Jehovah’s liefderijke goedheid is overvloedig
IN GEBED tot de Soevereine Heer Jehovah erkende Jeremia Hem als „Degene die jegens duizenden liefderijke goedheid oefent” (Jer. 32:17, 18). Hoe waar is dit onder Jehovah’s volk in deze tijd! Gedurende het afgelopen jaar was Jehovah’s liefderijke goedheid overvloedig jegens de 2.223.538 Getuigen die in 216 landen en gebieden dienst verrichtten. Zijn geest stelde hen in staat een groots getuigenis te geven.
De tabel op de volgende bladzijden geeft een overzicht van het werk dat in verschillende delen van de aarde is verricht. Deze ijverige Getuigen zijn erg druk bezig geweest, want zij hebben 321.424.305 uren aan de bekendmaking van het goede nieuws van Gods koninkrijk besteed, waartoe ook het leiden van 1.282.246 bijbelstudies in de huizen van geïnteresseerde personen behoort. Hoewel de verspreiding van tijdschriften iets achteruit is gegaan, verspreidden zij 24.972.749 bijbels en boeken waarin de bijbel wordt uitgelegd, een toename van 917.700 ten opzichte van het voorgaande jaar.
Gedurende het gehele dienstjaar 1977 is de volle-tijd „pioniers”-dienst op prijzenswaardige wijze ondersteund, vooral de hulppioniersdienst. Zoals door de tabel wordt aangetoond, hebben een aantal landen die veel pioniers in het veld hadden, zich in een voortreffelijke toename verheugd. Dit is ook het geval geweest in gemeenten waarin een ware pioniersgeest heerste, en het is te hopen dat de pioniersdienst in steeds meer gemeenten bevorderd zal worden.
Naarmate wij het einde naderen, worden de tijden moeilijker (2 Tim. 3:1). Ook wordt in veel landen de houding van de mensen harder. Het is net als in Jeremia’s dagen, toen Jehovah over het volk zei: „Zij [hebben] hun nek . . . verhard om mijn woorden niet te gehoorzamen.” Als uw gemeente onder een ’hardnekkig’ volk moet werken, vat dan moed! Laten wij, in plaats van het langzamer aan te gaan doen in de Koninkrijksactiviteit, datgene doen waartoe Jeremia aanmoedigde: „Zingt Jehovah toe! Looft Jehovah!” (Jer. 19:15; 20:13) Ja, laten wij ons als medewerkers van God inspannen nu hij de overgeblevenen van zijn „schapen” bijeenbrengt. — 1 Kor. 3:9; Jer. 23:3.
Getrouwe herders, ouderlingen in de kudde die onder Jezus Christus als hoofd dienst verrichten, blijven ’de kudde werkelijk weiden’, en dit blijkt uit het doorgaans uitstekende vergaderingbezoek in de 41.635 gemeenten van Jehovah’s Getuigen over de gehele aarde (Jer. 23:4). Op zondag 3 april 1977 werd een hoogtepunt in het vergaderingbezoek bereikt toen in totaal 5.107.518 personen bijeenkwamen om de Gedachtenisviering ter herdenking aan Jezus’ dood in acht te nemen. De „schapen” worden nog steeds bijeengebracht, en wij verheugen ons erover dat er gedurende 1977 124.459 nieuwe Getuigen werden gedoopt. Benut u elke gelegenheid om ijverig aan dit grote bijeenvergaderingswerk deel te nemen?
STIMULERENDE BERICHTEN
Hoewel het werk van Jehovah’s Getuigen thans in ongeveer 46 landen is verboden of anderszins aan beperkingen is onderworpen, zijn zij niet ontmoedigd. Tactvol blijven zij getuigenis geven, en met uitstekende resultaten, zoals door het verslag over deze „ANDERE LANDEN” op bladzijde 27 te kennen wordt gegeven. Dat de vijand ’hen niet heeft overmeesterd’, blijkt uit boodschappen die van tijd tot tijd doorsijpelen. Een 17-jarige zuster schrijft bijvoorbeeld uit een Aziatisch land dat de zendelingen ruim twee jaar geleden het land moesten verlaten. In zinnebeeldige taal zegt ze:
’Wij maken het geestelijk heel goed (Ps. 44:8). Ik maak goede vorderingen in het vissersberoep, vooral in de informele visvangst. Ik heb kort geleden drie grote vissen gevangen ook veel kleine vissen. Wij houden erg veel van Psalm 27:1, 13, 14 en Jesaja 51:12-14. Wij hebben het voedsel ontvangen dat je hebt gezonden en hebben het op de [plaatselijke] manier gekookt, zodat allen het goed kunnen verteren.’
Uit een Afrikaans land, waar de Getuigen slechts in kleine groepjes van twee of drie gezinnen mogen vergaderen en waar honderden in en uit de gevangenis zijn geweest, komt het bericht dat meer dan 8500 personen de Gedachtenisviering hebben bijgewoond, twee en een half maal het aantal Koninkrijksverkondigers. Eén jonge Getuige, die binnenkort gedoopt zal worden, leidt met in totaal 60 personen bijbelstudies.
Uit een Amerikaans land waar het werk aan beperkende bepalingen is onderworpen, komen de volgende interessante ervaringen:
„Sinds de lectuur van het Wachttorengenootschap is verboden, hebben sommigen in hun predikingswerk andere vertalingen van de bijbel gebruikt. Een Getuige die bij een deur had aangeklopt, begon teksten voor te lezen uit een katholieke bijbel waarin oud Spaans wordt gebezigd. Nadat de dame naar verscheidene schriftplaatsen had geluisterd, merkte zij op dat deze moeilijk waren te begrijpen; als hij een ogenblikje zou willen wachten, zou zij een veel gemakkelijker te begrijpen bijbel aan hem laten zien. Tot zijn verbazing kwam zij met de verboden Nieuwe-Wereldvertaling van de bijbel te voorschijn.”
„In een zekere plaats deden autoriteiten een inval in een huis met drie appartementen, terwijl zij het eerste en het derde appartement doorzochten maar het middelste ongemoeid lieten. Hier waren onze broeders bijeen voor bijbelstudie!”
Ondanks toenemende beweringen van vrijheid van religie, blijven sommige Oosteuropese landen de Getuigen onderdrukken. Uit één land wordt bericht dat de broeders zich eens of zelfs verscheidene keren per dag bij de politie moeten melden. Uit een ander land wordt gemeld dat de autoriteiten drastische stappen doen in een poging het predikingswerk een halt toe te roepen. Toen zij probeerden een broeder te doden door op straat met een auto op hem in te rijden, maakte hij gebruik van zijn vlugheid als een voormalige circusartiest door opzij te springen, waardoor hij in leven bleef.
Het volgende interessante verslag komt uit nog een ander Europees land:
’In sommige gebieden waar geen Getuigen zijn, schijnen de engelen andere middelen te vinden om het bijeenvergaderingswerk te bespoedigen. Een zuster uit een ander land voelde zich genoodzaakt haar familieleden met het „goede nieuws” te bezoeken, hoewel zij hiervoor een reis van verscheidene duizenden kilometers moest maken. Een van haar schoonzusters spreidde een grote belangstelling ten toon, en in drie dagen tijds studeerden zij het gehele Waarheid-boek uit. Toen deze schoonzuster alleen achterbleef, vond zij nog iemand die graag de waarheid wilde leren kennen. Na hetzelfde boek tweemaal doorgestudeerd te hebben, nam ook zij de waarheid aan. De dichtstbijzijnde Getuige woonde 1600 kilometer van hen vandaan, maar deze broeder bracht verscheidene nabezoeken, en de volgende zomer werden deze personen gedoopt. Een jaar later werden er vijf personen gedoopt. Elk jaar aanvaardden opnieuw enkele personen de waarheid. Na zes jaar schreef de zuster die haar schoonzuster aanvankelijk had bezocht voorzichtig: „Hoeveel bomen heb je in je tuin staan?” Het antwoord luidde: „Er staan 38 bomen in mijn tuin; 28 zijn gewassen en 10 zullen volgend jaar gewassen worden.” Wat bracht deze brief een vreugde!’
Het schenkt Jehovah’s volk beslist veel vreugde te zien dat de waarheid zegeviert. De tijd voor de „grote verdrukking” komt echter snel naderbij. Zefanja, die enige tijd vóór Jeremia profeteerde, waarschuwde: „De grote dag van Jehovah is nabij. Hij is nabij en haast zich zeer” (1:14). Intussen moeten de laatste „schapen” bijeengebracht worden. Zult u een volledig aandeel aan dit werk hebben? Vijanden zullen ons misschien steeds kwaadaardiger bestrijden. Maar wij zullen moed blijven putten uit de kostbare belofte die aan de Jeremiaklasse is gegeven: „Zij zullen u niet overmeesteren, want ’ik [Jehovah] ben met u . . . om u te bevrijden’.” — Jer. 1:19.
[Tabel op blz. 24-27]
BERICHT OVER HET DIENSTJAAR 1977 VAN JEHOVAH’S GETUIGEN OVER DE HELE WERELD
(Zie ingebonden jaargang)