Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w76 1/8 blz. 456-463
  • De beproefde hoedanigheid van ons geloof — een reden tot lof en eer

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De beproefde hoedanigheid van ons geloof — een reden tot lof en eer
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • CHRISTELIJKE GETUIGEN GEHAAT
  • SAULUS WORDT EEN DISCIPEL
  • EEN VOORBEELD VAN GELOOF
  • MEDEGELOVIGEN VEROORZAKEN ONENIGHEID
  • PAULUS NIET DOOR TEGENSTAND ONTMOEDIGD
  • Paulus
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Maak geestelijke vorderingen door Paulus’ voorbeeld te volgen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2008
  • ‘Vervuld met vreugde en heilige geest’
    ‘Geef grondig getuigenis over Gods Koninkrijk’
  • Jehovah’s volk standvastig gemaakt in het geloof
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1990
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1976
w76 1/8 blz. 456-463

De beproefde hoedanigheid van ons geloof — een reden tot lof en eer

„In dit feit verheugt gij u ten zeerste, alhoewel gij op het ogenblik voor een korte tijd, indien het zo moet zijn, door verscheidene beproevingen wordt bedroefd, opdat de beproefde hoedanigheid van uw geloof . . . een reden tot lof en heerlijkheid en eer bevonden moge worden bij de Openbaring van Jezus Christus.” — 1 Petr. 1:6, 7.

1. Geef historische voorbeelden van vervolging waaraan aanbidders van Jehovah het hoofd hebben moeten bieden.

IN DE loop van de gehele geschiedenis van de mensheid zijn mensen des geloofs door hun tegenstanders op de proef gesteld, gekweld en vervolgd. Dit was het geval met Abel, die door zijn eigen broer werd gedood omdat zijn slachtoffer aan God gunst vond in Gods ogen en Kaïns offer niet. Het was het geval met de joodse profeet Jeremia, die in een modderige put werd geworpen omdat hij het woord van zijn God getrouw bekendmaakte. Het was het geval met de stichter van het christendom, Jezus, omdat hij religieuze huichelarij aan de kaak stelde en bereid was de wil van zijn Vader ten uitvoer te brengen.

2. Hoe beschrijft het boek Hebreeën de beproevingen van getrouwen?

2 In het elfde hoofdstuk van Hebreeën staat voor ons een verslag opgetekend van de beproevingen en het geloof van velen van zulke vervolgden, zowel mannen als vrouwen uit het verleden. Wat moeten deze dienstknechten van God een moed hebben gehad om hun geloof te behouden toen zij werden gemarteld, bespot en gegeseld, toen zij in boeien werden geslagen, werden gevangengezet en zelfs werden gestenigd of door het zwaard werden gedood! Het is zoals Paulus, een discipel van Jezus, opmerkte: „De wereld was hun niet waardig.” En toch hadden zij allen niet alleen een vast geloof, een „verzekerde verwachting”, maar ook het vertrouwen dat „God iets beters voor [hen] voorzag” (Hebr. 11:1, 2, 38, 40). Wat was het waarnaar zij met zulk een vertrouwen uitzagen dat zij bereid waren elke mogelijke beproeving te verduren?

3. Waar zagen zij met vertrouwen naar uit?

3 Het was het hemelse koninkrijk waarin deze getrouwe mannen en vrouwen vertrouwen stelden, „een koninkrijk . . . dat niet geschokt kan worden”, Gods koninkrijk van rechtvaardigheid. Paulus herinnerde de Hebreeuwse gelovigen van zijn tijd aan de ontzagwekkende tentoonspreiding van Jehovah Gods majesteit bij de berg Sinaï, toen het Wetsverbond werd gegeven. Hij legde echter uit dat er iets veel grootsers zou komen, de oprichting van het hemelse koninkrijk dat niet slechts over Israël, maar over de gehele aarde zou regeren. „Laten wij daarom, aangezien wij een koninkrijk zullen ontvangen dat niet geschokt kan worden, onverdiende goedheid blijven hebben, waardoor wij heilige dienst voor God kunnen verrichten op een hem welgevallige wijze, met godvruchtige vrees en ontzag.” — Hebr. 12:18-28.

