Hoe ver dient vriendelijkheid zich uit te strekken?
VRIENDELIJKHEID is een eigenschap die wij in anderen waarderen. Dit is vooral zo wanneer de vriendelijkheid aan ons wordt betoond. Zelfs als wij iets verkeerds hebben gedaan, hopen wij toch dat wij met vriendelijkheid bejegend zullen worden.
Jehovah God hecht veel waarde aan de eigenschap vriendelijkheid of goedheid. „Zijn liefderijke goedheid duurt tot onbepaalde tijd”, zegt de bijbel herhaaldelijk (Ps. 136). Gods Zoon, Jezus Christus, kende zijn Vader beter dan wie maar ook. Jezus gaf zijn discipelen de raad navolgers te zijn van God, die ’zelfs voor de ondankbaren en goddelozen goed is’. — Luk. 6:35.
Het is derhalve passend dat vriendelijkheid of goedheid tot de fundamentele vereisten behoort die God degenen oplegt die Zijn gunst willen genieten. Hij zegt tot degene die belijdt hem te dienen: „Hij heeft u verteld, o aardse mens, wat goed is. En wat vraagt Jehovah van u terug dan gerechtigheid te oefenen en goedheid [vriendelijkheid] lief te hebben en bescheiden te wandelen met uw God?” — Micha 6:8.
Wanneer wij met mensen omgaan, kunnen er ergerlijke situaties ontstaan die het ons moeilijk maken vriendelijk te zijn. Dit is vooral zo wanneer wij voor onze vijanden komen te staan. Maar Jezus zei hierover: „Blijft uw vijanden liefhebben en blijft bidden voor hen die u vervolgen, opdat gij er blijk van moogt geven zonen te zijn van uw Vader, die in de hemelen is.” — Matth. 5:44, 45.
Onze vijanden liefhebben en vriendelijk bejegenen, is misschien wel de moeilijkste plicht van een christen. En het is meer dan een plicht, want het moet van harte worden gedaan. „Indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten” en „wanneer uw vijand valt, verheug u dan niet; en wanneer hij tot struikelen wordt gebracht, moge uw hart dan niet blij zijn” — dit zijn beginselen die een christen van harte moet aanhangen. — Rom. 12:20; Spr. 24:17.
Dit wil niet zeggen dat een christen iemand anders niet kan terechtwijzen door met hem over zijn fout of over de slechtheid van zijn handelwijze te redeneren. Hij zou de persoon zelfs ’streng kunnen terechtwijzen’ om hem te overtuigen en hem voor de gevolgen van het volharden in een slechte handelwijze te behoeden. — Tit. 1:13.
Wij hebben het voorbeeld van Jezus Christus. Hij wond er geen doekjes om als hij met zijn vijanden sprak. Maar hij heeft hen nooit onvriendelijk behandeld en ook dreigde hij hen niet met persoonlijke represaillemaatregelen wegens hun aanvallen op hem. Toen hij op aarde was, velde hij geen oordeel over personen en ook sprak hij geen persoonlijke veroordeling over hen uit. Hij uitte alleen de oordelen van zijn Vader. — Joh. 5:30.
Toen hij bijvoorbeeld tot zijn bitterste vijanden, de schriftgeleerden en de Farizeeën, sprak, stelde hij hen aan de kaak en liet hij zien wie zij waren, aangezien God hun hartetoestand aan hem had geopenbaard. Hij waarschuwde hen voor Gods oordeel, zoals dit in de Schrift tot uitdrukking werd gebracht. In plaats van te zeggen: ’Ik ben Gods Zoon en ik zal erop toezien dat jullie in Gehenna terechtkomen’, stelde hij hun veeleer de waarschuwende vraag: „Hoe zult gij het oordeel van Gehenna ontvlieden?” (Matth. 23:33) Zij zouden dit individueel alleen kunnen doen door hun rampspoedige handelwijze de rug toe te keren.
Toen Jezus de grootste onvriendelijkheid onderging van de zijde van de joden en de Romeinse soldaten — hij werd veel slechter behandeld dan een slaaf — „ging hij niet terugschimpen. Wanneer hij leed, ging hij niet dreigen” (1 Petr. 2:23; Matth. 27:27-31). De discipel Stéfanus volgde dit voorbeeld toen hij door de joden werd doodgestenigd, door te bidden: „Jehovah, reken hun deze zonde niet aan.” — Hand. 7:60.
