Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w78 1/4 blz. 5-11
  • Een goede regering — Zal ze ooit verwezenlijkt worden?

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Een goede regering — Zal ze ooit verwezenlijkt worden?
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1978
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • WAAROM WIJ DE REGERING OMVERWIERPEN
  • MILITAIRE ACHTERGROND
  • ONZE NIEUWE REGERING
  • HOE STOND HET MET DE BESCHULDIGINGEN?
  • ONZE HOOP VERIJDELD
  • DE UITDAGING VAN EEN NIEUW LEVEN
  • DE INVLOED VAN RELIGIE
  • MIJN ZOON BEÏNVLOEDT MIJ
  • DE BIJBEL IS REDELIJK
  • EEN ZEKER VOORUITZICHT
  • El (I)
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • De wenselijkheid van een regering door God
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
  • De volmaakte regering voor de gehele mensheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1959
  • Wereldregering in handen van de „Vredevorst”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1978
w78 1/4 blz. 5-11

Een goede regering — Zal ze ooit verwezenlijkt worden?

Hebt u iemand ooit over de toestanden in zijn land horen zeggen: „Als mijn groep aan de macht zou zijn, zouden wij de situatie kunnen verbeteren”? Hebt u ooit iemand gekend die een regering heeft omvergeworpen en in zijn land een heerser werd? Het volgende verslag wordt verteld door een man die deze dingen heeft gedaan. Maar zoals u zult zien, heeft hij bemerkt dat het niet zo eenvoudig is een goede regering tot stand te brengen.

HET was 25 oktober 1960. Het Middenamerikaanse land El Salvador stond op het punt een nieuwe regering te krijgen. Onze opstand begon om 10 uur n.m.

Een krijgsmacht omsingelde de particuliere woning van president José María Lemus en deelde hem mee dat wij de macht in handen hadden. Hij greep naar de telefoon, maar merkte dat deze was uitgevallen — onze mensen hadden het nationale telecommunicatiecentrum bezet.

Enkele kilometers daarvandaan, op mijn kantoor in het fort El Zapote, aan de overkant van de casa presidencial (de officiële presidentiële residentie), lichtte ik de officieren die onder mijn bevel stonden, snel in over ons optreden. Vanuit de communicatiekamer ontbood ik vervolgens haastig de commandant van elke militaire eenheid in het land. Ik legde uit wie reeds aan onze zijde stonden en vroeg: „Gaat u hiermee akkoord?” Slechts één belangrijke kolonel was tegen ons gekant. Ik herinnerde hem eraan dat wij hem konden liquideren. Er bleef voor hem dan ook niets anders over dan onze gedragslijn te aanvaarden.

Ik was destijds de tweede die in het fort El Zapote het bevel voerde. Mijn superieur, die de coup ook niet gunstig gezind was, kwam te middernacht terug. Een van mijn mannen, die bij de ingang de wacht hield, adviseerde hem echter naar huis te gaan. Hij was zo verstandig dit te doen en niet meer terug te komen.

Om 6 uur v.m. kwamen alle commandanten en de leden van onze nieuwe regering in mijn hoofdkwartier in het fort bijeen. Onze coup d’état was gelukt, zonder dat er enig bloed was gevloeid. Er werden kanonnen afgevuurd om deze gebeurtenis te vieren en over de radio werd bekendgemaakt dat een uit zes personen bestaande regering — die wij „La Junta” noemden — de macht had overgenomen. Het was een opwindende tijd!

WAAROM WIJ DE REGERING OMVERWIERPEN

El Salvador is het kleinste en dichtstbevolkte land in Midden-Amerika. In een dagblad werd het destijds ook het „meest geïndustrialiseerde en voorspoedigste land van de Middenamerikaanse republieken” genoemd. Wij waren van mening dat het land een radicale verandering, een betere regering, nodig had, en anderen waren het hiermee eens. Kort na onze coup werd in de New York Times van 5 november 1960 opgemerkt:

„Zelfs degenen die bang zijn voor wat er op de omverwerping van president Lemus zou kunnen volgen, zijn het erover eens dat zijn regime in toenemende mate autoritair en wreed was geworden en zich de haat van zowel gematigden als liberalen op de hals had gehaald.”

In overeenstemming met zulke gevoelens werd in de verklaring die wij uitgaven gezegd dat Lemus „buiten de wet om had geregeerd, de grondwet en de rechten van burgers met voeten had getreden en een klimaat van algemene ontevredenheid had geschapen”.

Onder zijn bewind waren demonstrerende studenten in de straten doodgeschoten. Anderen waren gemarteld. De kranten berichtten dat vrouwen in de gevangenis werden verkracht. Wapens van mijn regiment waren als vals bewijs gebruikt bij de arrestatie van een man die ervan werd beschuldigd dat hij te veel wapens had. Lemus had verklaard dat het land in staat van oorlog verkeerde, hetgeen er in feite op neerkwam dat de staat van beleg was afgekondigd.

Ik was van mening dat militair optreden een oplossing zou kunnen verschaffen voor deze problemen en betere toestanden mogelijk zou maken. U zult beter begrijpen waarom ik hier zo over dacht wanneer u iets van mijn achtergrond weet.

MILITAIRE ACHTERGROND

Ik werd in 1925 geboren als de derde van zeven kinderen van een boerenfamilie in Paraíso de Osorio, El Salvador. Toen ik 15 jaar oud was, begon ik aan een vier en een half jaar durende opleiding in Escuela Militar, de militaire academie van ons land, en gradueerde in juli 1945. Ik leerde de strenge discipline — gehoorzamen en bevelen — die traditioneel is in Latijns-Amerikaanse legers.

Op de leeftijd van 19 jaar werd ik officier, vervolgens werd ik met 21 jaar, eerste luitenant en met 25 jaar, kapitein. Ik ging naar Mexico en studeerde drie jaar aan de generale stafschool van dat land, Escuela Superior de Guerra. Daar leerde ik hoe ik de militaire opleiding moest organiseren en leiden.

Bij mijn terugkeer in El Salvador, werd mij gezegd dat het land een infanterieschool nodig had. Met de machtiging zo’n school op te richten, heb ik in 1954 dus meegeholpen de Escuela de Armas, El Salvadors infanterieschool, op te richten. Later, in 1958, richtte ik de Escuela de Artillería op, El Salvadors artillerieschool.

Ook was ik een waarnemer van de verrichtingen van het 504de Bataljon Veldartillerie van de Verenigde Staten in de Panamakanaalzone. Als militaire aide van de Salvadoreense minister van defensie reisde ik naar Argentinië, Brazilië, Chili en Panama.

Zoals u kunt zien, had ik een succesvolle militaire carrière opgebouwd en kon ik op veel prestaties bogen. Het was destijds dan ook alleen maar natuurlijk dat ik een militaire verandering als een middel beschouwde waardoor ons land een betere regering zou kunnen krijgen.

ONZE NIEUWE REGERING

Vrienden van mij, politieke leiders die de regering Lemus wilden omverwerpen, hadden contact met mij opgenomen. Wat mijzelf betreft, ik was geen politicus, maar het vooruitzicht op politieke macht trok mij wel aan. Ik had hoge idealen en was van mening dat ik eerlijk genoeg was om te helpen verandering aan te brengen in een situatie die nodig veranderd moest worden. Ik stemde erin toe deel van de nieuwe regering uit te maken, onder voorwaarde dat mij de algehele verantwoordelijkheid voor het beramen en uitvoeren van het militaire deel van de coup zou worden toevertrouwd.

Onze regering zou uit zes personen bestaan: drie burgers, twee kolonels en mijn persoon. Ik was kapitein-majoor, een rang onder kolonel, maar mijn positie in het fort El Zapote plaatste mij in een strategische positie. Acht maanden lang hebben wij ons met het uitwerken van de details beziggehouden. Toen, in de nacht van 25 oktober 1960, ging alles in werking.

Zoals wij openlijk hadden aangekondigd, was het onze bedoeling alle politieke partijen te erkennen, een democratisch programma te volgen, in het westerse blok van natiën te blijven en slechts tot aan de volgende presidentiële verkiezingen aan de macht te blijven. Wij waren werkelijk van mening dat wij ertoe konden bijdragen de toestanden in El Salvador ten goede te veranderen.

Het ging echter niet allemaal zoals wij hadden gepland. Kort nadat wij aan de macht waren gekomen, belde de aartsbisschop mij op. Hij zei dat hij in alle stilte met de Junta wilde spreken en dat de bespreking geheim moest blijven.

Wat de aartsbisschop ons vertelde, kwam hierop neer: ’U vormt een nieuwe regering en ik verkeer in de positie deze regering vanaf de kansel te ondersteunen. Op uw beurt kunt u ons ondersteunen.’

Wij begrepen wat hij bedoelde. Op grond van de berichten die ons ter beschikking stonden, wisten wij dat katholieke religieuze instellingen van de vorige regering financiële ondersteuning hadden ontvangen. De aartsbisschop had er klaarblijkelijk belangstelling voor dat onze nieuwe regering de Kerk dergelijke attenties zou blijven bewijzen.

Ik was katholiek, maar het was me duidelijk dat zulk een begunstiging onjuist was. Zo’n behandeling was ongrondwettig. De andere leden van de Junta waren het hiermee eens. Wij zessen weigerden dus de Kerk financiële ondersteuning te geven. De aartsbisschop was zichtbaar ontsteld en gaf te kennen dat wij spijt zouden krijgen van ons besluit.

Kort hierna begon er een campagne vanaf de kerkkansels. De priesters beweerden dat onze regering pro-Castro en pro-communistisch was. Wij lieten deze preken op de band opnemen, zodat wij wisten welke beschuldigingen er werden geuit. Maar wij meenden dat het meer kwaad dan goed zou doen wanneer wij deze campagne zouden onderdrukken, aangezien de Kerk bij veel mensen hoog aangeschreven stond.

HOE STOND HET MET DE BESCHULDIGINGEN?

De nadelige uitwerking van dit alles op onze regering werd al gauw merkbaar. Men begon twijfel te koesteren ten aanzien van onze politieke oriëntatie. De Verenigde Staten maakten zich zorgen en waren niet genegen ons te erkennen. Wat waren echter de feiten?

Na verloop van tijd bleek dat de door de Kerk in het leven geroepen beschuldigingen ongefundeerd waren, met het gevolg dat de Verenigde Staten ons erkenden. In de New York Times van 1 december 1960 werd gezegd:

„De neiging om in elke actie voor politieke en sociale verandering in Latijns-Amerika communisme en de nieuwe aantrekkingskracht van ’Fidelismo’ te zien, is gevaarlijk. . . . De drie burgerleden van de junta zijn — ondanks vage beschuldigingen van ’Fidelismo’ — liberalen en democraten. . . . Alle zes mannen hebben zich aan een democratisch programma verpand en zij verdienen elke kans om hun goede wil te bewijzen.”

Ondanks deze rechtvaardiging had de door de Kerk op touw gezette lastercampagne onze geloofwaardigheid ernstig geschaad. Er waren echter ook andere krachten aan het werk om onze nieuwe regering te ondermijnen.

ONZE HOOP VERIJDELD

Het leger was niet met ons ingenomen. Wij hadden het leger uit de politieke sfeer willen halen, maar het leger wilde zijn speciale voorrechten niet verliezen. Een andere groep, die een coup beraamde toen wij de onze voorbereidden, bood aan het leger zijn voorrechten te laten behouden, waardoor zij de hoge officieren aan hun kant kregen.

Klaarblijkelijk spraken zij met de commandanten van de verschillende militaire posten, net zoals ik dit had gedaan. Op 25 januari 1961 kwam een aide naar mijn huis om mij te vertellen dat de telecommunicatiemiddelen in handen van de oppositie waren. Onmiddellijk ging ik naar de casa presidencial. Mijn mannen zeiden: „Wij ondersteunen u — wij zullen voor u sterven.”

Het was echter duidelijk dat niemand van ons werkelijk wilde sterven. Hoewel het gebied was omsingeld, stak ik de straat over naar het fort El Zapote, waar de dienstdoende officier de deur voor mij opende. Ik begon de verdediging te organiseren. Mijn bevelen werden gehoorzaamd, en ik voelde me sterk genoeg om de nieuwe coup het hoofd te bieden.

Een kolonel, een vriend van mij, werd naar mij toegezonden om mij te berichten dat de situatie heel ernstig was. Hij zei: „Als je je overgeeft, zal er vrede zijn. Anders zal er hier strijd gevoerd worden.” Op grond van deze waarborg van vrede gaf ik mij over.

Ik werd naar het hoofdkwartier van de nieuwe groep gebracht, en dat was het einde van de Junta. De andere leden waren reeds gearresteerd. Ik kon op straat geschreeuw en geschiet met machinegeweren horen. Volgens de kranten werden veel mensen gedood. Naar verluidt heeft één jongeman zijn eigen bloed gebruikt om op straat te schrijven: „Libertad se escribe con sangre”, wat betekent: „Vrijheid wordt met bloed geschreven.”

Drie dagen later was ik in ballingschap. Ik bleef tot december in Mexico en keerde toen in het geheim naar El Salvador terug. Toen ik daar eenmaal was, maakte ik mijn aanwezigheid bekend en begon ik aan de vorming van een nieuwe regering te werken. In september het jaar daarop werd mij gezegd dat ik het land moest verlaten omdat ik anders gedood zou worden. Met die bedreiging voor ogen ging ik naar de Verenigde Staten, waar ik op 7 oktober 1962 aankwam.

DE UITDAGING VAN EEN NIEUW LEVEN

Wij vestigden ons in Los Angeles, Californië. Op de leeftijd van 37 jaar moest ik helemaal opnieuw beginnen. De gewoonten waren heel anders en ik sprak de taal niet. Ik bezat vrijwel niets op materieel gebied. Ik had alleen mijn gezin: mijn vrouw María en onze vier kinderen: Ruben 13, Miriam 11, Jorge 9 en Gustavo 7 jaar.

Op 2 november 1962, nog geen maand nadat ik in Los Angeles was aangekomen, kreeg ik een baan als bijrijder bij het verhuisbedrijf Bekins. Ik koesterde nog steeds haat in mijn hart en een krachtig verlangen om mij op degenen die onze regering hadden omvergeworpen, te wreken. Maar ik erkende en aanvaardde mijn onmiddellijke verantwoordelijkheid om mijn gezin te ondersteunen. Daarom werkte ik hard en leidde ik een vreedzaam leven.

Als gevolg hiervan kwam ik dichter tot mijn gezin te staan dan ooit tevoren. Ik kon dus inzien dat de plotselinge verandering van omstandigheden ergens een vermomde zegen was. Toen gebeurden er dingen waardoor mijn denkwijze en uiteindelijk mijn persoonlijkheid veranderde. Mijn haat en verlangen naar wraak begonnen weg te ebben. In 1972 werd in de voorjaarsuitgave van het blad Bekinews, dat door het verhuisbedrijf werd uitgegeven, onder de kop „De pakhuisbaas die een natie regeerde”, over mij opgemerkt:

„Hij kreeg zowel de Engelse taal als het magazijnwerk snel en goed onder de knie. In 1969 werd hij gepromoveerd tot chef van de inboedelopslagplaats voor het district Beverly Hills/Santa Monica, aan de Wilshire Blvd., Santa Monica. . . . ’Ruben’, zo zegt de districtsmanager Tom Fowler, ’spreidt een combinatie van efficiëntie, hoffelijkheid en opgewektheid ten toon waardoor een uitstekende verhouding tot de klanten is ontstaan. Hij schijnt bij iedereen die met hem te doen heeft, in de smaak te vallen, en dat wij hem als pakhuisbaas van het jaar hebben voorgedragen, getuigt van het uitstekende bericht dat hij heeft opgebouwd.’”

Slechts enkele jaren voordien had niemand zulke aangename dingen over mij kunnen zeggen. Ik was arrogant, alsook immoreel. Als militaire bevelhebber stelden het prestige en de macht die ik bezat, mij in de gelegenheid veel immorele verhoudingen aan te gaan. Vroegere ervaringen hadden tot zo’n levenswijze bijgedragen, evenals de radicale verandering in mijn persoonlijkheid een gevolg was van totaal andere ervaringen in mijn leven.

DE INVLOED VAN RELIGIE

Ik was destijds katholiek, evenals de meeste andere mensen in El Salvador, maar dat weerhield mij er niet van om behalve mijn wettige vrouw een aantal andere vrouwen te hebben. Dit komt onder mannen in Midden-Amerika algemeen voor. De priesters zelf stellen gewoonlijk het voorbeeld. Ik weet dat een priester in Cojutepeque, waar ik woonde, een concubine had. Het was algemeen bekend. Hij had zelfs zoons bij haar. ’Waarom zouden wij dus van de priesters verschillen?’ voerde ik als excuus voor mijn gedrag aan.

De seksuele immoraliteit van de priesters was echter niet het enige. Hun gedrag was ook onethisch, zoals onder andere bleek uit de poging van de aartsbisschop om die twijfelachtige „overeenkomst” met onze nieuwe regering te sluiten. Ik was er ook achter gekomen dat de aartsbisschop een diplomatiek paspoort had — een voorrecht waarop hij geen recht had. Toen wij aan de macht waren, namen wij het paspoort dan ook van hem af. Ik moet zeggen dat ik, door wat ik zag gebeuren, weinig respect voor religie had.

In werkelijkheid wist ik niets van de bijbel. Ik had er nog nooit in gelezen. Ik bezat niet eens een bijbel. De katholieke Kerk in El Salvador had dit nooit aangemoedigd. Ik had catechismusles gehad en de eerste communie gedaan. En mijn moeder had me enkele kerkelijke leerstellingen geleerd, zoals de onfeilbaarheid van de paus, het vagevuur, het hellevuur, de Drieëenheid, enzovoort. Maar geen van deze leringen moedigden mij ertoe aan meer over God te willen vernemen. U zult dus kunnen begrijpen waarom religie, nadat wij naar de Verenigde Staten waren verhuisd, vrijwel geen deel van ons gezinsleven vormde.

MIJN ZOON BEÏNVLOEDT MIJ

Ik was erg verrast toen Ruben, die destijds ongeveer 17 jaar oud was, op zekere dag vroeg: „Vader, vindt u het goed als ik de bijbel bestudeer?” Een schoolvriend van hem studeerde met een van Jehovah’s Getuigen en had er met Ruben over gesproken. Ik had er geen werkelijk bezwaar tegen. Ruben had al gauw veel belangstelling voor de bijbel en begon de vergaderingen van Jehovah’s Getuigen te bezoeken. Na verloop van tijd wilde hij een Getuige worden.

Dit beviel me helemaal niet. Ik wilde dat Ruben verder ging studeren en ’wat in de wereld bereikte’. Hij wilde zijn tijd echter gebruiken om zijn nieuwe geloofsovertuiging met anderen te delen. Hij was standvastig in zijn overtuiging en ik begon krachtig tegenstand te bieden. De Getuigen gaven hem echter de raad mij als zijn vader te gehoorzamen, hetgeen hij ook deed. Toch bleef hij een groot gedeelte van zijn tijd aan de prediking besteden.

Rubens gedrag begon indruk op mij te maken en maakte me nieuwsgierig naar zijn nieuwe religie. Eén voorval kan ik me nog goed herinneren. Ik zei tegen Ruben dat als een bepaalde vriend van mij telefoneerde, hij moest zeggen dat ik niet thuis was. Ik was verrast, en ik moet zeggen geïmponeerd, toen hij zei dat zijn geweten hem niet toestond te liegen. Ruben bracht vrienden mee naar huis, en uiteindelijk aanvaardde ik de uitnodiging van een van hen om de bijbel te bestuderen.

DE BIJBEL IS REDELIJK

Ik kwam onder de indruk van de redelijkheid van wat de bijbel leert. Veel leerstellingen van de Kerk, zoals het vagevuur, het hellevuur en de Drieëenheid, hebben mij nooit steekhoudend toegeleken. Maar nu begon ik in te zien dat deze dingen helemaal niet in de bijbel worden geleerd. Ik vond onze studie bijzonder interessant, vooral als er praktische kwesties besproken werden die verband hielden met regering en het bestuur van de aangelegenheden op aarde.

Met mijn achtergrond besefte ik de noodzaak van een eerlijke regering die de macht bezat om de hand te houden aan rechtvaardige wetten. Wij hadden de hoop gekoesterd de bevolking van El Salvador zo’n regering te verschaffen. Maar nu werd het me duidelijk dat mensen er eenvoudig niet voor zijn toegerust om onafhankelijk van Gods hulp over hun medemensen te regeren. Ja, de bijbel zegt terecht: „Het staat niet aan een man die wandelt, zelfs maar zijn schrede te richten.” — Jer. 10:23.

Is het niet een feit dat menselijke krachtsinspanningen, hoe goed ook bedoeld, nog nooit gerechtigheid en vrede tot stand hebben kunnen brengen? Mensen hebben dit duizenden jaren lang geprobeerd; ze hebben allerlei regeringen opgericht. Maar de goede bedoelingen van de één worden door een andere politieke partij, met andere ideeën, getorpedeerd, en onrechtvaardigheid blijft voortbestaan. De bijbel zegt in dit verband: „De ene mens [heeft] over de andere mens . . . geheerst tot diens nadeel” (Pred. 8:9). Hoe komt dit eigenlijk?

Een belangrijke oorzaak is menselijke onvolmaaktheid. Mensen worden niet alleen ziek en oud, maar ze zijn ook trots en zelfzuchtig van aard, eigenschappen die een wezenlijke belemmering voor een goede regering vormen. Door een studie van de bijbel werd de oorzaak van dit fundamentele gebrek van de mens me duidelijk. Het is te wijten aan het feit dat de eerste man en vrouw tegen Gods heerschappij in opstand kwamen, waardoor hun kostbare verhouding tot God verloren ging. Dit leidde tot onvolmaaktheid en uiteindelijk tot de dood niet alleen voor henzelf, maar ook voor al hun nog ongeboren nakomelingen (Rom. 5:12). Ik begon echter te beseffen dat er nog een oorzaak was waarom ’s mensen pogingen tot zelfbestuur op niets waren uitgelopen.

Het eerste mensenpaar werd tot opstand tegen Gods heerschappij verlokt door een andere opstandeling. Hij was een geestenzoon van God. Ten einde de strijdpunten die door de opstand waren opgeworpen, te beslechten, liet God deze hemelse tegenstander een tijdlang de vrije hand. Zijn vrijheid om te handelen was zo volledig, dat de bijbel hem „de heerser van deze wereld” noemt, terwijl de bijbel ook zegt dat „de gehele wereld . . . in de macht van de goddeloze [ligt]” (Joh. 12:31; 14:30; 2 Kor. 4:4; 1 Joh. 5:19). Gezien die bovenmenselijke invloed werd het me duidelijk waarom zelfs welmenende mensen machteloos staan als zij een goede regering tot stand willen brengen. Welke hoop is er dan?

Op dit punt begon de bijbel werkelijk zinvol voor mij te worden. Vanaf mijn kinderjaren had ik het „Onze Vader” geleerd, waarin Jezus zijn volgelingen leerde bidden: „Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op aarde” (Matth. 6:10). Naarmate wij verder studeerden, begon ik in te zien dat Gods koninkrijk het thema van Christus’ prediking was, ja, het thema van de hele bijbel! Het werd me duidelijk dat dit koninkrijk een regering is, met Christus zelf als de voornaamste regeerder. Na verloop van tijd raakte ik ervan overtuigd dat Gods koninkrijk de enige hoop op de verwezenlijking van een goede regering op aarde is. Maar hoe zal deze regering het bestuur in handen nemen?

De meeste mensen hebben geen werkelijke belangstelling voor Gods regering. Ze zijn zo verblind dat zij deze regering zelfs tegenstaan. Daarom zegt de bijbel: „De God des hemels [zal] een koninkrijk oprichten dat nooit te gronde zal worden gericht. . . . Het zal al deze [menselijke] koninkrijken verbrijzelen en er een eind aan maken, en zelf zal het tot onbepaalde tijden blijven bestaan.” — Dan. 2:44.

Dit klinkt u misschien wat vergezocht in de oren; zo kwam het tenminste op mij over toen ik er voor het eerst over hoorde. Ik kon niet geloven dat God werkelijk een eind zou maken aan alle aardse regeringen en zijn eigen regering zou oprichten. Maar hoe meer ik studeerde, hoe redelijker deze bijbelse leer werd. Toen overtuigde iets mij van de waarheidsgetrouwheid ervan.

EEN ZEKER VOORUITZICHT

Ik had ongeveer een jaar met Veron Long gestudeerd toen ik eindelijk zijn uitnodiging aanvaardde om een vergadering in de Koninkrijkszaal bij te wonen. Ik kwam onder de indruk van de vriendelijke begroeting. Het was verbazingwekkend te zien dat er geen discriminatie bestond. Ik werd ertoe gebracht de vergaderingen geregeld te bezoeken.

Waarom waren deze mensen zo verenigd, gelukkig en vreedzaam? Het kostte me enige tijd, maar ik raakte overtuigd van het antwoord: Zij brachten hun leven in overeenstemming met Gods wetten, de wetten waardoor de onderdanen van Gods koninkrijk zich zullen laten leiden. Wanneer het Koninkrijk alle hedendaagse menselijke regeringen vernietigt, zijn deze mensen dus degenen die door Jehovah God gespaard zullen worden om een nieuwe aardse maatschappij te beginnen. — 1 Joh. 2:17.

Ik wilde bij deze verenigde familie van christenen behoren. In augustus 1969 liet ik mij daarom dopen als bewijs dat ik Jehovah wilde dienen. Ik heb de vreugde mogen smaken te zien dat mijn hele gezin, alsook enkele familieleden in El Salvador, zich bij mij aansloten om onze liefdevolle Schepper, Jehovah, te dienen. Wat ben ik blij dat ik heb geleerd dat binnenkort de gehele aarde zich in een goede regering zal verheugen, onder de heerschappij van Gods koninkrijk! — Ingezonden door Ruben Rosales.

[Illustratie van Ruben Rosales op blz. 5]

[Illustratie op blz. 7]

„La Junta” — de zes mannen die onze regering vormden

[Illustratie op blz. 8]

De aartsbisschop in een geheime bijeenkomst met leden van onze regering

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen