Een helpende hand bieden in Midden-Amerika
● Na de grote aardbeving resulteerden de wederopbouw en hoge koffieprijzen voor de stad Guatemala (in Guatemala) in een betere economie, maar in de armere gebieden van het land was daarvan weinig te merken. De volle-tijd werkers van Jehovah’s Getuigen, die speciale pioniers genoemd worden, blijven hun gratis bijbelstudiewerk onder veel van deze mensen voortzetten.
Een echtpaar dat in een zeer geïsoleerd gebied dient, benutte geld van hun kleine persoonlijke onkostenrekening om een gaslamp te kopen die zij op hun vergaderingen wilden gebruiken omdat daar geen elektriciteit aanwezig was. Hun innige wens om deze economisch benadeelde mensen te helpen, blijkt ook uit een ander verzoek om wat geld van hun rekening te mogen afhalen:
„Om ons afgelegen gebied te bereiken, moeten wij lopen en moeten wij ons eigen beddegoed dragen om in de dorpen waar geen hotels of andere huisvestingen zijn, toch de nacht te kunnen doorbrengen. Wij willen om honderd vijfenveertig gulden vragen om een ezel te kunnen kopen. Deze ’burritos’ [ezeltjes] zijn erg vriendelijk van aard en kunnen gemakkelijk verzorgd worden, en het zal, als onze aanvraag wordt goedgekeurd, onze last verlichten.”
● Zo nodigde iemand die in de waarheid geïnteresseerd was en in een bergachtige streek van El Salvador woonde, een vertegenwoordiger van Jehovah’s Getuigen (kringopziener) uit om daar een openbare lezing te houden. De spreker en zijn vrouw reisden met de bus naar de laatste halte en legden de resterende 16 kilometer te voet af. Hun inspanningen werden beloond doordat 30 personen naar de lezing kwamen luisteren.
De man die de spreker had uitgenodigd, was zo onder de indruk van de zelfopofferende toewijding van dit echtpaar dat hij ging staan en tegen de aanwezigen zei: „Weet u nog dat toen wij de Evangelische predikant uitnodigden, hij alleen wilde komen op voorwaarde dat wij hem 30 colones (ƒ 28,–) zouden geven en voor een paard zouden zorgen voor de reis? Maar omdat wij daar geen geld voor hadden, kwam hij niet. Deze keer nodigden wij Jehovah’s Getuigen uit en zij vroegen niet om geld of om paarden, maar kwamen lopend; daarom moeten zij de ware religie hebben.”