Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w75 1/11 blz. 658-660
  • Standvastig ondanks vervolging door de geestelijken, nazi’s en communisten

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Standvastig ondanks vervolging door de geestelijken, nazi’s en communisten
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • MIJN JEUGD
  • DRUK VAN DE ZIJDE VAN DE GEESTELIJKEN
  • DE VOLLE-TIJDDIENST
  • STANDVASTIG ONDANKS NAZI-VERVOLGING
  • STANDVASTIG ONDANKS COMMUNISTISCHE VERVOLGING
  • Geduldig op Jehovah wachten vanaf mijn jeugd
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1997
  • Van politiek activist tot neutrale christen
    Ontwaakt! 2002
  • God is mijn toevlucht en sterkte
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1997
  • Bevrijding van totalitaire inquisitie door geloof in God
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
w75 1/11 blz. 658-660

Standvastig ondanks vervolging door de geestelijken, nazi’s en communisten

ZOALS VERTELD DOOR ERNST SELIGER

MIJN vrouw en ik hebben samen meer dan veertig jaar in concentratiekampen en gevangenissen doorgebracht. Waarom? Niet omdat wij iets kwaads gedaan hadden of ons met de politiek hadden ingelaten maar wegens ons standvastige geloof in God.

Zowel de geestelijken als de nazi’s en communisten hebben zich tegen mijn deelneming aan de prediking van Gods koninkrijk verzet. Toch ben ik in de loop der jaren standvastig gebleven in mijn verlangen mijn dienst voor God getrouw te vervullen.

MIJN JEUGD

Op jeugdige leeftijd koesterde ik al het verlangen een bedienaar van Gods Woord te worden. Toen ik dit op zekere dag tegen mijn moeder zei, antwoordde zij: „Daarvoor zijn wij nu eenmaal te arm.” Dit stemde mij treurig, maar ik legde mij erbij neer dat ik nooit een bedienaar van Gods Woord kon worden. In plaats daarvan zou ik apotheker worden.

Onmiddellijk na het einde van de Eerste Wereldoorlog in 1918 begon ik als leerling in een apotheek in Silezië, Duitsland, te werken. Ten gevolge van de moeilijkheden waaraan ik het hoofd moest bieden, dacht ik er vaak over een eind aan mijn leven te maken. Slechts enkele maanden nadat mijn leertijd voorbij was, trok echter een aanplakbiljet mijn oog. Hierop werd de vertoning aangekondigd van het „Photo-Drama der Schepping”, een programma bestaande uit lichtbeelden en filmopnamen dat door de Bijbelonderzoekers of Jehovah’s getuigen was samengesteld.

Ik zei bij mijzelf: „Ik zoek juist naar mensen die oprecht de bijbel onderzoeken.” Door het Photo-Drama vielen mij de schellen van de ogen. Ik begon Gods voornemen te begrijpen. Ik bestelde prompt de zeven delen van de Schriftstudiën, die door het Wachttorengenootschap werden uitgegeven, en aanvaardde uitnodigingen om bijbellezingen bij te wonen. Na vorderingen gemaakt te hebben in het leren van de bijbelse waarheid, droeg ik mijn leven aan God op en werd in februari 1923 gedoopt. Eindelijk een dienstknecht van God!

DRUK VAN DE ZIJDE VAN DE GEESTELIJKEN

In datzelfde jaar begon een katholieke priester ons moeilijkheden in de weg te leggen. Hij kondigde aan dat hij in de stad Gottesberg een lezing tegen de Bijbelonderzoekers zou houden. De katholieke chef van mijn protestantse werkgever stond erop dat ik erheen zou gaan. Ik was toen nog maar achttien jaar oud en besprak de kwestie met mijn christelijke broeders. Wij besloten dat ik er inderdaad naar toe zou gaan en aantekeningen zou maken en iets over de bijbelse waarheid zou zeggen als ik daartoe in de gelegenheid was.

Toen ik arriveerde, bracht de chef mij in een zaal waar ongeveer 250 katholieken bijeen waren. Hij leidde mij naar het achterbalkon. Later hoorde ik van mijn werkgever dat de chef en zijn medeplichtigen van plan waren geweest mij van het balkon naar beneden te gooien. Zonder hun slechte bedoelingen te weten, besloot ik echter naar beneden te gaan om in de grote zaal achter de laatste rij stoelen te gaan staan. Om 8 uur n.m. kwam de priester, te zamen met nog andere geestelijken, de zaal binnen. Gedurende zijn lezing maakte ik aantekeningen, hetgeen hem klaarblijkelijk zo nerveus maakte dat hij vaak zweetdruppels van zijn voorhoofd moest vegen.