CHRISTELIJKE GETUIGEN GEHAAT

4. Aan wat voor soort van behandeling boden vroege christenen het hoofd?

4 Het is passend dat het woord „martelaar”, dat van Griekse oorsprong is, letterlijk „getuige” betekent, want veel vroege christelijke getuigen hebben vervolging en zelfs het martelaarschap verduurd in plaats van hun geloof te verzaken. Paulus zelf is hierbij betrokken geweest, zoals hij later getuigde: „Degenen die in [de Heer Jezus] geloofden, [wierp ik] in de gevangenis en [geselde ik] in de ene synagoge na de andere . . .; en toen het bloed van uw getuige Stéfanus werd vergoten, stond ik er zelf ook bij en hechtte er mijn goedkeuring aan en bewaakte de bovenklederen van hen die hem om het leven brachten.” — Hand. 22:19, 20.

5. Wat zijn enkele individuele voorbeelden van getrouwheid?

5 Nog een vroege christelijke martelaar was Jakobus, de broer van Johannes, de eerste van de twaalf apostelen die als een martelaar zou sterven en die door Herodes Agrippa I met het zwaard werd terechtgesteld (Hand. 12:1, 2). En indien Jehovah niet tussenbeide was gekomen, zou ook Petrus door Herodes zijn gedood (Hand. 12:11). Bij veel gelegenheden werden er eveneens aanslagen gepleegd op het leven van de apostel Paulus (Hand. 22:22). Tegen het einde van de eerste eeuw schreef de bejaarde apostel Johannes over een andere christen die in getrouwheid was gestorven: „Antipas, mijn getuige, de getrouwe.” — Openb. 2:13.

6. (a) Wat zei Jezus over zijn tegenstanders? (b) Waarom waren zij in hun tegenstand niet te verontschuldigen?

6 Waarom was er zoveel tegenstand tegen de vroege discipelen van Jezus? Waarom gingen de leiders van het volk zo ver dat zij mannen ertoe bewogen een vals getuigenis te geven dat tot Stéfanus’ dood leidde? Jezus had sommigen van zijn religieuze tegenstanders ronduit gezegd: „Gij zijt uit uw vader de Duivel, en gij wenst de begeerten van uw vader te doen. Die was een doodslager toen hij begon, en hij stond niet vast in de waarheid” (Joh. 8:44). Het was dus niet zo dat zij niet op de hoogte waren van de waarheid over Jezus’ onderwijs of de nauwkeurigheid van Stéfanus’ getuigenis. Zij waren beslist bekend met Petrus’ getuigenis over de uitstorting van Gods geest met Pinksteren, en zij waren hetzij getuige geweest van de gave van tongen waardoor deze christenen als Gods volk werden gekenmerkt of zij hadden ervan gehoord. Er waren destijds „ongeveer drieduizend zielen” gedoopt, en later had zelfs „een grote schare priesters” de boodschap aanvaard. Toch brandde de religieuze haat tegen degenen die „De Weg” volgden als een vuur (Hand. 2:41; 6:7; 9:2). De overpriesters herinnerden zich ongetwijfeld heel goed Jezus’ woorden waarin hij hen had veroordeeld (Matthéüs hoofdstuk 23). Hun tegenstand met betrekking tot deze vroege christenen kenmerkte hen derhalve als personen die tegen de werking van Gods geest gekant waren.

SAULUS WORDT EEN DISCIPEL

7. Wat voor soort van achtergrond had Paulus voordat hij een christen werd?

7 Niet allen reageerden echter op die wijze. Saulus (die bij zijn Romeinse naam Paulus bekend kwam te staan) was iemand die grote veranderingen in zijn leven aanbracht (Hand. 13:9). Hoewel hij onder het Wetsverbond en met de zienswijze van de Farizeeën was grootgebracht, deed hij afstand van zijn gerespecteerde positie in het joodse geloof om in de vervolging te delen die over de vroege christenen werd gebracht (Fil. 3:5, 6). Hij wist heel goed wat deze verandering voor gevolgen zou hebben, maar toch aarzelde hij niet toen hij ervan overtuigd was wat juist was. Er woedde een zware vervolging tegen de christelijke gemeente. Saulus had zelf tegen de vroege christenen ’gewoed’ door het ene huis na het andere binnen te dringen en zowel mannen als vrouwen naar buiten te slepen om hen aan de gevangenis over te leveren (Hand. 8:1-3). Ja, toen hij op weg naar Damaskus was, met brieven van de hogepriester bij zich waardoor hij werd gemachtigd om allen die beleden tot het christendom te behoren, hetzij mannen of vrouwen, als gevangenen naar Jeruzalem te brengen, deed zich een gebeurtenis voor die zijn leven radicaal veranderde. — Hand. 9:1, 2.

