Vragen van lezers
● Wat bedoelde God toen hij tegen Jona zei dat er in de stad Ninevé meer dan 120.000 personen waren „die volstrekt het verschil niet weten tussen hun rechterhand en hun linker”?
Jehovah God zond de profeet Jona naar de stad Ninevé om haar naderende ondergang bekend te maken. De gehele bevolking had toen berouw, om welke reden God verkoos de stad te sparen. Jona reageerde slecht op die ontwikkeling, en God zei tot hem: „Moest ik . . . geen deernis gevoelen met Ninevé, de grote stad, waarin meer dan honderd twintig duizend mensen zijn die volstrekt het verschil niet weten tussen hun rechterhand en hun linker, benevens veel huisdieren?” — Jona 4:11.
Sommige commentators hebben hieruit opgemaakt dat er 120.000 kinderen (misschien onder de leeftijd van vijf of zeven jaar) in de stad waren, zodat zij de totale bevolking op zo’n 600.000 personen schatten. Zulke commentators verwijzen naar de tijd dat God tot Mozes zei dat de enigen die het Beloofde Land zouden binnengaan, de „kleinen” zouden zijn of „uw zonen, die thans nog geen goed of kwaad kennen” (Deut. 1:39). Ook is er opgemerkt dat als Jehovah bereid was Sodom te sparen indien er slechts tien rechtvaardige personen in de stad waren, zijn barmhartigheid hem er beslist toe zou bewegen een grote stad te sparen waarin zich 120.000 kinderen bevonden die nog niet eens hadden geleerd de ene hand van de andere te onderscheiden. — Gen. 18:22-32.
Het is evenwel van belang dat bij de „kleinen” in Deuteronomium 1:39 klaarblijkelijk alle jongeren tot en met de leeftijd van negentien jaar waren inbegrepen (Num. 14:29). In Jona 4:11 worden de 120.000 personen bovendien niet „kleinen” genoemd maar adam, het Hebreeuwse woord voor „mannen” of „mensen”. Ook zullen er beslist meer dan tien jonge kinderen in Sodom zijn geweest; daarom moet God daar toen over tien rechtvaardige volwassenen met verantwoordelijkheidsgevoel gesproken hebben. Jehovah kan in Jona 4:11 dus naar de totale bevolking van Ninevé verwezen hebben, bestaande uit 120.000 personen die in feite hun rechterhand niet van hun linkerhand konden onderscheiden.
Met deze beschrijving bedoelde God vanzelfsprekend niet dat zij verstandelijk zo onwetend waren dat zij hun handen niet uit elkaar konden houden, want archeologische bewijzen getuigen van de technische prestaties van de Ninevieten. God maakte veeleer duidelijk dat de Ninevieten in wezen in het geheel geen deugdelijke maatstaf hadden op grond waarvan zij konden beoordelen wat van Gods standpunt uit bezien juist of onjuist was. Pas toen Jona Gods boodschap bekendmaakte, konden zij goed van kwaad onderscheiden, waarna zij berouw hadden en het kwade de rug toekeerden.