De Bergrede — „Ik ben niet gekomen om te vernietigen, maar om te vervullen”
IN DE Bergrede sprak Jezus zijn diepe liefde en eerbied uit voor het geschreven Woord van God. Hij zei: „Denkt niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten [dat wil zeggen, de Hebreeuwse Geschriften als een geheel] te vernietigen. Ik ben niet gekomen om te vernietigen, maar om te vervullen” — Matth. 5:17.
Zowel in woord als in daad bewees Jezus anders te zijn dan de religieuze leraars van zijn tijd. Hij sprak over een tijd dat de mensen God niet langer in de tempel te Jeruzalem zouden aanbidden (Joh. 4:21). Hij vergeleek zijn leer met „nieuwe wijn” die „oude wijnzakken” niet zouden kunnen bevatten (Luk. 5:37). Jezus gebruikte ook maaltijden met „belastinginners en zondaars” en verrichtte wonderen van genezing op de wekelijkse sabbatdag (Mark. 2:13-17; 3:1-5). Door dit gedrag overtrad hij geen enkele wet van God, maar het druiste wel in tegen de joodse overleveringen die als van groter belang werden geacht dan de Hebreeuwse Geschriften.a Aangezien de Farizeeën en Herodianen Jezus als een overtreder van Gods wet beschouwden, hadden zij een komplot gesmeed om hem, nog voordat hij zijn befaamde Bergrede hield, te doden. — Mark. 3:6.
De Zoon van God verzekerde zijn toehoorders echter dat hij niet was gekomen om de Wet „te vernietigen”. Hij was noch ongehoorzaam aan de geboden ervan noch verklaarde hij enig deel ervan als niet bindend voor de Israëlieten. In plaats daarvan was Jezus gekomen om die goddelijke wet „te vervullen”. Als een zondeloos mens hield hij haar volmaakt, zelfs „tot de dood, ja, de dood aan een martelpaal” (Fil. 2:8; Hebr. 4:15; 1 Petr. 2:22). Zijn offerandelijke dood vervulde ook profetische voorbeelden die door het Wetstelsel, met zijn dierlijke slachtoffers, waren verschaft. — Dan. 9:26, 27; Hebr. 10:1-9.
Jezus vervulde niet alleen de letter van de Wet, maar ook de geest achter die Wet. Terwijl de Wet zondige daden verbood, veroordeelde Jezus openlijk de houdingen die tot zulke daden aanzetten. Moord en overspel waren bijvoorbeeld overtredingen van Gods wet, maar Jezus toonde aan dat toornig blijven op iemand en met wellust naar een vrouw kijken de geestesgesteldheden zijn die tot zulke overtredingen leiden (Matth. 5:21, 22, 27, 28; Jak. 1:13-15). Bovendien was Jezus’ vrijwillige offer van zijn menselijke leven ten behoeve van de mensheid een allesovertreffende tentoonspreiding van liefde, welke de bijbel „de vervulling van de wet” noemt. — Rom. 13:8-10; vergelijk Joh. 15:13.
Vervolgens verklaarde Jezus in zijn rede: „Voorwaar, ik zeg u dat hemel en aarde eerder zouden voorbijgaan dan dat één kleinste letter of één deeltje van een letter op enige wijze uit de Wet voorbijgaat en niet alle dingen geschieden.” — Matth. 5:18.
Zoals in The Kingdom Interlinear Translation wordt aangetoond, gebruikte Jezus hier het woord „Amen”, hetwelk „waarlijk”, „zo zij het” betekent. Als de gezalfde Zoon van God, de beloofde Messías, kon hij stellig voor de waarheidsgetrouwheid van zijn uitspraken instaan. — Vergelijk 2 Korinthiërs 1:20; Openbaring 3:14.
De vervulling van Gods wet zou zich tot de „kleinste letter of één deeltje van een letter” uitstrekken. In het toen gangbare Hebreeuwse alfabet was jod de kleinste letter. Bepaalde Hebreeuwse letters werden gekenmerkt door een klein streepje, haakje of „tittel”. De schriftgeleerden en Farizeeën achtten niet alleen de woorden en letters van Gods wet, maar ook die streepjes of ’kleinste deeltjes’ van groot belang. Volgens een rabbijnse legende zou God gezegd hebben: „Salomo en duizend zoals hij zullen heengaan, maar geen tittel van u (de Torah [Pentateuch]) zal ik laten uitwissen.”
Zo onwaarschijnlijk was de mogelijkheid dat zelfs maar het kleinste detail van Gods wet niet in vervulling zou gaan dat „hemel en aarde eerder zouden voorbijgaan”. Dit stond gelijk met te zeggen „nooit”, want de Schrift geeft te kennen dat de letterlijke hemel en aarde tot in eeuwigheid zullen blijven. — Ps. 78:69; 119:90.
Jezus beklemtoonde zijn grote achting voor Gods wet nog verder door te zeggen: „Wie daarom een van deze geringste geboden overtreedt en de mensen in die zin leert, zal de ’geringste’ worden genoemd met betrekking tot het koninkrijk der hemelen. Maar een ieder die ze doet en leert, zal ’groot’ worden genoemd met betrekking tot het koninkrijk der hemelen.” — Matth. 5:19.
Iemand zou een van de geboden kunnen ’overtreden’ door er opzettelijk ongehoorzaam aan te zijn. Of hij zou kunnen doen wat als nog erger werd beschouwd, namelijk medejoden die aan de Wet onderworpen waren, leren dat sommige geboden ervan niet bindend waren. Zolang het wetsverbond van kracht was, was het een uitdrukking van Gods wil ten aanzien van zijn volk. Het overtreden van geboden of het onderwijzen van dingen in strijd met geboden die sommigen qua belangrijkheid misschien als de „geringste” beschouwden, zou afvalligheid jegens God zijn. — Vergelijk Jakobus 2:10, 11.
De Wet was gegeven om de Israëlieten naar de Messías te leiden, die de voornaamste heerser in Gods koninkrijk zou zijn (Gal. 3:24; Jes. 11:1-5; Dan. 7:13, 14). Vandaar dat wat het komen in Gods koninkrijk betreft, mensen die Gods geboden overtraden de ’geringsten’ genoemd zouden worden. Zij zouden helemaal niet in het koninkrijk komen. — Matth. 21:43; Luk. 13:28.
Aan de andere kant zouden degenen die de Mozaïsche wet naar hun beste vermogen hielden, „’groot’ worden genoemd met betrekking tot het koninkrijk der hemelen”. Zij zouden de soort van personen zijn die Jezus als de Messías aanvaardden en die vervolgens geroepen werden om in de Koninkrijksheerschappij met hem te delen (Luk. 22:28-30; Rom. 8:16, 17). Het is interessant dat de Schrift vorstelijke personen als „groten” aanduidt. — Spr. 25:6; Luk. 1:32.
Jezus verklaarde vervolgens iets dat zijn toehoorders wellicht ontstelde: „Ik zeg u, dat indien uw rechtvaardigheid niet overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en Farizeeën, gij het koninkrijk der hemelen geenszins zult binnengaan.” — Matth. 5:20.
De „schriftgeleerden” van Jezus’ tijd waren een klasse van mannen die speciaal onderlegd waren in de Wet. Hoewel enkelen van hen tot de Sadduceeën behoord kunnen hebben, behoorden vele schriftgeleerden tot de „sekte” der Farizeeën, wier eisen met betrekking tot ceremoniële reinheid, het betalen van tienden en andere religieuze plichten de Mozaïsche vereisten te boven gingen. — Hand. 15:5.
Die religieuze leiders hielden er een bekrompen, wettische zienswijze met betrekking tot het verkrijgen van rechtvaardigheid op na. Zij geloofden dat ze uitsluitend verkregen werd door daden die letterlijk met de letter van de wet in overeenstemming waren. Volgens de joodse traditie verwierf iemand telkens als hij een gebod onderhield „verdienste”. Men geloofde dat men zich met elke overtreding „schuld” op de hals haalde. Een overmaat van verdiensten maakte iemand naar men aannam „rechtvaardig”, terwijl een overvloed van schulden hem „goddeloos” maakte.
Zulk een wettische zienswijze bleef echter ver onder Gods maatstaf van wat juist is (Rom. 10:2, 3). Er werd weinig aandacht geschonken aan het ontwikkelen van hoedanigheden zoals liefde, gerechtigheid, zachtaardigheid, vriendelijkheid en getrouwheid. Toch beschouwt God deze als belangrijker dan het letterlijk onderhouden van wettelijke voorschriften (Deut. 6:5; Lev. 19:18; Micha 6:8). Met goede reden riep Jezus uit: „Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! want gij geeft tienden van de munt en de dille en de komijn, maar hebt de gewichtiger zaken der Wet, namelijk gerechtigheid en barmhartigheid en getrouwheid, veronachtzaamd.” — Matth. 23:23; vergelijk Lukas 11:42.
Christelijke rechtvaardigheid zou „overvloediger” moeten zijn „dan die van de schriftgeleerden en Farizeeën”. Volgens Jezus moeten allen die ware aanbidders van God wensen te zijn „de Vader met geest en waarheid . . . aanbidden” (Joh. 4:23, 24). Hun aanbidding moet niet in louter uiterlijke daden van vroomheid bestaan, die in overeenstemming met een wetstelsel zijn, maar „met geest”, aangedreven uit een hart vol geloof en liefde. — Matth. 22:37-40; Gal. 2:16.
[Voetnoten]
a Het oude joodse wetboek, bekend als De Misjna verklaart: „Grotere striktheid geldt voor [het onderhouden van] de woorden van de schriftgeleerden dan voor [het onderhouden] van de woorden van de [geschreven] Wet.” — Traktaat Sanhedrin, 11:3, volgens de Engelse vertaling van Herbert Danby.