Inzicht in het nieuws
Sacharine en tabak
● Toen de Amerikaanse regering ten aanzien van de zoetstof sacharine verbodsbepalingen vaststelde, heeft dit heftige kritiek opgeroepen. Natuurlijk is het prijzenswaardig dat regeringen zich bekommeren om de gezondheid van hun burgers, los van de vraag of iedereen het nu eens is met wat er wel of niet gedaan wordt. Velen vragen zich echter af hoe diep deze bezorgdheid gaat, wanneer niet dezelfde tegenstand wordt getoond tegen een stof waarvan reeds bewezen is dat het oneindig veel dodelijker is dan sacharine — namelijk tabak.
Tussen de helft en een derde van alle sigarettenrokers zullen als gevolg van hun gewoonte voortijdig sterven, aldus een onderzoek van 34.000 Engelse doktoren, dat twintig jaar in beslag heeft genomen en dat in de British Medical Journal werd gepubliceerd. En het tijdschrift Natural History merkte op dat „ondanks de publiciteit die de samenhang tussen sigaretten en kanker heeft gekregen, veel meer sterfgevallen die uit het roken van sigaretten voortvloeien, te maken hebben met aandoeningen van de kransslagaders van het hart — de voornaamste doodsoorzaak in de meeste ontwikkelde landen — dan met kanker . . . Bovendien verhoogt roken in samenhang met andere belangrijke risicofactoren, zoals een hoog cholesterolgehalte en een hoge bloeddruk, de kans op hartziekten vele malen.” En toch, géén verbodsbepalingen — alleen op de pakjes waarschuwingen die gemakkelijk over het hoofd gezien kunnen worden.
Waarom zo’n voorzichtige aanpak van een dodelijke moordenaar, terwijl een naar verhouding onbelangrijke boosdoener alle gramschap moet voelen? Natural History sprak van „huichelarij van de regering bij de behandeling van tabak” en van regeringen die „gijzelaars zijn van de politieke macht van de tabaks- en sigarettenproducenten, of verlokt worden door eigenbelang [opbrengst van accijnzen]”.
Hoe verkwikkend zal het zijn wanneer Gods koninkrijk, niet gehinderd door een dergelijke pressie, alleen zal regeren met het eeuwige welzijn van de mensheid op het oog! — Jes. 32:1.
’Discriminerend taalgebruik’?
● De New York Times van 5 juni 1977 berichtte: „De nieuwe uitgave van de Revised Standard Version, die in het midden van de jaren ’80 moet verschijnen, zal voor een groot deel, hoewel niet helemaal, een eind maken aan een taalgebruik dat discrimineert ten gunste van de man, aldus Dr. Bruce M. Metzger, een bijbelgeleerde en hoogleraar in de nieuwtestamentische taal- en letterkunde aan het Theologische Seminarie in Princeton.”
Het herzieningscomité, bestaande uit vierentwintig geleerden onder voorzitterschap van Dr. Metzger, is van plan om het woord „man” op verschillende plaatsen te handhaven. Op andere plaatsen zal men echter het mannelijke geslacht in de bewoordingen laten vervallen.
Bepaalde personen zullen het misschien aangenaam vinden wanneer taal uit de bijbel wordt verwijderd die sommigen mogelijk als ’discriminerend ten gunste van de man’ beschouwen. Wie hierdoor bij zulke mensen in de gunst tracht te komen, zou echter de ernstige fout kunnen begaan het geïnspireerde Woord van God geweld aan te doen. Meer dan eens waarschuwt de Schrift dat wij aan het Woord van Jehovah niets mogen toevoegen, noch ervan mogen afnemen (Deut. 4:2; 12:32; Openb. 22:18, 19). Inderdaad weerspiegelen de volgende woorden een godvruchtige houding ten opzichte van de Schrift: „Elk woord van God is gelouterd.” — Spr. 30:5.
Waren de Essenen de eerste christenen?
● Veel geleerden op het gebied van de godsdienstwetenschap beweren dat het vroege christendom is voortgesproten uit de joodse sekte van de Essenen. Onlangs heeft de beroemde archeoloog Yigael Yadin in het Hebreeuws een omvangrijke studie en vertaling van een 8,2 meter lange Dode-Zeerol het licht doen zien. Geeft dit materiaal steun aan de bewering dat de Essenen een schakel vormden tussen het judaïsme en het christendom? Volgens Yadin doet het verrassende feit zich voor dat de Essenen uit deze rol te voorschijn komen als „niet alleen uitermate extreem in hun wettische benadering van alle tempelwetten ten aanzien van reinheid, maar ook als vurig gelovend dat de offers en alles wat daarmee gepaard gaat, van essentieel belang zijn, zoals voorgeschreven in de Torah [wet van Mozes]”. Toch is het een duidelijke zaak dat christenen erom bekend stonden dat zij dergelijke riten niet in acht namen.
Hoewel Yadin gelooft dat de Essenen het christendom hebben beïnvloed, moest hij toch de vraag stellen: „Hoe komt het dat zo’n extreme sekte van invloed was op het vroege christendom, dat nu juist brak met deze wet van Mozes . . .?” Als antwoord kon hij alleen met de veronderstelling aankomen dat „de eerste christenen in een late periode met de Essenen in aanraking kwamen”, toen de Essenen enkele van hun opvattingen hadden gewijzigd.
Maar in het licht van de bijbel verdwijnt de betekenis van dergelijke ongegronde speculaties over de vraag hoe het christendom zijn leringen kreeg. Ze kwamen van God zelf.