Na een pauze stelde de priester de aanwezigen in de gelegenheid vragen te stellen. Niemand zei iets. Ik bad tot Jehovah en stak toen mijn hand op. Ik vermeldde dat ik was uitgenodigd om te komen en niet de bedoeling had de vergadering te verstoren. Enkele dingen die over de Bijbelonderzoekers waren gezegd, waren echter niet waar. Ongeveer tien minuten lang luisterde iedereen naar mij terwijl ik enkele waarheden aan de hand van de bijbel uitlegde.

Toen rukte plotseling iemand achter mij de bijbel en mijn aantekeningen uit mijn hand. Een menigte viel op mij aan en sleepte mij naar de achterdeur, terwijl zij mij voortdurend sloegen en schopten. Twee katholieke politieagenten moedigden het gepeupel ertoe aan mij van de wenteltrap naar beneden te gooien. Ik klemde mij wanhopig aan de leuning vast en bad Jehovah om hulp. Ten slotte gebood iemand in de zaal hun mij met rust te laten en mij niet langer lastig te vallen. Ik was vastbesloten standvastig te blijven voor Gods waarheid, ondanks welke door geestelijken geïnspireerde druk maar ook om mij met Zijn dienst te doen ophouden.

DE VOLLE-TIJDDIENST

In 1924 nam ik ontslag bij de apotheek waar ik werkte en ging ik de volle-tijddienst in om Gods Woord onder leiding van het Wachttorengenootschap te prediken. Wat was ik blij!

Wat heb ik in dit predikingswerk een schitterende ervaringen opgedaan! Bij één huis zei de vrouw bijvoorbeeld tegen mij: „Jongeman, ik zal je eens iets vertellen. Mijn man en ik bidden elke ochtend en elke avond op onze knieën tot God. Maar omdat wij graag zijn voornemen beter willen begrijpen, hebben wij hem gisteravond gevraagd iemand naar ons toe te sturen met bijbelverklarende lectuur. Ik was ervan overtuigd dat God ons gebed zou verhoren. Daarom heb ik vanochtend een cake gebakken, in de volle overtuiging dat er een boodschapper van God zou komen. Zoals je ziet, is ook de koffie klaar. Spreek alsjeblieft een gebed uit over het voedsel en laten wij ervoor gaan zitten om er samen van te genieten. O, mijn man zal beslist stomverbaasd zijn wanneer ik hem dit vanavond vertel!” Deze vrouw nam alle bijbelse lectuur die ik bij me had.

STANDVASTIG ONDANKS NAZI-VERVOLGING

In 1925 werd ik uitgenodigd om op het bijkantoor van het Wachttorengenootschap in Maagdenburg te werken. Na mijn huwelijk in 1931 bleef ik daar dienst verrichten. Mijn vrouw en ik hadden een zeer harmonieus huwelijk totdat de nazi-vervolging van Jehovah’s getuigen uitbrak. Uit vrees voor vervolging stelde zij mij plotseling een ultimatum: Ik moest òf de bijbelse waarheid opgeven òf haar. Ik besloot Jehovah loyaal te blijven en aldus verloor ik haar en mijn zoon.

De nazi-vervolging spitste zich toe. Tweemaal werd ik gearresteerd omdat ik een Getuige was. Toen ik na een gevangenschap van zes maanden nog steeds weigerde mijn omgang met de Getuigen te staken, werd ik in juli 1937 naar het concentratiekamp Sachsenhausen overgebracht.

Omdat ik standvastig was in mijn weigering een militair inlijvingsformulier te ondertekenen, werd mij in juli 1940 door een majoor gezegd: „Besef je wel dat je binnen vier tot zes weken gefusilleerd zult worden?” Mijn antwoord was: „Ja, majoor, maar ik blijf bij mijn besluit!” Het pakte echter anders uit. Er was een wetsherziening van kracht geworden waardoor iedereen die vóór het begin van de Tweede Wereldoorlog gevangen had gezeten, niet onder de dienstplichtwet viel. Ik zou dus niet gefusilleerd worden.

De situatie was echter anders voor mijn jongere broer Martin, die de waarheid slechts negen maanden vóór mijn arrestatie door mij had leren kennen. Hij werd voor de militaire dienst opgeroepen, weigerde de wapens op te nemen en werd ter dood veroordeeld. In februari 1943 werd hij in de gevangenis van Brandenburg met de guillotine geëxecuteerd.

In het concentratiekamp moedigde broeder Schurstein ons aan door een dagelijkse bijbeltekst met commentaar te verschaffen. Vlak voordat hij naar het concentratiekamp Dachau werd gezonden, waar hij in de gaskamer om het leven kwam, zei hij tegen mij: „Broeder Seliger, zet datgene waarmee ik hier ben begonnen voort en versterk de broeders, zoals je dit altijd al hebt trachten te doen.” Ik beschouwde dit als een eervolle toewijzing van Jehovah. En aangezien ik in het ziekenhuis te werk was gesteld, slaagde ik erin voor een gehele maand tegelijk dagteksten samen te stellen. Deze werden aan de andere Getuigen in het kamp doorgegeven.

