Wat de Koning voor ons doet
„Zijn naam zal worden genoemd: Wonderbaar Raadgever, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.” — Jes. 9:6.
1, 2. Welke tegenstrijdige gevoelens hebben mensen als zij de slechte toestanden in de wereld zien?
HET is voor onvolmaakte mensen moeilijk te begrijpen waarom God heeft toegelaten dat dezelfde onvolmaakte toestanden nu al ruim 1900 jaar sinds Jezus Christus op aarde was, voortduren. Zij zeggen: ’Waarom is er niet sneller handelend opgetreden?’ En wanneer zij dan de moeilijkheden zien waarin de wereld verwikkeld is geraakt, zeggen zij vaak: ’Ik kan niet begrijpen hoe dit ooit nog eens in het reine gebracht kan worden.’ Wanneer wij het programma voor de Koning van Gods regering aan een onderzoek onderwerpen, kunnen wij het schijnbare uitstel begrijpen en zullen wij misschien zelfs verbaasd zijn over wat in een betrekkelijk korte tijdsperiode tot stand zal worden gebracht.
2 In het voorgaande artikel hebben wij gezien dat Jezus zijn leven als een hemelse geest opgaf en naar het niveau van menselijk leven werd overgebracht, om vervolgens dat menselijke leven als een slachtoffer af te staan, waardoor hij ervoor in aanmerking kwam als de Hogepriester van de mensheid dienst te verrichten. Door zijn gehoorzame loopbaan op aarde kwam hij er ook voor in aanmerking Koning te zijn. Hoe zal hij die ambten ten behoeve van het mensdom vervullen?
3. In welke relatie tot het mensdom kwam Jezus Christus door zijn slachtoffer te staan? (1 Tim. 2:5, 6; 1 Joh. 2:1, 2)
3 Krachtens het feit dat Jezus Christus zijn loskoopoffer aan Jehovah God, de Eigenaar van alle dingen, heeft betaald, is hij de eigenaar van het mensdom geworden, zodat hij overeenkomstig Gods rechtvaardige voornemen ten aanzien van elkeen kan handelen totdat hij alle gehoorzame personen ten slotte hersteld heeft en volledig met God heeft verzoend (Joh. 5:22). Dit was Gods regeling, opdat het mensdom uit de zonde kon worden opgeheven en in zijn rechtvaardige gezin teruggebracht kon worden. Op deze wijze hield God aan zijn absolute rechtvaardigheid vast terwijl hij de mensheid toch hielp. — Rom. 3:23-26.
4. (a) Wat deed Christus na zijn opstanding, en wat wordt hij voor gehoorzame personen? (b) Hoe toont de schrijver van het boek Hebreeën aan dat Jezus’ beproeving ons de verzekering geeft dat hij ons met de grootste tederheid en consideratie zal helpen?
4 Christus steeg na zijn opstanding naar de hemel op om de waarde van zijn slachtoffer aan God aan te bieden, net zoals Israëls hogepriester elk jaar op de Verzoendag wat van het bloed van dieren in het Allerheiligste van de tempel, waar God op vertegenwoordigende wijze woonde, had gesprenkeld. Voor degenen die gehoorzaam zijn, wordt Christus „de laatste Adam”, de „Eeuwige Vader”, die hen nieuw leven kan schenken (1 Kor. 15:45; Jes. 9:6). De beproeving die hij op aarde onderging, geeft ons de verzekering dat hij ons met de grootste tederheid en consideratie en met veel begrip zal helpen, zoals er staat geschreven:
„Aangezien wij derhalve een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten wij vasthouden aan onze belijdenis van hem. Want wij hebben als hogepriester niet iemand die geen medegevoel kan hebben met onze zwakheden, maar iemand die in alle opzichten evenals wij beproefd is, maar zonder zonde. Laten wij daarom met vrijmoedigheid van spreken de troon van onverdiende goedheid naderen, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en onverdiende goedheid mogen vinden tot hulp op de juiste tijd.” — Hebr. 4:14-16.
