Pas op voor geestelijke onreinheid
OVER zijn discipelen zei Jezus Christus: ’Zij zijn geen deel van de wereld, evenals ik geen deel van de wereld ben’ (Joh. 17:14). Betekent dit dat ware christenen kluizenaars moeten zijn, of het moeten vermijden iets met andere mensen te maken te hebben? Neen, want dan zouden zij in feite uit de wereld moeten gaan (1 Kor. 5:10). Zij zijn „geen deel van de wereld” in die zin dat zij niet meedoen met de wereld in haar streven naar macht, rijkdom, ongebreideld genot en slechte praktijken (Matth. 6:31, 32; 1 Petr. 4:3). Zij hebben voor het merendeel hetzelfde soort van werk, dragen dezelfde kleding en genieten in velerlei opzicht dezelfde vormen van ontspanning als de wereld. Maar zij nemen niet deel aan enige strijd in de wereld en hebben evenmin een aandeel aan haar politieke en religieuze plannen om dit falende en in zijn verwachtingen teleurgestelde samenstel van dingen te bestendigen.
Als christenen zich op de immorele, verraderlijke en zelfzuchtige wegen van de wereld zouden begeven, zouden zij in Gods ogen onrein, besmet, raken. Zij zouden bij de zuivere aanbidding als ’vaten’ voor Jehovah onbruikbaar zijn. — 2 Kor. 6:17; 2 Tim. 2:21, 22.
Zo kan een christen zich evenmin inlaten met wereldse methoden en gewoonten, door op de grens te lopen van de christelijke levenswijze en toch nog rein blijven. Zo’n persoon is dubbelhartig en niet volledig aan God toegewijd. Hij zal steeds onachtzamer worden ten aanzien van geestelijke aangelegenheden en onvast in zijn toewijding. — Jak. 1:6-8.
EEN HISTORISCH BIJBELS VOORBEELD
Zelfs nauwe omgang met zulke nalatige personen kan een nadelige uitwerking hebben op de geestelijke instelling van anderen. God maakte dit punt door middel van zijn profeet Haggaï op krachtige wijze duidelijk aan de Israëlieten die uit ballingschap in Babylon waren teruggekeerd. Jehovah was zo goed geweest hen vrij te laten en had het kleine overblijfsel van hen beschermd tijdens hun lange, gevaarlijke reis terug door een woest land. In die tijd hadden zij hun hart erop gezet Gods tempel te herbouwen en aldus Jehovah’s aanbidding te herstellen. Zij kwamen aan in Jeruzalem, op dat moment nog een verwoeste plaats. Jehovah bleef hun activiteiten zegenen toen zij het tempelfundament gingen leggen. Het land werd weer in cultuur gebracht en zij gingen voor zichzelf huizen bouwen.
Ondanks de zegeningen echter die zij gedurende hun getrouwheid hadden ervaren, waren er onder die kleine groep repatrianten veel personen die vergaten om welke reden God hen had teruggebracht. Zij raakten onverschillig met betrekking tot de voltooiing van de tempel — met betrekking tot de verheerlijking van Gods naam door ware aanbidding. Zij bekommerden zich meer om de verfraaiing van hun eigen huizen dan om het huis van Jehovah. Maar Jehovah bracht hen tot bezinning. Hij overtuigde hen van hun slechte staat uit de mond van hun eigen priesters, die de Wet kenden. Hij vroeg aan deze priesters: „Indien een man heilig vlees in de slip van zijn kleed draagt, en hij werkelijk met zijn slip brood of een gerecht of wijn of olie of enig soort van voedsel aanraakt, zal dit dan heilig worden?” De priesters antwoordden: „Neen!” — Hag. 2:10-12.
„Heilig vlees” was het vlees van een dier dat aan Jehovah ten slachtoffer was gebracht. Het deel dat de priesters ontvingen, moest op een „heilige” of „reine” plaats gegeten worden (Lev. 10:14, 17). Maar zelfs al droeg een man heilig vlees in zijn kleed, dan kon dat kleed bij aanraking met ander voedsel nog geen heiligheid op dat andere voedsel overdragen.
Daarna vervolgde Haggaï met de woorden: „Indien iemand die door een overleden ziel onrein is, een van deze dingen aanraakt, zal het dan onrein worden?” Op hun beurt antwoordden de priesters: „Het zal onrein worden” (Hag. 2:13; vergelijk Numeri 19:11-13). Hiermee gaven de priesters te kennen dat alles wat onrein was, onreinheid overdroeg op datgene waarmee het toevallig in aanraking kwam.
Aangezien de Israëlieten onachtzaam waren ten aanzien van Gods aanbidding door druk bezig te zijn met het nastreven van hun eigen zelfzuchtige verlangens, waren zij onrein. En hun onreinheid werd feitelijk overgedragen op alles wat zij aanraakten. God zei: „’Zó is dit volk, en zó is deze natie voor mijn aangezicht’, is de uitspraak van Jehovah, ’en zó is al het werk van hun handen, en wat zij daar [op het tijdelijke altaar dat zij hadden opgericht] ook aanbieden. Het is onrein’” (Hag. 2:14). De teelt van hun gewassen ging derhalve niet gepaard met Gods zegen. Noch de produktie van hun velden noch het werk van hun handen werd gezegend. In plaats daarvan had het gewas te lijden van meeldauw en droogte. — Hag. 2:15-19.
Jehovah kon hen pas zegenen wanneer zij tot hem ’terugkeerden’ door zichzelf van hun onverschilligheid te reinigen. Zij brachten nog steeds slachtoffers, dat wel, maar Jehovah acht gehoorzaamheid en van ganser harte geschonken toewijding belangrijker dan louter slachtoffers of louter een uiterlijk vertoon van toewijding in verband met de aanbidding. — 1 Sam. 15:22.
Gelukkig, zo toont het bijbelse verslag aan, luisterden de Israëlieten naar de raad van Haggaï en Zacharia en voltooiden zij de bouw van de tempel. Tevens is uit de bijbel op te maken dat de Israëlieten daarna voorspoed genoten, zoals God in Deuteronomium 28:1-14 had beloofd. — Hag. 2:18, 19.
ONDERRICHT VOOR CHRISTENEN IN DEZE TIJD
Wat Jehovah destijds in verband met de natie Israël zei en deed, was niet louter en alleen ten voordele van hen. Het onthult hoe Hij denkt en handelt. En door deze dingen te beschouwen, kunnen wij ons leven juist gericht houden. De apostel Paulus schreef: „Deze dingen nu bleven hun overkomen als voorbeelden en ze werden opgeschreven tot een waarschuwing voor ons, tot wie de einden van de samenstelsels van dingen gekomen zijn.” — 1 Kor. 10:11.
Met Paulus’ woorden in gedachten kunnen wij Haggaï’s gesprek met de priesters over reinheid en onreinheid beschouwen om vast te stellen in welk opzicht het een waarschuwing voor ons inhoudt. Wij stuiten dan op het beginsel dat een persoon die als een „vat” van Jehovah, iets heiligs draagt, niet automatisch of gemakkelijk, zonder inspanning, heiligheid op een andere persoon kan overdragen. Bij ware christenen is bijvoorbeeld de waarheid ’in hen tegenwoordig’ terwijl Gods geest ’in hen woont’, waardoor zij rein en heilig voor Gods aangezicht zijn (2 Petr. 1:12; Rom. 8:9). Maar het vergt moeite van hun zijde om de waarheid te spreken en overeenkomstig de waarheid te leven, om hun vat „in heiliging en eer” te houden (1 Thess. 4:4). En personen van de onreine wereld die alleen maar met christenen in contact komen, worden door dat contact niet automatisch heilig of rein. Zelfs wanneer zij de waarheid van het goede nieuws aanvaarden, vergt het tijd en moeite om hen te onderwijzen en het juiste voorbeeld te geven, alsmede ijver van hun kant om te luisteren, te leren en hun leven te reinigen.
Aan de andere kant kan een christen makkelijk besmet raken door omgang met personen die geen waardering voor de waarheid of voor bijbelse beginselen hebben. Het is zoals de christelijke apostel Paulus uiteenzet: „Weet gij niet dat een weinig zuurdeeg het gehele deeg doet gisten?” (1 Kor. 5:6) Derhalve moeten christenen zeer zorgvuldig op hun omgang letten, want daarin schuilt een groot gevaar. Hoe droevig is het echter dat sommigen die verbonden zijn met de gemeenten van Jehovah’s getuigen, ondanks deze duidelijke waarheid wellicht menen dat er absoluut geen gevaar in schuilt nauwe, sociale omgang met personen te hebben die geen gedoopte, toegewijde dienstknechten van Jehovah zijn. Dit kan een valstrik vormen.
Een andere groep vormen natuurlijk de mensen met wie u studeert — in bepaalde gevallen voortreffelijke mensen, die vorderingen maken en genieten van de omgang met u en andere leden van de christelijke gemeente. Dezen hebben uw omgang nodig naar de mate dat zij behoefte aan hulp en aanmoediging hebben. Maar er zijn ook mensen die geen enkele belangstelling bezitten voor wat de bijbel zegt, of die niet zoveel zin hebben om naar het goede nieuws te luisteren. Misschien zijn het in sommige gevallen, naar wereldse maatstaven gemeten, wel rechtschapen en fatsoenlijke mensen. Maar nauwe omgang met hen is slecht, vanwege het feit dat alle personen die geen toegewijde christenen zijn, dingen doen die God niet behagen en een besmettelijke invloed kunnen hebben. Zij kunnen een christen van de ware aanbidding afleiden, zowel met betrekking tot zijn tijd, als met betrekking tot zijn hart en geest. In Efeziërs 2:3 herinnert de apostel christenen aan het volgende: „Ja, onder hen hebben wij allen ons eens in overeenstemming met de begeerten van ons vlees gedragen, doende de dingen die het vlees en de gedachten wilden, en wij waren van nature kinderen der gramschap evenals de overigen.”
Zo is het ook wanneer een persoon in de christelijke gemeente onverschillig is ten aanzien van de ware aanbidding en de dienst van God, dan kan zulk een zorgeloosheid en onachtzaamheid werken als geestelijk zuurdeeg en de anderen in de gemeente besmetten. Let daarom op uzelf wanneer u een christen bent. U kunt onrein worden door u onachtzaam te gaan betonen ten aanzien van de ware aanbidding. U wordt misschien traag in het zoeken van omgang met Jehovah’s volk op vergaderingen, in de velddienst en op congressen. Uw liefde voor uw broeders gaat misschien verkoelen. Het kan zelfs zover komen dat u valt in „de zonde die ons gemakkelijk verstrikt”: verlies van geloof (Hebr. 12:1). Dan kan het gebeuren dat u zelf een besmettelijke invloed op anderen gaat uitoefenen. Door nauwe sociale omgang met personen van de wereld, of zelfs met christenen die halfslachtig, koel, bang of onverschillig tegenover de zuivere aanbidding staan, loopt u het gevaar uw geestelijke zegeningen en zelfs het leven zelf te verliezen.
GEESTELIJKE VOORSPOED VOOR DE REINEN
Degenen die zichzelf rein houden, die een sterk geloof en oprechte bezorgdheid voor de zuivere aanbidding en voor hun medechristenen handhaven, verwachten geen grote materiële voorspoed. Zij zoeken geestelijke zegeningen en voorspoed. Terzelfder tijd hebben zij de zekerheid dat zij de materiële dingen zullen ontvangen die zij werkelijk nodig hebben (Matth. 6:31-34). Er bestaan krachtige aanwijzingen die erop duiden dat Jehovah zijn christelijke getuigen in deze tijd gezegend heeft met grote geestelijke voorspoed. Zij hebben elke krachtsinspanning in het werk gesteld om het goede nieuws van het Koninkrijk op zo groot mogelijke schaal te prediken. Hun prediking heeft zich tot meer dan 200 landen uitgebreid en de opmerkelijke toename van honderdduizenden personen die zich jaarlijks bij hen in de ware aanbidding aansluiten, is een blijk van Jehovah’s zegen. Dit zijn historische feiten, die in de kolommen van De Wachttorena en in het jaarlijks verschijnende Jaarboek van Jehovah’s getuigen kunnen worden aangetroffen.
Jehovah is zeer liefdevol ten aanzien van zijn volk en zal degenen die hem liefhebben, helpen succes te hebben. En als wij waakzaam blijven, zullen wij ons kunnen verheugen in datgene wat uiteindelijk zal volgen en dat door de bijbelschrijver vol vertrouwen als volgt onder woorden werd gebracht: „Wij behoren niet tot het soort dat terugdeinst, wat tot vernietiging leidt, maar tot het soort dat geloof heeft, wat tot het in het leven behouden van de ziel leidt.” — Hebr. 10:39.
[Voetnoten]
a Zie de uitgave van 15 maart (of 1 april) van elk jaar. [Eng. uitgave van 1 januari.]