ik wilde nog zoveel meer met mijn lichaam doen en de pioniersdienst scheen het logische antwoord hierop te zijn. Dus van die tijd af begon ik iedere zomer te pionieren en stelde me de volle-tijdprediking ten doel, met inbegrip van Betheldienst op het hoofdbureau van Jehovah’s Getuigen in New York.

EEN KEUZE DOEN

Voor ik het wist, brak de graduatietijd aan. Als een onderscheiden leerling, en als gehandicapte, kreeg ik de gelegenheid om van het ministerie van Beroepsonderwijs voor Gehandicapten een beurs aan te nemen voor een hogere-onderwijsinstelling. Wat was het verleidelijk om die beurs aan te nemen! Er werd steeds meer druk op me uitgeoefend om de beurs te accepteren.

Na er met mijn vader over gesproken te hebben, keek ik terug op de opleiding die ik had ontvangen. Hoe meer ik erover dacht, hoe duidelijker het me werd dat ik voor een speciaal werk opgeleid scheen te zijn. Dat werk omvatte het redden van levens, zoals de apostel Paulus aan de jongeman Timótheüs schreef: „Schenk voortdurend aandacht aan uzelf en aan uw onderwijs. Blijf bij deze dingen, want door dit te doen zult gij zowel uzelf redden als hen die naar u luisteren” (1 Tim. 4:16). Dus gaf ik me er voor op om al mijn tijd aan dat levenreddende werk te besteden door me als pionier te laten inschrijven. Dat was een beslissing waar ik nooit spijt van heb gekregen.

Om een pionier te kunnen blijven, heb ik talloze soorten part-time-werk moeten doen. Bij verscheidene gelegenheden was ik schilder, bordenwasser, buffetknecht, kok, portier, landbouwer, opperman en kantoorbediende. Ondanks dat ik maar over één been beschik, heb ik zelfs geholpen sloten te graven, iets waar mijn familie nu nog om lacht.

Toen ik in Annapolis, Maryland (V.S.) dienst verrichtte, maakte ik veel opwindende ervaringen mee. Een ervaring betrof een man die diep verwikkeld was in de „holiness religion” (een strenge protestantse beweging in de V.S.). Hij geloofde vast in het hellevuur. Na een studie van Gods Woord namen hij en zijn gehele gezin de waarheid uit Gods Woord aan, en nu is hij een ouderling in de gemeente Annapolis-Zuid. Zulke ervaringen zijn niet ongewoon voor pioniers, en ik moedig alle jonge mensen die dit schitterende dienstvoorrecht kunnen aangrijpen, er van harte toe aan.

Er zijn sindsdien verscheidene jaren voorbijgegaan en ik heb nu zelf een gezin. Jehovah heeft me, door mij in zijn dienst te gebruiken, rijkelijk gezegend. Ik dien nu als ouderling in het gebied van Washington, D.C.

Nu ik wat ouder geworden ben, is het moeilijker geworden om trappen te lopen, lange afstanden af te leggen en lang achtereen te staan. Ik begin iedere dag met een gebed tot Jehovah om kracht en leiding, en op de een of andere manier heb ik altijd genoeg kracht om dat laatste nabezoek nog te brengen, dat laatste uur velddienst nog te verrichten of die volgende vergadering nog te bezoeken.

Wat is het een zegen geweest om zulke geweldige ouders te hebben en de leiding van de ene ware God in mijn leven te ondervinden! Gedurende meer dan 20 jaar van actieve dienst heb ik me altijd op die leiding en sterkte waarin Jehovah voorziet, verlaten.

Die droom om in Gods nieuwe ordening moeiteloos kilometers te kunnen rennen, leeft nog steeds bij mij en gaat met een brandend verlangen gepaard. Hij is in de loop der tijd beslist niet vervaagd. — Ingezonden.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen