Van de hoge Andes tot maagdelijke oerwouden — Het hoofd bieden aan een geestelijke uitdaging in Bolivia
OP 25 oktober 1945 stapten twee zendelingen van Jehovah’s Getuigen, afgestudeerden van de derde klas van de Wachttoren-Bijbelschool Gilead, op het vliegveld in La Paz uit een DC-3. Zij heetten Edward Michalec en Harold Morris. Vanaf die tijd is het werk dat erin bestaat Gods koninkrijk bekend te maken, in Bolivia werkelijk serieus ter hand genomen. Deze zendelingen stonden helemaal alleen in een groot en uitdagend land, dat varieert van de hoge Andesbergen en de kale en onvruchtbare Altoplano tot afgelegen tropische valleien, maagdelijke oerwouden en de laagvlakte in het oostelijke grensgebied. Dit is het land van de grote Andescondor en de trotse lama.
Thans, meer dan dertig jaar later, is in geheel Bolivia een hoogtepunt van 2476 bekendmakers van het Koninkrijk, die in 58 gemeenten van Jehovah’s Getuigen zijn ondergebracht, actief werkzaam. Zij verheugen zich erover dat de geestelijke uitdaging is aanvaard en dat in dit afwisselende land alle soorten van mensen in Jehovah’s geestelijke paradijs worden bijeengebracht.
Als gevolg van het moeilijke terrein en ook door reis- en communicatieproblemen, hebben Jehovah’s Getuigen het noodzakelijk geacht in veertien verschillende gebieden halfjaarlijkse kringvergaderingen te houden. In de begintijd waren enkele van deze vergaderingen erg klein. Op een kringvergadering die in 1966 in Camiri werd gehouden, waren slechts negentien personen aanwezig. De humoristische situatie deed zich destijds voor dat alle negentien personen tijdens één programma-onderdeel op het podium werden geroepen, zodat er niemand in de zaal zat! De geestelijke voordelen werden echter door iedereen gevoeld. Thans worden de kringvergaderingen gewoonlijk door driemaal het aantal Getuigen van Jehovah in het gebied bezocht.
OP DE WINDERIGE ALTOPLANO
Zelfs voordat het machtige Inkarijk op het toneel verscheen, bezat Bolivia reeds een diepgeworteld cultureel en religieus erfgoed. Later voerden de Spaanse veroveraars het katholicisme in, dat zij vermengden met heidense gewoonten. Als gevolg hiervan ontvingen de Maagd Maria en verscheidene katholieke „heiligen” dezelfde verering als Pacha Mama, de godin van de aarde — aan wie men eer schenkt door middel van offers van gedroogde foetussen van lama’s of schapen, te zamen met veel bier, chicha (maïsbier) of suikerrietalcohol, met begeleiding van bijgelovige riten en dronkemanspartijen. Voor zowel de Aymará- als de Quechua-Indianen van Bolivia beheerst Pacha Mama alle aangelegenheden van het leven, met inbegrip van geboorte, huwelijk, het drinken van sterke drank en het kauwen op cocabladeren.
Ondanks deze bijgelovige Altoplano-omgeving gaat Jehovah’s werk in bijna twintig bloeiende gemeenten van Jehovah’s Getuigen vooruit. De grootsheid van de hoge, gure, onvruchtbare, winderige Altoplano wordt aldus verhoogd door de aanwezigheid van hartelijke Aymará-boodschappers van goed nieuws, die er druk mee bezig zijn het geestelijke paradijs op te bouwen.
ONDER DE MIJNWERKERS VAN DE ANDES
De schitterende Andesketen is rijk aan delfstoffen, zoals tin, antimonium, lood, wolfraam, zink en zilver. Mijnbouw is het belangrijkste bestaansmiddel in Bolivia, en overal in het Andesgebied kan men nederige mijnwerkers aantreffen die in mijnkampen zijn ondergebracht. Ook onder hen komen bijgelovigheden van de christenheid voor die met heidense gewoonten zijn vermengd. Men gelooft dat de tío (oom) van de mijn de Duivel, de heerser van de onderwereld, vertegenwoordigt. Het tío-beeld wordt in zijn nis bij de mijningang geplaatst, en van elke mijnwerker wordt verwacht dat hij voordat hij de mijn ingaat, de tío gunstig stemt door alcohol, sigaretten of confetti aan hem te offeren. Als gevolg hiervan zal de tío niet boos zijn en veroorzaken dat de mijn instort.
Toen Jehovah’s Getuigen in de verschillende mijngebieden van Bolivia aan de slag gingen, won de waarheid het van bijgeloof. Er zijn nu in zestien van de belangrijke mijndistricten gemeenten van Gods volk opgericht. Jehovah’s Getuigen hebben in deze gebieden een goede reputatie gewonnen wegens hun reine moraal. Vaak heeft men hen aanbevolen voor het bekleden van verantwoordelijke posities, zoals het bedienen van de belangrijkste lift en werkzaamheden in verband met de financiële administratie of in het magazijn voor levensmiddelen omdat zij veel achting hebben voor het menselijke leven en algemene eerlijkheid voorstaan.
OP DE HOOGVLAKTEN VAN POTOSÍ
Potosí is de grootste stad ter wereld op een hoogte van meer dan 4250 meter — een koud, nogal troosteloos mijncomplex niet ver van de oostelijke grens van de Altoplano. Hier hebben de Spaanse conquistadores in 1545 zilver ontdekt, als gevolg waarvan deze grote stad aan de voet van de beroemde cerro rico, de rijke zilverberg, verrees. Ze groeide uit tot een van de destijds grootste en rijkste steden ter wereld en boogde in 1650 op 160.000 inwoners. Thans is een bevolking van slechts 90.000 mensen in de mijnindustrie werkzaam.
Op het hoogtepunt van Potosí’s glorie leidden niet minder dan tachtig kerken een bloeiend bestaan onder de bevolking. Thans zijn deze sierlijke bouwwerken, die nog steeds vol staan met artistieke schatten uit een vroeger tijdperk, slechts enkele uren per dag open. Dit komt doordat er zo weinig priesters zijn en er altijd iemand aanwezig moet zijn als de kerk open is om de artistieke schatten tegen „christelijke” dieven te beschermen. Hier in Potosí is een bloeiende, gelukkige gemeente van meer dan zestig getuigen van Jehovah er echter druk mee bezig rechtgeaarde Potosinos uit te nodigen de „nieuwe persoonlijkheid” aan te doen waardoor ware christenen worden gekenmerkt. — Ef. 4:20-24.
In Oruro, nog een belangrijk mijncentrum op de boomloze Altoplano, heeft de beroemde diablada (duiveldans) aanleiding gegeven tot een uitgebreide kunstnijverheid op het gebied van het maken van kostuums en afzichtelijke maskers voor de dansers. In de afgelopen jaren is het feest een grote toeristische attractie geworden die overeenkomst vertoont met de carnavalviering in de christenheid. De gehele ceremonie is geconcentreerd rondom de virgen del socavón (maagd van de mijnen). De duiveldans bevat riten die in de Kerk van de Socavón worden verricht, waar Maria door middel van speciale missen wordt geëerd. In deze zelfde stad hebben meer dan honderd getuigen van Jehovah zich echter ten doel gesteld de vruchten van Gods geest in hun leven te ontwikkelen. Zij zijn net gereedgekomen met de bouw van de grootste Koninkrijkszaal in Bolivia.
DE COCA-VERSLAVING OVERWINNEN
Reeds sinds oude tijden hebben de mensen op de Altoplano op de bladeren van de cocaplant gekauwd. De katholieke Spaanse overwinnaars achtten het in hun voordeel deze gewoonte aan te moedigen, aangezien het honger- en pijngevoel van hun inlandse slaven erdoor werden gedood. De slaven kregen hun loon vaak in de vorm van cocabladeren uitbetaald. In deze tijd beoefenen de vatiri — personen met magische krachten — waarzeggerij door de cocabladeren te lezen, waardoor zij het gebruik van de coca-drug met demonisme in verband brengen. Na met de geesten gesproken te hebben, leggen zij de bladeren op een kleed en beschouwen en verklaren vervolgens het ontwerp en de ligging van de bladeren. Nog een manier waarop de toekomst wordt voorspeld, is de cocabladeren te kauwen en ze dan in de open hand te leggen, ten einde in de vorm van de gekauwde massa naar verklaringen te zoeken.
De Boliviaanse regering is zich van het kwaad van drugverslaving bewust en onderwerpt de teelt van coca nu aan een onderzoek. Jehovah’s Getuigen onthouden zich echter reeds lang van euvelen als het kauwen op cocabladeren en het gebruik van cocaïne, dat aan de cocaplant wordt onttrokken, omdat Gods wet een dergelijke verontreiniging van vlees en geest verbiedt (2 Kor. 7:1). En zij helpen velen van hun bijbelstudenten zich van verslaving aan deze drugs te bevrijden.