IS MENSELIJKE VOLMAAKTHEID BEREIKBAAR?
5. (a) Wat heeft Christus’ volledig volmaakte, zondeloze leven ons bewezen? (b) Wat wordt door zijn slachtoffer en priesterschap voor zijn 144.000 metgezellen tot stand gebracht?
5 Ten gevolge van het rechtvaardige leven dat Christus heeft geleid, bracht God zijn gunst jegens hem tot uitdrukking door te verklaren dat hij een volmaakte gehoorzaamheid aan de dag had gelegd, volledig vrij van zonde en zonder zelfs een verkeerde gedachte gekoesterd te hebben. Dit verschaft het bewijs dat iedereen met Zijn hulp zijn rechtschapenheid kan bewaren en Gods goedkeurende glimlach kan verwerven (Rom. 5:18, 19). Wanneer iemand de volmaaktheid heeft bereikt, kan hij dezelfde volmaakte zondeloze gehoorzaamheid ten toon spreiden. Wat een groots werk worden er door Christus’ leven, zijn slachtoffer en zijn priesterschap tot stand gebracht! Hij helpt 144.000 anderen om te zamen met hem koningen en priesters te zijn en de mensheid te zegenen doordat zij, onder Christus’ leiding, de voordelen van zijn zoenoffer ten aanzien van de mensheid aanwenden.
6. (a) Wat is de dood die als laatste vijand teniet gedaan zal worden? (b) Hoe en wanneer zal de dood vernietigd worden?
6 Het Koninkrijk met zijn priesterschap maakt ten slotte een eind aan de dood die de gehele mensheid heeft gekweld, een dood die de mensen als gevolg van de zonde van hun vader Adam hebben geërfd (Rom. 5:12). Aan het einde van de duizendjarige regering van het Koninkrijk, wanneer alle gehoorzame mensen de volheid van het leven in volmaaktheid hebben ontvangen, zal worden verklaard dat deze van Adam afkomstige dood is vernietigd. De bijbel zegt ons namelijk dat alle andere belemmeringen voor ’s mensen geluk — goddeloze regeringen, alle tegenstanders van Gods rechtvaardige soevereiniteit, alle dingen die ’s mensen welzijn in de weg staan — vernietigd zullen zijn. „Als laatste vijand wordt [dan] de dood tenietgedaan”. — 1 Kor. 15:25, 26.
WAAROM GOD GODDELOOSHEID HEEFT TOEGELATEN
7. Waarvan vormen de Koninkrijksbeloften een waarborg, en welke vraag moet in dit verband beantwoord worden?
7 De beloften betreffende datgene wat het Koninkrijk ten behoeve van de mens zal doen, vormen derhalve een waarborg dat God zonde, goddeloosheid, onvolmaaktheid en de dodelijke gevolgen ervan niet door de vingers ziet en dat hij er voorgoed een volledig eind aan zal maken. Deze vraag over Gods toelating van goddeloosheid gedurende een lange tijdsperiode heeft veel eerlijke mensen met een onderzoekende geest in verwarring gebracht. En dit is inderdaad een heel belangrijke strijdvraag waarvoor de gehele schepping zich gesteld ziet. Om Gods voornemens en het werk van het Koninkrijk te kunnen begrijpen, is het van het grootste belang eerst deze strijdvraag te begrijpen.
8. Voor welke grote strijdvraag ziet het universum zich gesteld?
8 Het gaat bij de strijdvraag om soevereiniteit — Gods soevereiniteit of heerschappij — niet om de vraag of God soeverein is. Dat is een feit (Ps. 90:2; Hand. 4:24). Er is echter een uitdaging opgeworpen met betrekking tot de juistheid en rechtvaardigheid van Jehovah’s soevereiniteit en of deze hem wel toekomt. Wegens deze strijdvraag heeft God toegelaten dat goddeloosheid gedurende een beperkte tijd blijft bestaan.
9. Met welke hoedanigheid schiep God de eerste menselijke schepselen, en maakt deze hoedanigheid hen onvolmaakt?
9 Gods toelating van goddeloosheid staat allemaal rechtstreeks in verband met het feit dat God de eerste menselijke schepselen naar zijn beeld en overeenkomstig zijn gelijkenis heeft geschapen (Gen. 1:26, 27). Mensen hebben een vrije wil en kunnen zelf kiezen of zij goed of slecht zullen handelen. Zij zijn geen robotten die „geprogrammeerd” zijn om alleen maar goed te doen. Adam en Eva waren als zulke met verstand begiftigde personen in dit opzicht volmaakt. Zouden zij zonder het vermogen zijn geschapen om een morele keuze te doen en morele beslissingen te nemen, dan zou dit hen onvolledig hebben gemaakt, met iets wat ontbrak. God zou een met rede begaafd schepsel, dat naar zijn beeld was geschapen, niet de vrijheid onthouden een keuze tussen goed en kwaad te doen. Om deze reden heeft hij de mens een geweten gegeven. — Rom. 2:15.
10. Hoe vormde de handelwijze van Adam en Eva een uitdaging met betrekking tot Gods soevereiniteit?
10 Adam en Eva’s besluit om Gods gebod ongehoorzaam te zijn, vormde een uitdaging met betrekking tot zijn soevereiniteit. Eva wilde alle dingen zelf ’weten’, dat wil zeggen, beoordelen of vaststellen; zij wilde „als God . . . zijn”. Adam sloot zich bij haar aan in deze daad waarbij zij op trotse wijze van volledige zelfgenoegzaamheid en onafhankelijkheid had blijk gegeven (Gen. 3:5, 6, 22). Beiden weigerden in feite hun status als geschapen personen te erkennen. Zij toonden geen liefde of waardering voor wat God voor hen had gedaan en matigden zich aan voorrechten te bezitten die alleen aan God, als Schepper en Eigenaar van de aarde, Ondersteuner van het leven en Universele Soeverein, waren voorbehouden.
11. Wie stond in werkelijkheid achter Adam en Eva in het uitdagen van Gods soevereiniteit, en hoe wordt dit ons in het boek Job aangetoond?
11 Adam en Eva werden bij het doen van deze hoogmoedige stap door een geestenzoon van God, een engel die tegen God in opstand was gekomen, aangezet en opgestookt (Gen. 3:1-5; Joh. 8:44). Hij daagde Jehovah’s heerschappij uit door te beweren dat Zijn heerschappij en de gehoorzaamheid van Zijn schepselen op zelfzucht of vrees en niet op liefde waren gebaseerd. Later, en wel in het geval van een getrouwe dienstknecht van God, Job genaamd, werd de uitdaging duidelijk onder woorden gebracht. De geïnspireerde schrijver (Mozes) trekt het gordijn van onzichtbaarheid weg ten einde tot verlichting van ons een hemels tafereel te onthullen:
„Later brak de dag aan waarop de zonen van de ware God kwamen om zich vóór Jehovah te stellen, en voorts kwam ook Satan aldaar in hun midden om zich vóór Jehovah te stellen. . . . En Jehovah zei vervolgens tot Satan: ’Hebt gij uw hart gericht op mijn knecht Job . . .? . . .’ Maar Satan antwoordde Jehovah en zei: ’Huid ten behoeve van huid, en al wat de mens heeft, zal hij geven ten behoeve van zijn ziel. Steek voor de verandering alstublieft uw hand eens uit en tast hem tot in zijn gebeente en zijn vlees aan en zie eens of hij u niet recht in uw gezicht zal vervloeken.’” — Job 2:1-5.
12. (a) Hoe werd ’s mensen rechtschapenheid een ondergeschikt strijdpunt, en waarom stond God Satan toe een tijdlang actief te blijven? (b) Wat toont de schrijver van Hebreeën aan over hetgeen Christus met betrekking tot Satan en zijn werken tot stand brengt?
12 Satan (wat „tegenstander”, „tegenstrever” betekent) daagde God dus uit met betrekking tot de vraag of Diens soevereiniteit hem wel toekwam, terwijl hij ook, als een ondergeschikt strijdpunt, ’s mensen rechtschapenheid jegens God in het geding bracht. Gods heerschappij is geen door willekeur gekenmerkte dictatuur. Ter wille van de mens, door mensen toe te staan hun getrouwheid te tonen, en ook ter wille van zijn legerscharen van engelen, opdat zo’n strijdvraag voorgoed in hun geest opgelost zou zijn, stond God Satan toe gedurende een beperkte tijd met zijn wetteloze daden voort te gaan. Aangezien Adams nakomelingen zondig waren, konden zij door deze goddeloze beïnvloed worden, waardoor Satan „de god van dit samenstel van dingen” werd (2 Kor. 4:4). God heeft hem echter ter dood veroordeeld en hij zal binnenkort vernietigd worden, waarbij al zijn werken teniet gedaan zullen worden (Gen. 3:15). Over Degene die hem zal vernietigen, Jezus Christus, lezen wij:
„Omdat nu de ’jonge kinderen’ [Christus’ discipelen] deel hebben aan bloed en vlees, heeft ook hij insgelijks daaraan deelgenomen, om door zijn dood degene teniet te doen die het middel bezit de dood te veroorzaken, namelijk de Duivel [wat „lasteraar” betekent], en om allen die uit vrees voor de dood hun leven lang aan slavernij onderworpen waren, te bevrijden.” — Hebr. 2:14, 15.
Ook wordt er gezegd: „Hiertoe werd de Zoon van God openbaar gemaakt, namelijk om de werken van de Duivel te verbreken.” — 1 Joh. 3:8.
13. Hoe toonde Jezus door zijn levensloop aan dat hij de strijdvraag van rechtschapenheid had beslecht? (Joh. 12:31)
13 Door Jezus’ volmaakte gehoorzaamheid jegens God werd de strijdvraag van rechtschapenheid voor eeuwig beslecht, zonder dat andere mensen hierbij hulp behoefden te verlenen. Jezus zei voor zijn dood: „De heerser van de wereld is op komst. En hij heeft geen vat op mij” (Joh. 14:30). Jezus ’overwon de wereld’ onder haar god Satan. Met de hulp van God en zijn Zoon hebben ook andere getrouwe personen vóór en na die tijd er een aandeel aan gehad ten behoeve van deze strijdvraag dienst te verrichten. Dezen zullen door Christus gebruikt worden om anderen gedurende zijn 1000-jarige heerschappij over de aarde te helpen. — Joh. 16:33.
14, 15. Hoe tonen de woorden van de apostel Petrus in 2 Petrus 3:9 aan dat God niet traag of zorgeloos is?
14 Sommigen zullen God misschien „toegeeflijk” of traag of zorgeloos vinden. De apostel Petrus weerlegt deze gedachte echter door te zeggen: „Jehovah is niet traag ten aanzien van zijn belofte, zoals sommigen traagheid beschouwen, maar hij is geduldig met u, omdat hij niet wenst dat er iemand vernietigd wordt maar wenst dat allen tot berouw geraken.” — 2 Petr. 3:9.
15 Uit Petrus’ woorden kunnen wij opmaken dat God zich om de mens bekommert. Doordat hij tijd schenkt, geeft hij ons allen de gelegenheid de waarheid te horen. Maar elke maand worden er natuurlijk miljoenen baby’s geboren en velen sterven. Petrus’ woorden wijzen er derhalve op dat God weet wat het beste is, niet slechts voor het geslacht dat thans leeft, maar voor allen, de levenden en degenen die opgewekt zullen worden. En hij weet de precieze tijd waarop hij met betrekking tot de menselijke aangelegenheden tussenbeide moet komen en een eind moet maken aan het huidige samenstel van dingen, ten einde de weg vrij te maken voor de duizendjarige regering van Christus, gedurende welke de gehele wereld „in rechtvaardigheid” geoordeeld zal worden (Hand. 17:31; Openb. 20:11-15). Een zeer groot aantal mensen — in werkelijkheid allen die het goede willen doen — kan aldus gered worden en eeuwig leven ontvangen. — Openb. 20:7-10, 15.
WAT KOMT ER AAN HET EINDE VAN DE DUIZENDJARIGE KONINKRIJKSHEERSCHAPPIJ?
16. Tot welke status verheft het Koninkrijk de mensheid? (Openb. 21:3)
16 De duizendjarige heerschappij van het Koninkrijk over alle aangelegenheden op aarde zal een bijzonder gelukkige tijd voor het mensdom zijn. Aan het einde van de duizend jaren zal het Koninkrijk vervolgens eindigen, aangezien het Gods wil dan zowel „in de hemel alzo ook op aarde” heeft volbracht (Matth. 6:10). De Adamitische zonde en de daaruit voortvloeiende dood zullen dan zijn uitgewist en alle mensen zullen een volmaakte positie innemen en niet langer de priesterlijke diensten van het Koninkrijk nodig hebben. God kan hen dan volledig als „kinderen Gods” in zijn reine, volmaakte gezin aanvaarden. — Rom. 8:21.
17. Wat doet Jezus Christus aan het einde van de duizend jaren, en om welke reden?
17 Aan het einde van de duizend jaren zal Christus, die in liefde en loyaliteit jegens zijn Vader Jehovah „gisteren en heden en in eeuwigheid dezelfde” is, voor de gehele schepping de eeuwige soevereiniteit van Jehovah God erkennen, zoals de bijbel onthult: „Vervolgens het einde, wanneer hij het koninkrijk aan zijn God en Vader overdraagt, wanneer hij alle regering en alle autoriteit en kracht heeft tenietgedaan. . . . Wanneer echter alle dingen aan hem onderworpen zullen zijn, zal ook de Zoon zelf zich onderwerpen aan Degene die alle dingen aan hem onderwierp, opdat God alles zij voor iedereen.” Gods soevereiniteit wordt dan niet meer betwist, maar is oppermachtig en gerechtvaardigd, terwijl ze rechtstreeks over zijn gehele schepping wordt uitgeoefend. — Hebr. 13:8; 1 Kor. 15:24-28.
18. Heeft Jehovah na het einde van de duizendjarige regering nog verdere wonderbare dingen voor Christus en zijn 144.000 metgezellen in petto?
18 Christus zal natuurlijk altijd wegens zijn grote werk erkend en geëerd worden en hij zal Ere-Hogepriester en -Koning zijn. Aangezien Jehovah de grote Beloner is, zullen de verhouding waarin Hij hierna tot Christus en zijn 144.000 hemelse metgezellen staat en zijn toewijzingen voor hen een uiting van zijn grote liefde voor hen vormen (Hebr. 6:10). De bijbel onthult niet welke dingen hij voor hen in petto heeft, maar wat hij reeds gedaan heeft, is groots geweest.
„God, die rijk aan barmhartigheid is, heeft ons wegens zijn grote liefde, waarmee hij ons heeft liefgehad, te zamen met de Christus levend gemaakt, . . . en hij heeft ons mede opgewekt en ons mede plaats doen nemen in de hemelse gewesten in eendracht met Christus Jezus, opdat in de toekomende samenstelsels van dingen de alles overtreffende rijkdom van zijn onverdiende goedheid getoond zou worden in zijn goedgunstigheid jegens ons in eendracht met Christus Jezus.” — Ef. 2:4-7.
19. Waarom moet iemand de dingen die wij zojuist hebben bestudeerd, begrijpen?
19 Al deze dingen zijn bij het goede nieuws betrokken, en wil iemand God op een aanvaardbare wijze dienen en het goede nieuws aan anderen bekendmaken, dan is het van het allergrootste belang dat hij deze dingen begrijpt en waardeert.