Degenen die belijden christenen te zijn, moeten erop toezien dat hun vriendelijkheid niet onderdoet voor de vriendelijkheid en edelmoedigheid die soms aan de dag wordt gelegd door personen die er geen aanspraak op maken dienstknechten van God te zijn. Er zijn in de wereld mensen die overeenkomstig de vriendelijkheid handelen die tot de door God geschapen menselijke aard behoort. Als gevolg van de menselijke onvolmaaktheid heeft die eigenschap echter aan kracht ingeboet. Een christen moet er derhalve op toezien dat hij niet in gebreke blijft deze uiterst belangrijke eigenschap ten toon te spreiden.
Beschouwt u eens hoe de bewoners van het eiland Malta in de dagen van de apostelen velen die beleden God te dienen, beschaamd deden staan. Deze Maltezen, met inbegrip van de belangrijkste man van het eiland, ontvingen de apostel Paulus en degenen die met hem schipbreuk hadden geleden — in totaal ongeveer 276 personen — zeer gastvrij en betoonden hun „buitengewone menslievendheid”. Zij zorgden drie maanden lang voor de schipbreukelingen. En Lukas, die ook tot de groep gestrande personen behoorde, vertelt ons dat toen er weer een boot beschikbaar was, deze vriendelijke eilandbewoners „ons bovendien met vele geschenken [vereerden], en bij onze afvaart overlaadden zij ons met al het nodige”. — Hand. 28:1, 2, 10, 11; 27:37.
Hoe veroordelend was de vriendelijkheid van deze mensen voor de inwoners van de steden van Israël, die de Zoon van God persoonlijk hadden gehoord en zijn wonderen hadden gezien maar hem toch op een buitengewoon onvriendelijke en onwaardige wijze hadden behandeld!
Ook in deze tijd zien en lezen wij hoe sommige mensen zich zo menslievend betonen, dat de vriendelijkheid van de zijde van sommigen die belijden opgedragen dienstknechten van God te zijn, in vergelijking hiermee in het niet verzinkt. God schenkt ongetwijfeld aandacht aan zulk een vriendelijkheid en menslievendheid, als deze werkelijk vanuit het hart wordt geschonken, zodat deze mensen in de gelegenheid gesteld zullen worden meer over Hemzelf en zijn eigen onovertroffen eigenschappen te weten te komen. Jehovah’s Getuigen zullen zulke personen, wier hart door God wordt geopend opdat zij meer over hem zullen willen weten, graag helpen.
Is het ooit passend onvriendelijk te zijn? Wordt er ooit iets goeds door tot stand gebracht? Neen. ’Maar’, zo zou iemand kunnen vragen, ’hoe moeten wij dan omgaan met degenen die van Gods rechtvaardige beginselen afwijken of degenen die zelfs een koppige, opstandige, onberouwvolle geest aan de dag leggen? Moeten wij zulke personen met vriendelijkheid bejegenen?’
Degenen die een fout begaan, zullen veeleer door vriendelijkheid geholpen worden dan door onvriendelijkheid, welke in werkelijkheid een vorm van wreedheid is. Waarom zouden wij, die te allen tijde door anderen vriendelijk bejegend willen worden en een dergelijke behandeling zelfs nodig hebben, onze medemens veroordelen als iemand die geen vriendelijke, hoffelijke behandeling verdient? Hij heeft al genoeg lasten te dragen, zonder de onvriendelijkheid die wij hier nog eens aan toevoegen.
En ook al is iemand een koppige, onberouwvolle overtreder van Gods wet, kan iemand van ons dan zeggen dat die persoon nooit berouw zal hebben? Alleen God kan beoordelen of iemand een onvergeeflijke zonde heeft begaan (Matth. 12:32). Verder kan onvriendelijkheid kwaaddoeners er gemakkelijk van afbrengen berouw te willen tonen. — Rom. 2:4.
Zelfs toen een gemeente te kampen had met verdeeldheid die door opstandige personen werd veroorzaakt, nam de apostel Paulus niet zijn toevlucht tot hardvochtigheid, maar schreef hij: „Ikzelf nu, Paulus, . . . doe u bij de zachtaardigheid en goedheid van de Christus een dringend verzoek” (2 Kor. 10:1). Het Griekse woord dat hier met „goedheid” is vertaald, duidt op eerlijkheid, gematigdheid, zachtheid, redelijkheid. Deze goedheid of vriendelijkheid gaat gepaard met zachtaardigheid. Het is bijzonder vertroostend met iemand te maken te hebben van wie wij weten dat hij op een eerlijke en redelijke wijze aandacht aan ons zal schenken. Wij zullen zijn raad gemakkelijker opvolgen.
Laten allen die ernaar streven getrouwe getuigen van Jehovah te zijn en die God willen navolgen, er derhalve moeite voor doen deze vrucht van Gods geest tot ontwikkeling te brengen, welke vrucht niet alleen tot ons eigen geluk zal bijdragen maar ook het pad zal effenen van anderen die God willen dienen. — Gal. 5:22.