IN DE OOSTELIJKE LAAGVLAKTE
Diep in het hart van Zuid-Amerika bevindt zich het uitgestrekte oostelijke en noordelijke deel van Bolivia: het laagland van Beni en Santa Cruz, met inbegrip van het moerassige Amazonegebied, graslanden en het tropische regenwoudgebied. Hoewel de religie van de christenheid hier eeuwenlang de scepter heeft gezwaaid, viert immoraliteit hoogtij. Een rechtgeaarde Beniano getuigt er met eigen woorden van hoe de ware religie iemands levenslot verbetert:
„Ik was een toegewijde katholiek. Ik geloofde in God, en het was mijn gewoonte voor beelden neer te knielen, omdat ik geloofde dat ik hierdoor dichter tot God zou komen. Ik kan me nog herinneren dat ik, in de mening verkerend dat ik een heel goed werk deed, meehielp een beeld met een hoofd vol haar schoon te maken, aan te kleden en op te kammen ten einde het in gereedheid te brengen voor de jaarlijkse processie van deze maagd. Maar hoewel ik een vroom en godsdienstig persoon was, hebben mijn ’gidsen’ mij nooit geleerd dat het vereren van beelden afgoderij is en een ernstige overtreding van Gods wetten vormt. Ik was ijverig voor mijn religie, maar dit was tevergeefs, omdat ik blind was voor de slechte en onterende dingen die ik in mijn leven beoefende. Twintig jaar lang had ik in concubinaat geleefd. Vaak was ik betrokken bij wilde orgiën, drinkgelagen en vechtpartijen met mijn vrienden en de vrouw met wie ik leefde. Als lid van een populaire politieke partij ging ik ook in de politiek op. Dit alles veranderde toen een van Jehovah’s Getuigen mij bezocht en ik de bijbel begon te bestuderen. Ik ben nu een gedoopte Getuige en ben heel dankbaar voor de werkelijk intieme verhouding waarin ik nu tot God sta.”
Er zijn in dit hete, tropische deel van Bolivia nu meer dan tien gemeenten van Jehovah’s Getuigen opgericht.
Onder de oudere inlandse mensen vormt analfabetisme vaak een probleem. In gemeenten waar dit de geestelijke groei belemmert, hebben Jehovah’s Getuigen lees- en schrijfklassen georganiseerd, hetgeen voortreffelijke resultaten heeft afgeworpen. Deze klassen worden zelfs door pasgeïnteresseerde mensen bijgewoond, opdat zij de bijbel kunnen bestuderen, en als zij later zelf Getuigen worden en van huis tot huis gaan, moedigen zij anderen er eveneens toe aan bijbelonderricht met lees- en schrijfles te combineren. Aldus blijft er een kettingreactie bestaan.
Bijna een vijfde van alle Koninkrijksbekendmakers in Bolivia verheugt zich in volle-tijd getuigenisactiviteit. Veel jonge mensen sluiten zich onmiddellijk nadat zij het vereiste openbare schoolonderwijs hebben genoten, bij de rijen van de „pionier”-Getuigen aan, en dit ondanks een omgeving waarin jonge mensen er krachtig toe worden aangemoedigd verder te studeren ten einde carrière te maken in de beroepswereld.
Dat er nog veel mogelijkheden voor verdere groei van Jehovah’s werk in Bolivia bestaan, blijkt wel uit het uitstekende bezoekersaantal van 8619 personen tijdens de viering van het Avondmaal des Heren op 14 april 1976. Maar ondanks de geweldige vooruitgang die er in de afgelopen jaren is geboekt, zijn ongeveer zesentwintig provincies, ofte wel 13 percent van de gehele bevolking, nog niet met de boodschap van Gods koninkrijk bereikt. In gezinsgroepen en in „pionier”-groepen, die per vliegtuig, vrachtauto, bus, kano of te voet reizen, trachten Jehovah’s Getuigen het goede nieuws aan alle oprechte mensen in dit land bekend te maken zolang hier nog tijd voor is. Zij hopen dat aldus nog veel meer van deze mensen „het geduld van onze Heer als redding” zullen gaan beschouwen. — 2 Petr. 3:15.