8. Wat voor ervaring had Paulus (of Saulus) toen hij de waarheid leerde kennen, en hoe reageerde hij?

8 Plotseling werd hij opgeschrikt door een hemels licht. „Hij viel op de grond en hoorde een stem, die tot hem zei: ’Saul, Saul, waarom vervolgt gij mij?’ Hij zei: ’Wie zijt gij, Heer?’ Hij zei: ’Ik ben Jezus, die gij vervolgt.’” Nog steeds door het licht verblind, werd Saulus naar Damaskus geleid. Na drie dagen kreeg een discipel, Ananías genoemd, de opdracht hem te hulp te komen. Nadat hem de verzekering was gegeven dat dit de wil van de Heer was, zei Ananías tot hem: „Saul, broeder, de Heer, de Jezus die u is verschenen op de weg waarlangs gij zijt gekomen, heeft mij uitgezonden opdat gij het gezicht moogt terugkrijgen en met heilige geest vervuld moogt worden.” Hoe zou u op zo’n ervaring gereageerd hebben? Zou u het moeilijk vinden een verandering aan te brengen, omdat u zou weten dat dit naar alle waarschijnlijkheid vervolging en ontberingen voor u zou betekenen, terwijl u misschien zelfs door uw eigen familie verworpen zou worden? Er bestond in Saulus’ geest geen twijfel over hetgeen hem te doen stond, want wij lezen: „Onmiddellijk ging hij in de synagogen Jezus prediken, dat Deze de Zoon van God is.” — Hand. 9:3-5, 17, 20.

EEN VOORBEELD VAN GELOOF

9. (a) Hoe vormen Saulus’ ervaringen een aanmoediging voor hedendaagse christenen? (b) Hoe ontkwam hij ternauwernood aan de dood toen hij in Damaskus over Christus begon te prediken?

9 Wanneer wij Saulus’ voorbeeld van geloof, zijn volharding onder beproevingen en de leiding en bescherming die Jehovah hem schonk, beschouwen, worden wij ertoe aangemoedigd de beproevingen te overwinnen waaraan ware christenen in dit geslacht het hoofd moeten bieden. Ook al wist Saulus dat hij, evenals de andere christenen in die dagen, tegenstand zou ontmoeten, was hij niet iemand die terugdeinsde, ondanks het feit dat de Heer tot Ananías had gezegd: „Ik zal hem duidelijk laten zien hoeveel hij om mijn naam moet lijden.” Na enkele dagen met de discipelen in Damaskus doorgebracht te hebben, begon Saulus ijverig te prediken. Als gevolg hiervan duurde het niet lang of de joden smeedden een samenzwering tegen hem en begonnen dag en nacht de stadspoorten te bewaken om hem uit de weg te kunnen ruimen. Jehovah liet echter niet toe dat dit „uitverkoren vat” zo gemakkelijk aan de kant werd gezet (Hand. 9:15, 16). De samenzwering werd aan Saulus bekend, en zijn discipelen hielpen hem aan deze valstrik te ontkomen door hem in een mand door een opening in de muur naar beneden te laten. Dit was voor deze voormalige vervolger van christenen slechts het begin van een opwindend leven in het predikingswerk.

10. Hoe duidde Saulus’ ervaring met Elymas op demonische tegenstand?

10 Saulus en Barnabas werden door heilige geest speciaal uitgekozen om het woord van God aan zowel joden als niet-joden bekend te maken. Tijdens hun eerste zendingsreis ontmoetten zij een man die bij de proconsul Sergius Paulus was en als een valse profeet en een tovenaar wordt beschreven. Toen de tovenaar Elymas Saulus en Barnabas begon tegen te staan en de proconsul ervan trachtte te weerhouden naar hun boodschap te luisteren, vroeg Saulus (die nu Paulus werd genoemd), vervuld met heilige geest, aan hem: „Zult gij niet ophouden de rechte wegen van Jehovah te verdraaien?” Onmiddellijk werd de tovenaar tijdelijk blind. Als gevolg hiervan stelde de verbaasde proconsul geloof in de dingen die hij gezien en gehoord had. — Hand. 13:6-12.

11. (a) Waarom en op welke schriftuurlijke basis predikten Paulus en Barnabas tot de heidenen in Antiochië en Ikónium? (b) Wat deden zij nadat zij uit deze steden waren verjaagd?

11 Paulus en Barnabas vervolgden hun weg naar Antiochië in Pisidië, waar zij de inwoners van de stad een moedig getuigenis gaven. Toen de joden woedend werden over hun prediking betreffende Jezus’ opstanding, keerden de twee mannen zich tot de mensen van de natiën, waarbij zij naar de profetische woorden van Jesaja verwezen: „Ik heb u aangesteld als een licht der natiën, opdat gij tot aan het uiterste der aarde tot redding zoudt zijn” (Hand. 13:47). En terwijl rechtgeaarde heidenen zich hierover begonnen te verheugen, joeg de joodse bevolking Paulus en Barnabas de stad uit. Toch gingen zij verheugd en vervuld met heilige geest verder. In de volgende plaats die zij bezochten, Ikónium, deden zij een overeenkomstige ervaring op. Als gevolg van hun prediking werd een grote schare van joden en Grieken gelovigen, maar degenen die de boodschap niet aanvaardden, hitsten de mensen op, waarbij zowel joden als heidenen hen kwaad wilden berokkenen, zodat het voor hen noodzakelijk was weg te vluchten ten einde de prediking van het goede nieuws elders voort te zetten.

12, 13. (a) Wat gebeurde er met Paulus in Lystra? (b) Hoe gaf Paulus blijk van zijn vertrouwen in Jehovah?

12 Nadat Paulus in Lystra een man had genezen die van zijn geboorte af lam was geweest, dachten de mensen dat Paulus en Barnabas goden waren. Zij noemden Barnabas Zeus, terwijl zij Paulus Hermes noemden, aangezien hij degene was die de leiding nam in het spreken. Paulus en Barnabas trachtten hen echter te kalmeren door te zeggen: „Mannen, waarom doet gij deze dingen? Ook wij zijn mensen en hebben dezelfde zwakheden als gij en wij maken het goede nieuws aan u bekend” (Hand. 14:15). Omstreeks deze tijd kwamen de joden uit Antiochië en Ikónium, die Paulus nog steeds op de hielen zaten, in Lystra aan, en toen zij Paulus vonden, stenigden zij hem en sleepten hem de stad uit, in de veronderstelling verkerend dat hij dood was. Door Jehovah’s onverdiende goedheid overleefde Paulus deze beproeving echter, en de volgende dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe, waar hij zijn prediking voortzette en vrij veel discipelen maakte.

13 Misschien denkt u: ’Na al zulke wederwaardigheden zou ik de moed hebben opgegeven, voordat ik gedood zou worden.’ Paulus dacht hier echter anders over. In het verslag in Handelingen 14:21 wordt zelfs verhaald dat Paulus en Barnabas naar Lystra, Ikónium en Antiochië, waar zij zoveel tegenstand hadden ondervonden, terugkeerden, aangezien zij de discipelen wilden versterken en aanmoedigen. Zij zeiden tot hen bij wijze van herinnering: „Wij moeten door veel verdrukkingen heen het koninkrijk Gods binnengaan.” Zij vervolgden dus hun werk dat erin bestond de gemeenten op te bouwen en degenen te versterken die gelovigen in Jehovah waren geworden. — Hand. 14:22.