STANDVASTIG ONDANKS COMMUNISTISCHE VERVOLGING

Na de oorlog en mijn vrijlating uit het kamp had ik het voorrecht het predikingswerk van Jehovah’s getuigen in de Duitse Democratische Republiek (Oost-Duitsland) te reorganiseren. Nadat ik met Hildegard Mesch was getrouwd, kreeg ik het voorrecht als kringopziener dienst te verrichten, ten einde de gemeenten van Jehovah’s getuigen aan te moedigen en op te bouwen. Slechts enkele jaren later werd ons predikingswerk echter opnieuw verboden — deze keer door de communisten. Wij werden beiden in november 1950 gearresteerd toen wij op weg waren naar het spoorwegstation in Torgau om naar de volgende gemeente te reizen. In juli 1951 veroordeelde een communistische rechtbank in Leipzig mij tot vijftien jaar gevangenisstraf. Mijn vrouw, die vele jaren in nazi-concentratiekampen had doorgebracht, werd tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld. Enkelen van de andere gevangen Getuigen die samen met mij in het nazi-concentratiekamp hadden gezeten, vroegen opnieuw mijn hulp te bieden bij het verschaffen van geestelijk voedsel. Ondanks het strenge toezicht in het strafkamp, slaagden wij er een tijdlang in dagelijks een Wachttoren-studie en andere vergaderingen te hebben om ons geloof op te bouwen.

Hoewel mijn vrouw en ik in het begin in dezelfde gevangenis vastzaten, mochten wij elkaar niet zien of spreken. Mijn vrouw slaagde er echter ook in geestelijk voedsel te krijgen en het met anderen te delen. Zij vertelt:

„In februari 1952 werd ik overgebracht naar de Waldheimgevangenis. Jehovah was erg goed voor mij want toen ik voordien in hechtenis was, had ik onverwachts een bijbel ontvangen, die ik zes- of zevenmaal doorlas. Ik kon vele dingen die ik mij uit de bijbel kon herinneren met mijn christelijke zusters delen. Elke dag bespraken wij een dagtekst, die alle cellen waarin Getuigen zaten, werd binnengesmokkeld. Daarna volgden er verslagen uit de bijbel en ten slotte gedachten uit Wachttoren-artikelen. Wij smokkelden zelfs een bijbel de gevangenis binnen; vervolgens namen wij deze uit elkaar en verspreidden de delen in de verschillende cellen. Elke week werden deze verschillende bijbelgedeelten uitgewisseld. Als er plotselinge overvallen in de cellen werden gedaan, vielen bijbelgedeelten of geschreven dagteksten soms in handen van de communistische bewakers.

Als gevolg van zulke overvallen, bracht ik één jaar in eenzame opsluiting door; drie maanden lang werden mij alle voorrechten ontzegd, en gedurende drie weken werd ik in ’donkere opsluiting’ vastgehouden — in een cel die voor een krankzinnige werd gebruikt. Maar zodra ik terug was, had ik weer bijbelse lectuur die ik met anderen deelde.

In 1954 werden alle vrouwen naar Halle overgebracht. De gevangenisautoriteiten beschouwden mij als bijzonder gevaarlijk omdat ik, zoals een bewaakster zei, de hele dag over de bijbel sprak. Ik werd derhalve met andere Getuigen die niet mochten werken, in een keldercel opgesloten. Hier hebben wij inderdaad de hele dag over de bijbel gesproken en ook over de Wachttoren-artikelen die wij ons nog konden herinneren. Ten slotte werd ik — na tien jaar in de gevangenis te hebben gezeten — op 1 november 1960 vrijgelaten.”

Drie jaar na de vrijlating van mijn vrouw, werd ik uit de gevangenis ontslagen en werd het mij toegestaan mij bij mijn vrouw in West-Berlijn aan te sluiten. Zodra ik enigszins van mijn buitengewoon slechte gezondheid was hersteld, ging ik weer in de volle-tijd predikingsdienst, en dank zij de onverdiende goedheid van Jehovah dienen mijn vrouw en ik nog steeds in deze hoedanigheid.

Eén ding is zeker: ik had er destijds in 1922, toen ik Gods waarheid leerde kennen, geen idee van dat mijn tweede vrouw en ik ruim veertig jaar in concentratiekampen en gevangenissen zouden doorbrengen. Maar met de apostel Paulus kunnen wij zeggen dat wij „in gevangenissen . . ., in slagen uitermate, dikwijls de dood nabij . . . in arbeid en zwoegen”, vastbesloten zijn om als „dienaren van Christus” standvastig te blijven. — 2 Kor. 11:23-27.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen