„Afvallige spotters om een koek”
In een van zijn psalmen spreekt David over de beschimpingen die hij moest verduren. „Onder de afvallige spotters om een koek”, zei David, „was er een geknars van hun tanden, ja, tegen mij” (Ps. 35:16). Deze spotters waren afvalligen in de zin dat zij niet tot Gods getrouwe volk gerekend konden worden. Zij waren verschoppelingen, het uitschot van de maatschappij. Slechts om een koek te krijgen van degene (waarschijnlijk koning Saul) die met hun woorden ingenomen zou zijn, maakten deze mannen David belachelijk. Zij knarsten hun tanden tegen hem, hetgeen wil zeggen dat zij uiting gaven aan hun toorn, hoon en verachting.