MEDEGELOVIGEN VEROORZAKEN ONENIGHEID

14. Wat betoogden sommigen, en hoe werd dit probleem opgelost?

14 Ongelukkig genoeg veroorzaakten soms niet slechts tegenstanders problemen, maar zaaiden zelfs medegelovigen onenigheid door bijvoorbeeld te beweren dat tenzij de heidenen besneden werden overeenkomstig de gewoonte van Mozes, zij niet gered konden worden (Hand. 15:1, 2). Nadat hierover veel verschil van mening was ontstaan, werd besloten dat Paulus en Barnabas en anderen de kwestie aan de apostelen en oudere mannen van de centrale gemeente in Jeruzalem zouden voorleggen. Tot welke beslissing kwamen zij, nadat zij het getuigenis van de afgevaardigden en van Petrus en anderen hadden aangehoord? Om degenen van de natiën die zich tot God wendden geen verdere last op te leggen behalve in verband met de noodzakelijke dingen: zich te onthouden van dingen die door afgoden verontreinigd waren, en van hoererij en van bloed. — Hand. 15:12-20.

15. Wegens welke situatie corrigeerde Paulus Petrus?

15 Paulus verdedigde de waarheid krachtig. Toen hij zijn bezoek aan Jeruzalem besprak, zei hij dat toen „valse broeders . . . waren binnengeslopen . . . wij [voor dezen] zelfs nog geen uur in onderdanigheid [zijn] geweken, opdat de waarheid van het goede nieuws bij u zou blijven”. Toen in Antiochië zelfs Petrus een valse voorstelling van zaken gaf door niet met zijn heidense broeders te eten of om te gaan, om geen aanstoot te geven aan enkele joodse christenen die op bezoek waren, „weerstond [Paulus] hem van aangezicht tot aangezicht omdat hij te laken was”. Hij legde aan de Galáten uit: „Ik schuif de onverdiende goedheid van God niet terzijde, want indien rechtvaardigheid door middel van de wet is, dan is Christus in werkelijkheid voor niets gestorven” (Gal. 2:4, 5, 11, 21). Dit hielp de Galáten te begrijpen dat christenen door geloof in Christus rechtvaardig worden verklaard en niet doordat zij de werken van de Mozaïsche wet verrichten. Het Wetsverbond was weggenomen en nu was het nieuwe verbond in werking. Hoewel sommigen er traag in waren dit te begrijpen, liet Paulus zich niet door hun tentoonspreiding van menselijke redeneringen ontmoedigen.

PAULUS NIET DOOR TEGENSTAND ONTMOEDIGD

16. Hoe hadden de beproevingen van Paulus en Silas in Filippi een zegen tot gevolg?

16 Toen Paulus tijdens zijn tweede zendingsreis Filippi bezocht, had hij het genoegen de waarheid bekend te maken aan een zakenvrouw, Lydia genaamd, die haar hart wijd opende voor de dingen die Paulus onderwees en deze broeders grote gastvrijheid betoonde. Hier in Filippi kreeg Paulus ook met problemen te kampen, deze keer van de zijde van de eigenaars van een dienstmeisje dat de toekomst kon voorspellen. Elke dag opnieuw bleef zij roepen: „Deze mensen zijn slaven van de Allerhoogste God, die ulieden de weg der redding verkondigen” (Hand. 16:17). Paulus kreeg hier ten slotte genoeg van en beval de demon in Jezus’ naam het meisje te verlaten. Toen haar eigenaars, die voordeel hadden getrokken van haar voorzeggingen, zagen dat zij dit bovennatuurlijke vermogen had verloren, brachten zij Paulus en Silas voor de magistraten opdat zij geslagen en in de gevangenis geworpen zouden worden. Deze ervaring, om eerst geslagen te worden en daarna in de gevangenis te worden geworpen, zou opnieuw genoeg geweest zijn om velen te ontmoedigen, maar niet in het geval van Paulus en Silas. Het verslag licht ons erover in dat zich in het midden van de nacht, toen zij baden en God met een lied loofden, plotseling een grote aardbeving voordeed waardoor de gevangenisdeuren openbraken en de gevangenen uit hun kluisters werden bevrijd. In plaats dat Paulus probeerde te vluchten, bleef hij in de gevangenis om de gevangenbewaarder, die op het punt stond zich van het leven te beroven, gerust te stellen, terwijl hij de gelegenheid aangreep om het woord van Jehovah met hem en zijn gezin te delen. Als gevolg hiervan werden zij nog diezelfde nacht gedoopt.

17. Hoe bezag Paulus zijn beproevingen, en welke zienswijze behield hij?

17 Ondanks dit alles werd Paulus niet ontmoedigd. Hij behield de juiste zienswijze, zoals blijkt uit wat hij aan de Korinthische broeders schreef: „Worden wij beschimpt, wij zegenen; worden wij vervolgd, wij houden stand; worden wij gelasterd, wij smeken” (1 Kor. 4:12, 13). Hij kon de waarheid inzien van Jezus’ woorden: „Een slaaf is niet groter dan zijn meester. Indien zij mij hebben vervolgd, zullen zij ook u vervolgen” (Joh. 15:20). Paulus beschouwde het als een voorrecht om ten behoeve van het goede nieuws beproevingen te doorstaan. — Fil. 1:27-30.

18. Hoe stond een zilversmid Paulus’ prediking tegen, maar wat gebeurde er ten slotte?

18 Op Paulus’ derde zendingsreis ontmoette hij opnieuw tegenstand, deze keer van de zijde van handwerkslieden die religieuze tempeltjes maakten. Demétrius, een zilversmid die goede zaken deed door tempeltjes van de godin Artemis te maken, waarschuwde de mensen dat Paulus leerde dat door handen gemaakte goden geen goden zijn en dat het beroep van degenen die tempeltjes maakten, snel in diskrediet zou geraken. De stad raakte hierover in opschudding, en de stadsschrijver kon de schare slechts met grote moeite kalmeren en ertoe brengen uiteen te gaan (Hand. 19:23-41). Ja, Paulus’ leven werd herhaaldelijk bedreigd en zijn geloof werd steeds weer opnieuw op de proef gesteld. — 2 Kor. 4:7-12; 6:3-10; 11:23-27.

19. Welke waarschuwing ontving Paulus, maar waarom deinsde hij niet terug bij het vooruitzicht van de dood?

19 Toen Paulus ten slotte in Cesaréa was, waarschuwde de profeet Agabus hem dat hij in Jeruzalem gebonden zou worden en in de handen van mensen uit de natiën overgeleverd zou worden. Wat zou Paulus doen? Zou hij naar een andere plaats vluchten? Neen, want hij zei: „Ik [ben] bereid . . . mij te Jeruzalem niet alleen te laten binden, maar er ook te sterven voor de naam van de Heer Jezus” (Hand. 21:10-13). Hij was van mening dat ongeacht wat er met hem zou gebeuren, hij getrouw was geweest in zijn diensttoewijzing en dat hij „rein [was] van het bloed van alle mensen”. — Hand. 20:26.

20. Aan wie kon Paulus een getuigenis geven, en hoe gebruikte hij de tijd gedurende zijn gevangenschap?

20 Zoals was voorzegd, werd Paulus in Jeruzalem, en wel in de tempel, valselijk beschuldigd, waarna hij naar buiten werd gesleept. Alleen door snel ingrijpen van de Romeinse militaire bevelhebber werd voorkomen dat hij werd gedood. Paulus had daarna het voorrecht voor het joodse opperste gerechtshof, het Sanhedrin genaamd, zijn verdediging te voeren. Maar ook hier rees onenigheid over de boodschap die hij bracht. Die nacht stond er een engel bij hem die hem zei goede moed te hebben. Evenals hij in Jeruzalem een grondig getuigenis had gegeven, zou hij ook in Rome getuigenis afleggen (Hand. 23:11). Daarna werd Paulus’ zaak door de bestuurder Felix gehoord, en vervolgens door zijn opvolger, Porcius Festus, en ten slotte door koning Agrippa II, voordat hij naar Rome werd gezonden. Twee jaar werd hij in verzekerde bewaring vastgehouden, terwijl hij tot allen predikte die naar hem toe kwamen om hem te bezoeken. Keizer Nero heeft hem klaarblijkelijk onschuldig verklaard en vrijgelaten. — 2 Tim. 4:16, 17.

21, 22. (a) Welk bewijs hebben wij dat Paulus als gevolg van zijn tweede gevangenzetting verwachtte te sterven? (b) Waarom had Paulus zo’n sterk geloof?

21 Omstreeks 65 G.T. werd Paulus echter opnieuw in Rome gevangen gezet. Gedurende deze gevangenschap schreef hij zijn tweede brief aan Timótheüs, waarin hij te kennen gaf dat zijn dood nabij was (2 Tim. 4:6-8). Hij is waarschijnlijk in 66 G.T. op bevel van Nero door beulshanden ter dood gebracht.

22 Er bestond geen twijfel over de beproefde hoedanigheid van Paulus’ geloof. Hij had er goede redenen voor geloof te bezitten. Hij was niet alleen op een miraculeuze wijze geroepen, maar steeds weer opnieuw had hij de werkzaamheid van Gods geest gezien in de dingen die hij mocht verrichten en in de wijze waarop engelen ten behoeve van hem tussenbeide kwamen. Maar ondanks de intense haat die hij ontmoette, zowel uit demonische als uit menselijke bron, liet hij niet toe dat zijn geloof aan het wankelen werd gebracht en liet hij zich niet afbrengen van het werk waartoe hij was geroepen. Hij stelde zijn vertrouwen in de Heer en in de opstandingshoop. — 1 Kor. 15:14, 21, 22.

23. Hoe weten wij dat Paulus zich niet voor zijn levensloop schaamde?

23 Paulus schaamde zich niet voor zijn levensloop. Hij zei dan ook tegen koning Agrippa: „Ik zou wel tot God de wens willen richten, dat . . . niet alleen gij, maar ook allen die mij heden horen, zouden worden zoals ik ben, met uitzondering van deze boeien” (Hand. 26:28, 29; Rom. 1:16). Ondanks de beproevingen die hij verduurde, moedigde hij anderen aan dezelfde handelwijze te volgen. Aan de broeders in Korinthe schreef hij: „Wordt navolgers van mij, zoals ik het ben van Christus” (1 Kor. 11:1). Hij was niet de soort van persoon die moeilijkheden uitlokte en ook niet iemand die zich verlustigde in ontberingen of het martelaarschap, alsof dit iemand eer verschafte. Niettemin verdedigde hij de waarheid krachtig. Toen hij aan de Thessalonicenzen schreef, verheugde hij zich erover dat het goede nieuws niet alleen met woorden tot hen was gekomen, „maar ook met kracht en met heilige geest en sterke overtuiging . . . en gij zijt navolgers van ons en van de Heer geworden, aangezien gij het woord onder veel verdrukking met vreugde van heilige geest hebt aanvaard”. — 1 Thess. 1:5, 6.

24. Welke zegeningen spruiten eruit voort wanneer wij een geloof als dat van Paulus aan de dag leggen?

24 Weinigen van ons zullen ooit aan alle beproevingen het hoofd moeten bieden die Paulus heeft doorstaan. Toch kunnen wij een geloof als dat van hem ten toon spreiden. Wij kunnen ons zijn aanmoedigende woorden tot de Hebreeën te binnen brengen: „Welnu, wij behoren niet tot het soort dat terugdeinst, wat tot vernietiging leidt, maar tot het soort dat geloof heeft, wat tot het in het leven behouden van de ziel leidt” (Hebr. 10:38, 39). Aangezien wij weten dat de beproefde hoedanigheid van ons geloof volharding tot gevolg heeft, dienen wij navolgers van Paulus te zijn, evenals hij Christus Jezus navolgde. Door ondanks de beproevingen die over ons komen, getrouw te volharden, weten wij dat ook in ons geval de beproefde, duurzame hoedanigheid van ons geloof „een reden tot lof en heerlijkheid en eer [zal zijn] bij de openbaring van Jezus Christus”. — 1 Petr. 1:5-7, 9; Jak. 1:2, 3.

[Illustratie op blz. 458]

Saulus van Tarsus was „het hemelse gezicht niet ongehoorzaam” maar werd een discipel van Jezus en een voorbeeld van geloof en volharding. — Hand. 26:19

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen